Economisch recht – faillissement – kwijtschelding van schulden

Artikel XX.173, § 2) van het Wetboek economische recht, sinds de vervanging ervan bij artikel 233 van de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit », staat niet toe dat de gefailleerde natuurlijke persoon de rechtbank verzoekt om uitspraak te doen over de kwijtschelding voor de sluiting van het faillissement. In zijn arrest nr. 55/2026 van 23 april 2026 oordeelt het Hof dat dit grondwettig is tijdens de periode waarin de curator nog de weigering van de kwijtschelding kan vorderen. Eens het niet langer mogelijk is om de weigering van de kwijtschelding te vorderen, is het echter niet redelijk verantwoord dat de gefailleerde de rechter niet kan verzoeken om zich nog voor de sluiting van het faillissement over de kwijtschelding uit te spreken.

p 1560 | 55/2026 | | Grondwettelijk Hof