Vreemdelingen – Verwijdering – Verplicht medisch onderzoek – Vermoeden van onderduiken
Bij het arrest nr. 89/2026 van 16 juli 2026 vernietigt het Hof meerdere bepalingen van de wet van 12 mei 2024 «tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen inzake het aanklampend terugkeerbeleid» die het beleid voor de verwijdering van vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven, versterkt en het stelt twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de mogelijkheid om, in het geval van een pandemie, een medisch onderzoek aan vreemdelingen op te leggen met het oog op hun verwijdering. Het Hof oordeelt dat wanneer de vreemdeling niet aan de procedure meewerkt, maar wel op zijn verblijfplaats blijft, het vermoeden van onderduiken niet redelijk verantwoord is en preciseert dat de verplichting om mee te werken aan de terugkeerprocedure in die zin moet worden geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is op de vreemdeling die een schorsend beroep tegen de terugkeerbeslissing heeft ingesteld. Volgens het Hof had de wetgever ook in meer dan twee alternatieven voor de detentie moeten voorzien.