Omschrijving
Internationale bewijsverkrijging in de Europese Unie na de herziene Bewijsverordening
Jaargang
2026 - 2027 (90)
Pagina
202
Auteur(s)
J. Van Doninck, K. Emmerechts
Trefwoorden

BEWIJS

EUROPESE UNIE

Bijkomende informatie

Internationale bewijsverkrijging in de Europese Unie na de herziene Bewijsverordening

Prof. dr. Jachin Van Doninck

Hoofddocent Vrije Universiteit Brussel & advocaat

Karolien Emmerechts

Geaffilieerd wetenschappelijk medewerker Vrije Universiteit Brussel & advocaat

Bewijsverkrijging is ook bij internationaal procederen van het grootste belang. Waar landsgrenzen aan die bewijsverkrijging beperkingen stellen, heeft de Europese Unie in 2001 de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewÿsverkrÿging in burgerlÿke en handelszaken door middel van een verordening proberen aan te zwengelen. In 2020 werd die Bewijsverordening herzien. Op 1 mei 2025 traden ook de bepalingen van de herziene Bewijsverordening over digitale communicatie in werking. Dat biedt de gelegenheid om het thema van de internationale bewijsverkrijging in de Europese Unie en de plaats daarin van de Bewijsverordening omvattend te bespreken.1

I. Inleiding

1. Idem est non esse aut non probari.2 Ook de internationale procesvoering is met het adagium vertrouwd. Al gauw doemt dan de vraag op hoe bewijsverkrijging grensoverschrijdend kan worden georganiseerd. Toegang tot bewijs is onontbeerlijk voor een effectieve procesgang, maar tegelijk raakt bewijsverkrijging aan de territoriale soevereiniteit van staten. Tussen die twee grootheden moet bij internationale bewijsverkrijging een evenwicht worden gezocht.3

Bij de totstandkoming van het Gerechtelijk Wetboek dacht de Belgische wetgever hierover in termen van ambtelijke opdrachten of zgn. «rogatoire commissies», waarbij aan vreemde gerechtelijke overheden opdracht werd gegeven om daden van onderzoek te doen verrichten (in die zin art. 11 Ger.W.).4 Dat was ook de benadering in het Verdrag van Den Haag van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering,5 dat in deel II een regime uitwerkt van rogatoire commissies die langs diplomatieke weg moeten worden uitgevoerd. De versoepeling geboden door het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken, dat het diplomatieke kanaal vervangt door de inschakeling van nationale Centrale Autoriteiten, ging aan België voorbij omdat het geen partij werd bij het verdrag.6

De noodzakelijke versoepeling kwam er wel door Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewÿsverkrÿging in burgerlÿke en handelszaken.7 De Bewijsverordening beoogt de samenwerking tussen de gerechten van de EU-lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging te versterken door de verzending en uitvoering van verzoeken om handelingen tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks te verrichten en langs de snelste kanalen tussen de gerechten van de lidstaten te laten verlopen.8 De verordening werd in 2020 herzien9 en wil de vruchten plukken van de toegenomen mogelijkheden tot digitale communicatie.10 In deel II. van deze bijdrage trachten we de beginselen te identificeren die een adequate internationale bewijsverkrijging moeten helpen waarborgen. Die beginselen zien zowel op de toepassing als op de afbakening van de Bewijsverordening. In deel III. van de bijdrage volgt dan een gedetailleerde bespreking van de herziene Bewijsverordening. Waar mogelijk wordt die bespreking geïllustreerd aan de hand van - voornamelijk Belgische - rechtspraak. Wij maakten daarbij ook gebruik van de Belgische rechtspraak over die Bewijsverordening die via de Just Be Europe-databank ter beschikking is.11

II. Vier beginselen van internationale bewijsverkrijging

A. Ruime interpretatie van het begrip bewijsverkrijging

2. De notie bewijsverkrijging in de Bewijsverordening moet ruim worden geïnterpreteerd. Dat wordt treffend geïllustreerd door de zaak «Tedesco».12 Aanleiding voor de prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie was de weigering van de Engelse rechter om in het kader van een zgn. beschrijvend beslag13 gevolg te geven aan het verzoek van de rechtbank te Genua tot het verrichten van beschrijvend beslag op beweerdelijk inbreukmakende goederen in de bedrijfspanden van een Engelse vennootschap in Essex. De zaak werd bij het Hof doorgehaald wegens voortijdige beëindiging van de Italiaanse procedure, maar advocaat-generaal Kokott had toen al haar conclusie voor het Hof genomen. In die conclusie zet zij overtuigend uiteen dat het begrip «handeling tot het verkrijgen van bewijs» niet eng mag worden uitgelegd. Het doel van het vereenvoudigde rechtshulpmechanisme in de Bewijsverordening wordt slechts gediend door op zoveel mogelijk maatregelen van gerechtelijke informatieverschaffing van toepassing te zijn.14

De advocaat-generaal reduceert ook het begrip «fishing expedition» tot zijn ware proporties.15 Dat er geen verzoek tot bewijsverkrijging mag worden gedaan «met het doel partijen in staat te stellen, zich bewijs te verschaffen dat niet bestemd is voor gebruik in een reeds aanhangige of in een voorgenomen procedure»16 kan volgens de advocaat-generaal «niet aldus worden opgevat dat elke procedure tot het vaststellen van feiten vóór de inleiding van de gerechtelijke procedure in de hoofdzaak zou zijn uitgesloten. (...) Veeleer verduidelijkt de verklaring dat het bewijsmateriaal ten minste zo nauwkeurig moet zijn bepaald, dat het verband met de reeds aanhangige of voorgenomen procedure duidelijk is, en dat de rechtshulp enkel betrekking mag hebben op het bewijsmateriaal zelf, en niet op omstandigheden die slechts indirect verband houden met de gerechtelijke procedure.»17

Een bewijsverkrijgingsbevel vormt met andere woorden een ongeoorloofde fishing expedition en is ontoelaatbaar, wanneer de documenten waarom wordt verzocht leiden tot de opsporing van mogelijk bruikbaar bewijsmateriaal, maar zelf niet dienen voor bewijsdoeleinden in de procedure (de zogenoemde «train of enquiry» - de ontoelaatbare opsporing van relevant bewijsmateriaal). In deze gevallen wordt het bewijsmateriaal enkel indirect gebruikt. De toepassingsvoorwaarde «voor gebruik in een [...] procedure» is dan niet vervuld.18 Een bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van documenten die pas bij de uitvoering van het bevel worden gevonden, is daarentegen wél toelaatbaar, wanneer deze documenten voldoende nauwkeurig zijn gespecificeerd of beschreven en direct verband houden met het litigieuze voorwerp. Alleen zo kan worden voorkomen dat ten nadele van de tegenpartij wordt gevist naar informatie die verder gaat dan die in verband met het litigieuze voorwerp.19 Maatregelen ter bescherming en verkrijging van bewijsmateriaal, zoals een beschrijvend beslag, zijn volgens de advocaat-generaal wel degelijk handelingen tot het verkrijgen van bewijs die binnen de werkingssfeer vallen.20

B. Toenadering van nationaal procesrecht

3. De rechtshulp georganiseerd door de Bewijsverordening veronderstelt ook een toenadering van en tussen nationaal procesrecht.21 Het uitgangspunt dat het aangezochte gerecht het verzoek om bewijsverkrijging uitvoert overeenkomstig zijn nationale wet (art. 12, tweede lid van de Bewijsverordening), kent immers ook uitzonderingen. Het verzoekende gerecht kan vragen dat de bewijsverkrijging wordt verricht volgens een bijzondere vorm waarin wordt voorzien door het recht van de lidstaat van de verzoekende rechter (art. 12, derde lid van de Bewijsverordening).

Die confrontatie met buitenlands procesrecht22 kan slechts worden vermeden indien zo’n vorm van bewijsverkrijging niet verenigbaar is met het nationale recht, dan wel wegens grote praktische moeilijkheden niet mogelijk is (art. 12, derde lid van de Bewijsverordening). De opmerking dat de openbare orde hier als weigeringsgrond ontbreekt,23 neemt niet weg dat de internationale openbare orde een goede graadmeter oplevert om aan die onverenigbaarheidstoets invulling te geven.24 Een verzoek om «cross examination», dit is het kruisverhoor van de getuige door de tegenpartij of haar vertegenwoordiger, iets wat bv. in het Belgische recht ontbreekt,25 zou dus niet problematisch mogen zijn.26 Als minder verregaand middel dan die blote weigering moet het aangezochte gerecht hoe dan ook trachten de verlangde maatregel in zodanig gewijzigde vorm uit te voeren dat wordt voldaan aan nationale bekommernissen. De rechtshulpvriendelijke filosofie van de Bewijsverordening vertaalt zich op die manier ook in een toenaderende toepassing van nationale procesrechtelijke voorschriften.27

C. Effectiviteit bij interpretatie en toepassing nationaal (proces)recht

4. Dat betekent ineens ook dat dit nationale recht de nuttige werking van het Unierecht - de Bewijsverordening - niet mag ondermijnen. Dit nationale recht mag volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie de verwezenlijking van aan het Unierecht ontleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maken - effectiviteit.28 Het Hof van Justitie waakt hierover en wil zo de volle werking van het Unierecht gewaarborgd zien.29 Het nationaal procesrecht staat - willens nillens - ten dienste van de verwezenlijking van het Unierecht30 en moet in het licht van die finaliteit worden uitgelegd en toegepast.

D. Vrije keuze voor de meest performante weg van bewijsverkrijging

5. Vierde en laatste beginsel dat moet bijdragen aan de goede werking van de Bewijsverordening is de vrije keuze voor de meest performante weg van bewijsverkrijging.

1. Vrije keuze bij de rechter bevoegd voor het bodemgeschil

6. Vaststaat dat de rechter die internationaal bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, ook bevoegd is om een maatregel van bewijsverkrijging te bevelen.31 Het Hof van Justitie was hierover bij de interpretatie van wat thans de Brussel Ibis-Verordening is,32 duidelijk.33 Hoe interageert die internationale bevoegdheid voor het bodemgeschil - die duidelijkheidshalve ook een andere grondslag kan hebben - met de Bewijsverordening?

7. Bekend is dat de deconfiture van Fortisbank zowel in België als Nederland aanleiding gaf tot aansprakelijkheidsclaims tegen voormalige bestuurders. In Nederland vroegen gedupeerde beleggers dat die voormalige bestuurders door een voorlopig getuigenverhoor opheldering zouden bieden over uitlatingen die zij in die woelige periode hadden gedaan. Een aantal bestuurders vroeg dat dit getuigenverhoor door een rogatoire commissie in België, land van hun woonplaats, zou plaatsvinden. Dat verzoek werd door de Nederlandse rechtbank afgewezen, waarna hierover via de Nederlandse hoogste rechter een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie werd gesteld: moet de Bewijsverordening zo worden uitgelegd dat de rechter die een in een andere lidstaat woonachtige getuige wenst te horen, voor deze vorm van bewijsverkrijging steeds gebruik moet maken van de door deze verordening in het leven geroepen methoden, of is hij bevoegd gebruik te maken van de methoden voorzien in zijn eigen nationale procesrecht zoals oproeping van de getuige voor hem te verschijnen?

Het Hof overweegt in zijn antwoord dat de materiële werkingssfeer van de Bewijsverordening beperkt is tot twee middelen van bewijsverkrijging, namelijk het verkrijgen van bewijs door het aangezochte gerecht op rechterlijk verzoek uit een andere lidstaat en, ten tweede, het rechtstreeks verrichten van een dergelijke handeling in een andere lidstaat door het verzoekende gerecht.34 «Verordening nr. 1206/2001 bevat daarentegen geen enkele bepaling die regelt of uitsluit dat een gerecht van een lidstaat een in een andere lidstaat woonachtige partij kan oproepen om rechtstreeks voor hem te verschijnen en een getuigenis af te leggen.»35 Als die nationale route om het bewijs tot zich te laten komen36 dus eenvoudiger, efficiënter en sneller blijkt, dan mag die worden benut: «Uit het voorgaande volgt dat het bevoegde gerecht van een lidstaat een in een andere lidstaat woonachtige partij voor hem als getuige mag oproepen en die partij mag horen overeenkomstig het recht van de lidstaat van dit gerecht.»37 Anders gezegd: omdat de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid had jegens Maurice Lippens als partij, wordt hij ook binnen de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en diens nationaal instrumentarium tot bewijsverkrijging gebracht. Naar Nederlands recht kan ook de partij als getuige optreden.38

Het Court of Appeal van Engeland en Wales was eerder al tot hetzelfde inzicht gekomen in de zaak «Masri», waarin overwogen werd dat de Bewijsverordening «does not apply to the situation where an order is made against a judgment debtor to substantive proceedings over which the court has jurisdiction, requiring the debtor to provide evidence to the English court».39

8. Wat als die partij weigert te getuigen? Dan mag de rechter volgens het Hof van Justitie aan het niet-verschijnen van een partij als getuige de eventuele in het recht van de lidstaat van dat gerecht voorziene consequenties verbinden, mits zij onder eerbiediging van het Unierecht worden toegepast.40 Belangrijk is om in te zien dat het hier de situatie betreft van een rechter die internationaal bevoegd is voor een bodemgeschil waarin tegen partij een onderzoeksmaatregel werd gevorderd.41 Advocaat-generaal Jääskinen had dat in zijn conclusie in deze zaak al mooi geduid: «Vanuit het oogpunt van internationaal recht (verschilt) de rechtspositie van een getuige die tevens partij is, van die van een getuige die niet tevens partij is, nu de internationale competentie van het betrokken gerecht diens rechterlijk gezag uitbreidt, en dus diens bevoegdheid om dwangmaatregelen, zoals dwangsommen, te treffen jegens de partijen in het geding, zelfs indien zij in het buitenland wonen, hetgeen niet het geval is voor de andere getuigen.»42 Toepassing van het nationale recht vormt bij het uitvaardigen van dwangmaatregelen het uitgangspunt,43 algemene beginselen van Unierecht - zoals het evenredigheidsbeginsel - kunnen hier hoogstens een corrigerende rol vervullen.44

Het Belgische Hof van Cassatie maakte zich de opvatting van het Hof van Justitie spoedig eigen. Op cassatieberoep van een Luxemburgse levensverzekeraar aan wie als partij45 op rechterlijk bevel de overlegging van contractuele documenten was bevolen, beslist het Hof met verwijzing naar het arrest Lippens dat «il résulte manifestement de cet arrêt qu’une juridiction d’un Etat membre peut condamner une partie résidant dans un autre Etat membre à produire un document devant elle conformément à son droit national.»46

9. Wat als de bewijsverkrijging van een derde47 en niet van een partij wordt verlangd? Datzelfde Hof van Cassatie zag geen reden om onderscheid te maken en oordeelde - opnieuw met verwijzing naar het arrest Lippens - dat «uit dat arrest kennelijk (volgt) dat een gerecht van een lidstaat een in een andere lidstaat woonachtige partij of derde mag veroordelen om hem stukken over te leggen overeenkomstig het nationale recht van dat gerecht. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een gerecht van een lidstaat niet overeenkomstig zijn nationale recht een in een andere lidstaat woonachtige derde mag veroordelen om hem stukken over te leggen, maar verplicht is om de procedures van verordening nr. 1206/2001 te volgen, faalt naar recht.»48 En toch is er een onderscheid. Want net omdat de rechter jegens die derde geen internationale bevoegdheid opneemt - het betreft immers geen partij - strekt het rechterlijk gezag tot het uitvaardigen van dwangmaatregelen zich niet tot die derde uit.49 De opvatting van advocaat-generaal Van Ingelgem in zijn conclusie bij dit arrest dat dwanguitvoering dus enkel mogelijk zal zijn op het grondgebied van de rechter die de maatregel uitvaardigt,50 lijkt om die reden nog te ruim. Beoogt men het kunnen afdwingen van de maatregel van bewijsverkrijging, dan zal een beroep op de Bewijsverordening om die reden toch noodzakelijk zijn.51

10. Niet veel later kreeg het Hof van Justitie opnieuw de gelegenheid om het toepassingsbereik van de Bewijsverordening af te bakenen.52 Aanleiding van de zaak was een goederentreinongeval in Amsterdam waarover in België door de kortgedingrechter een expertise werd bevolen. Het Hof van Justitie bevestigde dat de Bewijsverordening de grensoverschrijdende bewijsverkrijging niet uitputtend regelt en dus de weg naar de expertise met internationaal effect openlaat,53 maar oordeelde ook dat de gerechtsdeskundige die zich naar het buitenland begeeft om daar de expertise uit te voeren, zich ervan moet vergewissen dat «dit onderzoek in bepaalde omstandigheden invloed kan hebben op het openbaar gezag van de lidstaat waarin het onderzoek moet worden verricht, met name wanneer het wordt uitgevoerd op plaatsen die verband houden met de uitoefening van dat gezag of op plaatsen die volgens het recht van de lidstaat waar het onderzoek wordt uitgevoerd, niet of slechts door bevoegde personen mogen worden betreden of waar enkel die personen bepaalde handelingen mogen verrichten».54 Is bij de uitvoering van de expertise in het buitenland het openbaar gezag in het geding, dan zal de gerechtsdeskundige de Belgische rechter moeten laten verzoeken om een handeling tot het verkrijgen van bewijs in een andere lidstaat te mogen verrichten, met toepassing van de Bewijsverordening.55

2. Vrije keuze bij het forum van de voorlopige of bewarende maatregelen

11. Zijn de gerechten van een andere lidstaat internationaal bevoegd om van het bodemgeschil kennis te nemen,56 dan biedt artikel 35 van de Brussel Ibis-Verordening de rechter een alternatief. Volgens die bepaling kunnen in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Artikel 35 biedt daarmee as such nog geen grondslag voor internationale bevoegdheid, het recht van de forumstaat zal moeten uitwijzen of de rechter daartoe bevoegd is.57 In België biedt het residuaire internationale bevoegdheidsrecht opgenomen in het Wetboek van Internationaal Privaatrecht dan soelaas. Volgens artikel 10 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht zijn in dringende gevallen de Belgische rechters ook bevoegd om voorlopige of bewarende maatregelen en uitvoeringsmaatregelen te bevelen betreffende personen of goederen die zich in België bevinden bij de instelling van de vordering, zelfs indien de Belgische rechters krachtens deze wet niet bevoegd zijn om van de zaak zelf kennis te nemen.58

Is het nationale recht van de forumstaat dus het uitgangspunt bij de toepassing van artikel 35 (de rechter toetst zijn bevoegdheidsrecht en zijn voorlopige of bewarende maatregelen),59 dan heeft het Hof van Justitie niettemin de noodzaak gevoeld om de werking van dat forum voor voorlopige of bewarende maatregelen nader te omschrijven. Onder voorlopige of bewarende maatregelen moeten volgens het Hof de maatregelen worden verstaan die bedoeld zijn een feitelijke of juridische situatie te handhaven ter bewaring van rechten waarvan de erkenning langs andere weg wordt gevraagd voor de rechter die van het bodemgeschil kennisneemt.60

12. Met hantering van diezelfde Reichert-criteria bracht het arrest van het Hof in de zaak «St Paul Dairy»61 de consensus aan het wankelen dat de rechtspleging die strekt tot bewaring van bewijs, ongetwijfeld ook als zo’n voorlopige of bewarende maatregel kwalificeert.62 Op vraag van de Nederlandse Hoge Raad oordeelde het Hof van Justitie in «St Paul Dairy» dat een maatregel waarbij het verhoor van een getuige wordt gelast, teneinde de aanvrager daarvan in staat te stellen in te schatten of een eventuele vordering opportuun is, de rechtsgrondslag van die vordering te bepalen en de relevantie te beoordelen van de middelen die in dat verband kunnen worden aangevoerd, niet onder het begrip voorlopige of bewarende maatregelen valt.63 Het Hof van Justitie beaamt dat het forum van de voorlopige of bewarende maatregelen tegemoet moet komen aan de traagheid die internationaal procederen eigen is,64 maar meent dat de maatregel die tot doel heeft de aanvrager in staat te stellen de kansen of de risico’s van een eventuele procedure in te schatten, niet kan worden aangemerkt als voorlopige of bewarende maatregel.65 De maatregel is volgens het Hof niet bedoeld om een feitelijke situatie of rechtssituatie in stand te houden ter bewaring van rechten66 en zou gemakkelijk ertoe kunnen leiden dat de internationale bevoegdheidsregels in de Verordening worden omzeild, wat haaks zou staan op de rechtszekerheid die met die regels wordt beoogd.67 Ook de Bewijsverordening zou ermee kunnen worden omzeild, merkt het Hof nog op.68

13. De verwijzing naar de Bewijsverordening was ongetwijfeld de zwakste schakel in de redenering van het Hof in «St Paul Dairy». Het Hof van Justitie heeft zoals gezegd inmiddels zelf de beperkingen van de Bewijsverordening ingezien: het is volgens het Hof niet uitgesloten dat de nationale weg naar internationale bewijsverkrijging efficiënter verloopt, zodat aan de Bewijsverordening geen exclusieve werking toekomt bij die internationale bewijsverkrijging.69 Het is niet overtuigend om argumenten te putten uit die Bewijsverordening, waarop geen beroep moet worden gedaan. In de rechtsleer is vrij snel een consensus gegroeid dat het Hof van Justitie met het arrest «St Paul Dairy» slechts de deur heeft willen sluiten voor fishing expeditions, dit zijn vorderingen die slechts tot inschatting van de proceskansen strekken.70

Vraag is echter of het arrest «St Paul Dairy» zoveel omzichtigheid verdient.71 De pogingen om maatregelen van bewijsverkrijging in de mal van Reichert te doen passen («een feitelijke of juridische situatie te handhaven ter bewaring van rechten»), komen al bij al gekunsteld over en hebben ook in de rechtspraak van het Belgische Hof van Cassatie voor twijfel gezorgd.72 Zo ontzegde het Hof van Cassatie aan een expertise die naar aanleiding van een geschil over contractsbeëindiging de bewijsvoering moest helpen te organiseren, de kwalificatie als voorlopige of bewarende maatregel, omdat geen verlies van bewijsmateriaal dreigde,73 maar bij een bouwgeschil werd zo’n expertise wel toegelaten, omdat volgens het Hof uit de motivering van de appelrechters voldoende bleek dat die expertise strekte tot het verkrijgen en veiligstellen van bewijsmateriaal.74

Eerder dan zoals bij de herziening van de Brussel Ibis-Verordening de toevlucht te nemen tot een voorafgaande overweging om de bewijsverkrijging als voorlopige of bewarende maatregel veilig te stellen,75 moet worden aangeknoopt bij het uitgangspunt dat al in het Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken76 vervat lag: «het karakter van de mogelijkerwijs te nemen maatregelen richt zich naar de interne wetgeving van het betrokken land.»77 In die mate houdt de bepaling tevens een verwijzingsregel in: de vraag of voorzieningen mogelijk zijn, en zo ja, welke, wordt beslist door het interne recht.78 Het zou de voorspelbaarheid en dus de systematiek van het forum van de voorlopige of bewarende maatregelen ten goede komen indien opnieuw bij het uitgangspunt wordt aangeknoopt dat er in de nationale rechtsordes een veelheid en diversiteit aan voorlopige of bewarende maatregelen voorkomen én indien van die nationale kwalificatie opnieuw het uitgangspunt zou worden gemaakt bij het afbakenen van het voorlopig of bewarend karakter van de maatregel.79

Uit het arrest «Van Uden» volgt dan als bijkomende Unierechtelijke voorwaarde wel dat het toestaan van voorlopige of bewarende maatregelen afhankelijk is van een reële band tussen het voorwerp van de gevraagde maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter.80 Dat betekent concreet dat bij voorlopige maatregelen de voorwaarde van een reële band vervuld is wanneer het aangezochte forum tevens de plaats van uitvoering van de maatregel is, dit is het forum acti, ook wel forum arresti of forum loci genoemd.81

De methode bestaat er voor de Belgische rechter derhalve in om eerst na te gaan of hij op basis van een gemeenrechtelijke regel van internationale bevoegdheid rechtsmacht heeft en dan te beoordelen of de toepassing van die bevoegdheidsregel blijk geeft van de vereiste reële band.82 Voor de expertise levert dit alles geen problemen op, de rechter zal die met toepassing van artikel 35 van de herziene Brussel I-Verordening en artikel 10 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht kunnen bevelen wanneer die expertise in België wordt uitgevoerd.

De opvatting dat de rechter na de herziening van de Brussel I-Verordening op basis van het forum loci enkel nog een expertise met louter territoriaal effect zou kunnen bevelen,83 verdient o.i. geen bijval want ze gaat voorbij aan het onderscheid tussen de internationale bevoegdheid tot het bevelen van een dergelijke maatregel en het territoriaal effect ervan.84 Wanneer voorafgaande overweging 33 van de Brussel Ibis-Verordening stelt dat de gevolgen van voorlopige en bewarende maatregelen gelast door een gerecht van een lidstaat dat niet bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, moeten worden beperkt tot het grondgebied van die lidstaat, dan moet de verklaring hiervoor worden gezocht in het artikel 2, littera a) van diezelfde Verordening, dat internationale tenuitvoerlegging - met of zonder exequatur - in zo’n geval uitsluit.85 De voorheen gangbare opvatting dat de rechter op basis van het forum loci een expertise met extraterritoriaal effect kan bevelen, blijft derhalve actueel.86

14. Rest dan nog de vraag of artikel 35 van de Brussel Ibis-Verordening voor de Belgische rechter een forum biedt wanneer het bodemgeschil bij een gerecht van een andere lidstaat aanhangig is. Het standpunt dat enkel die laatste rechter daartoe bevoegd is, en minstens dat de litispendentie-regel parallelle procedures tot het verkrijgen van voorlopige of bewarende maatregelen verhindert,87 werd inmiddels door het Hof van Justitie in het arrest «TOTO» tegengesproken.88 Om de verplichtingen te waarborgen die waren aangegaan in het kader van een in Polen gesloten overheidsopdracht voor de aanleg van een deel van een autosnelweg, hadden de bouwondernemingen waaraan de opdracht was gegund, aan de Poolse aanbestedende dienst een aantal garanties verstrekt, die door een Bulgaarse verzekeraar waren verzekerd. Enkele jaren later verzochten die bouwondernemingen de Poolse rechter - exclusief bevoegd krachtens een forumbeding - tevergeefs om voorlopige of bewarende maatregelen die de aanbestedende dienst zouden verbieden gebruik te maken van deze garanties. De aannemers dienden een soortgelijk verzoek in bij de Bulgaarse rechter, die het verzoek in eerste aanleg afwees en in hoger beroep toewees. Op cassatieberoep van de Poolse aanbestedende dienst stelde het Bulgaarse cassatiegerecht hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Het Hof oordeelt dat een gerecht van een lidstaat waarbij op grond van die bepaling [bedoeld wordt art. 35 van de Brussel Ibis-Verordening, de auteurs] een verzoek om voorlopige of bewarende maatregelen is ingediend, zich niet onbevoegd hoeft te verklaren wanneer het gerecht van een andere lidstaat, dat bevoegd is in de bodemzaak, reeds uitspraak heeft gedaan op een verzoek dat hetzelfde onderwerp betreft, op dezelfde oorzaak berust en tussen dezelfde partijen is ingediend. Artikel 35 moet volgens het Hof van Justitie aldus worden uitgelegd dat een verzoek om voorlopige of bewarende maatregelen moet worden onderzocht in het licht van het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht en dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan geen kort geding betreffende een geldvordering jegens de staat of een openbare instelling kan worden ingesteld.

Het arrest houdt wel degelijk steek89 indien men inziet dat het contentieux van de voorlopige of bewarende maatregelen een geding van geheel andere aard oplevert, dat niet met een bodemgeschil kan worden gelijkgesteld.90 Goedbedoelde oproepen tot meer coördinatie kunnen hieraan geen afbreuk doen.91

Met deze beginselen van internationale bewijsverkrijging voor ogen kunnen thans de structuur en werking van de herziene Bewijsverordening nader worden toegelicht.

III. De herziene Bewijsverordening

A. Toepassingsgebied

1. Materieel toepassingsgebied

15. De Bewijsverordening regelt zoals vermeld de situatie van samenwerking in burgerlijke en handelszaken waarin het gerecht van een lidstaat het bevoegde gerecht van een andere lidstaat om bewijsverkrijging verzoekt (d.i. onrechtstreekse bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht).92 Daarnaast speelt de Bewijsverordening eveneens wanneer het gerecht van een lidstaat om rechtstreekse bewijsverkrijging in een andere lidstaat verzoekt (d.i. rechtstreekse bewijsverkrijging door het verzoekende gerecht).93 Slechts wanneer het bewijs bestemd is om te worden gebruikt in een reeds aanhangige of in een voorgenomen procedure, mag toepassing worden gemaakt van de Bewijsverordening.94

16. Uit artikel 1 van de Bewijsverordening kunnen zodoende vier toepassingsvoorwaarden worden gedistilleerd. De Bewijsverordening zal spelen ingeval het gaat om (1) een verzoek om bewijsverkrijging (2) door het gerecht van een lidstaat (3) waarbij het bewijs bestemd is om te worden gehanteerd in een reeds aanhangige of voorgenomen procedure (4) in burgerlijke of handelszaken. In de volgende paragrafen worden deze toepassingsvoorwaarden verder uiteengezet. Zowel het verzoekende gerecht als het aangezochte gerecht zullen nagaan of een verzoek binnen het toepassingsgebied valt. Het aangezochte gerecht is namelijk verplicht om een verzoek dat buiten de werkingssfeer van de Bewijsverordening valt, te weigeren.95

Allereerst moet er sprake zijn van een verzoek om bewijsverkrijging, wat een autonoom Europees concept is.96 De Bewijsverordening verduidelijkt niet wat precies onder «bewijsverkrijging» of «bewijs» moet worden begrepen. Het concept bewijsverkrijging heeft betrekking op elke maatregel die is bestemd om bewijs te verzamelen.97 Er wordt aangenomen dat dit onder meer het horen van getuigen, partijen of deskundigen98, de overlegging van documenten99, verificaties100, het vaststellen van feiten en het onderzoek naar het welzijn van gezin of kind101 omvat.102 Een onderzoek naar het welzijn van een kind kan bestaan uit het doen ondervragen van de personen die instaan voor de zorg van het kind, het onderzoeken of deze personen voldoende met de bevoegde jeugdzorg respectievelijk kinderbescherming samenwerken (en daarbij eventuele voorwaarden of opdrachten naleven) en het laten uitbrengen van een deskundigenrapport door een psychologisch deskundige omtrent de vraag of deze personen bekwaam zijn om op te voeden dan wel of door een verblijf van het kind bij die personen het welzijn van het kind in gevaar is.103 Niet enkel een sociaal onderzoek, maar ook een politieonderzoek om alle nuttige informatie over de achtergrond, relaties en opvoedingscapaciteiten van een persoon te verkrijgen teneinde vervolgens het belang van het kind te kunnen beoordelen wat betreft de huisvesting en persoonlijke relaties die het kind met zijn ouders zal moeten onderhouden, is mogelijk.104

Een ruime interpretatie van het begrip «bewijsverkrijging» lijkt noodzakelijk om de doelstellingen van de Bewijsverordening te kunnen verwezenlijken.105 Sommigen pleiten toch voor behoedzaamheid.106 Immers, zo gaat de argumentatie, daar waar het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken bepaalt dat het van toepassing is in geval van een handeling tot het verkrijgen van bewijs «of andere gerechtelijke handelingen», vermeldt de Bewijsverordening enkel de «bewijsverkrijging». In tegenstelling tot de Bewijsverordening kan het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 ook van toepassing zijn op zogenaamde «andere gerechtelijke handelingen», zoals de aanstelling van een curator of de verkrijging van een uittreksel uit het geboorteregister.107 Deze gerechtelijke handelingen hebben geen bewijsrechtelijk karakter, waardoor bezwaarlijk kan worden geargumenteerd dat zij door de Bewijsverordening worden gevat.108 Het verzoek om een verklaring van bevestiging van vaderschap zou volgens de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel dan ook geen verzoek om bewijsverkrijging uitmaken.109 Dit is evenmin het geval voor een verzoek tot inwinning van informatie over het adres in een andere lidstaat van een persoon aan wie een rechterlijke beslissing moet worden betekend.110 Dat de Bewijsverordening geen toepassing vindt op «andere gerechtelijke handelingen», kan een ruime interpretatie van het begrip bewijsverkrijging nochtans niet verhinderen,111 wat spoort met een van de dragende beginselen van de Bewijsverordening (cf. supra, nr. 2).

17. Daarnaast dient het verzoek uit te gaan van een gerecht. Dit begrip wordt sinds de herschikking van de Bewijsverordening gedefinieerd als zijnde «aan de Commissie meegedeelde rechterlijke instanties en andere autoriteiten in de lidstaten, die rechterlijke taken uitvoeren, handelen op grond van een bevoegdheidsdelegatie door een rechterlijke autoriteit of handelen onder toezicht van een rechterlijke autoriteit, en die uit hoofde van het nationale recht bevoegd zijn om bewijs te verkrijgen met het oog op een gerechtelijke procedure in burgerlijke en handelszaken».112 Met andere woorden, de lidstaten bepalen zelf welke «gerechten» binnen het toepassingsgebied vallen. Zij dienen dit aan de Europese Commissie mee te delen, met aanduiding van hun territoriale en, in voorkomend geval, bijzondere bevoegdheid. De lijst hiervan is raadpleegbaar via de Europese justitiële atlas.113

Een punt van discussie betreft de vraag of ook een arbitraal tribunaal onder het begrip gerecht valt.114 Dat begrip verwijst naar «rechterlijke instanties», hetgeen door het Hof van Justitie veelal beperkend wordt geïnterpreteerd en geen arbitrale instanties omvat. Hierop werd ook door het Europees Economisch en Sociaal Comité gewezen in zijn opinie bij het ontwerp van de Bewijsverordening. In het initiële ontwerp werd een gerecht gedefinieerd als «elke gerechtelijke autoriteit in een lidstaat [...] die bevoegd is om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten overeenkomstig deze verordening». Van enige andere autoriteiten was (nog) geen sprake. Als reactie hierop werd de tekst aangepast en werd de definitie verruimd teneinde ook «andere autoriteiten in de lidstaten, die rechterlijke taken uitvoeren, handelen op grond van een bevoegdheidsdelegatie door een rechterlijke autoriteit of handelen onder toezicht van een rechterlijke autoriteit, en die uit hoofde van het nationale recht bevoegd zijn om bewijs te verkrijgen met het oog op een gerechtelijke procedure in burgerlijke en handelszaken» te vatten. Kan deze verruiming worden begrepen als een tegemoetkoming aan het verzoek van het Europees Economisch en Sociaal Comité? Dat lijkt ons niet het geval. Overweging 5 van de Bewijsverordening verduidelijkt namelijk dat deze «andere autoriteiten» in het bijzonder moeten worden begrepen als autoriteiten die als gerecht worden aangemerkt uit hoofde van andere rechtshandelingen van de Unie.115 Uit de Europese Justitiële Atlas blijkt dan ook dat Nederland, Polen, Bulgarije, Griekenland, Luxemburg en Slovenië duidelijk enkel de klassieke rechterlijke instanties (niet een arbitraal tribunaal) als bevoegd gerecht aanmerken. Het merendeel van de overige lidstaten stelt dat de vraag naar autoriteiten die als gerechten kunnen worden beschouwd, «niet van toepassing is» dan wel dat er geen dergelijke autoriteiten zijn. Ook dit wijst meer in de richting van een onmogelijkheid voor arbitrale tribunalen om onder het begrip gerecht te vallen, wat duidt op rechterlijke instanties en andere autoriteiten zoals aan de Europese Commissie meegedeeld.116

Indien we ervan uitgaan dat een arbitraal tribunaal geen beroep kan doen op de Bewijsverordening, dringt een tweede vraag zich op. Kunnen partijen in een arbitrage toch op een indirecte wijze bewijs verkrijgen door middel van de Bewijsverordening? Een partij zou, aldus bepaalde auteurs, naar een (klassieke) rechterlijke instantie kunnen stappen om daar een verzoek om bewijsverkrijging krachtens de Bewijsverordening in te stellen; het resultaat daarvan zouden zij later in een arbitrage kunnen aanwenden.117 Meer nog, bepaalde rechtsstelsels zouden ook een arbitraal tribunaal zelf de mogelijkheid bieden om zich tot de overheidsrechter te wenden.118 Hoewel de overheidsrechter naar nationaal recht arbitrage kan faciliteren, vereist de Bewijsverordening dat het bewijs bestemd is om te worden gehanteerd in een reeds aanhangige of voorgenomen procedure. Daar waar in de Nederlandstalige tekst wordt gesproken van procedures zonder meer, wordt in andere taalversies verwezen naar gerechtelijke procedures.119 De verschillende taalversies hebben dezelfde waarde, maar indien het begrip procedure daadwerkelijk op een gerechtelijke procedure doelt, zou een overheidsrechter geen beroep kunnen doen op de Bewijsverordening om partijen in een arbitrage rechtshulp te bieden.120 Een dergelijke (strenge) opvatting strookt niet met de praktijk in verschillende lidstaten en evenmin met de rechtspraak van het Hof van Justitie in het kader van de Brussel Ibis-Verordening. In dat verband heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat arbitrage als materie in haar geheel wordt uitgesloten van het toepassingsgebied, met inbegrip van de voor overheidsrechters ingeleide procedures, maar laat het Hof in bepaalde gevallen de deur toch open voor voorlopige en bewarende maatregelen.121

18. Vervolgens moet het bewijs bestemd zijn om te worden gehanteerd in een reeds aanhangige122 of voorgenomen procedure. Aangezien ook een voorgenomen procedure in aanmerking komt, is het niet nodig dat de procedure ten gronde reeds is ingeleid. Weliswaar dient reeds een specifieke betwisting tussen partijen te bestaan opdat een verzoek kan worden ingediend.123 Op deze manier wordt tegemoetgekomen aan de situatie waarin het bewijs op een later tijdstip niet meer beschikbaar zou zijn of waarin het bewijs noodzakelijk is om de grond van de vordering te kunnen beoordelen.124 In de rechtsleer werd de vraag gesteld of er reeds sprake is van een voorgenomen procedure bij overmaking van een ontwerp van dagvaarding aan de gerechtsdeurwaarder met onherroepelijke instructie tot betekening of bij overmaking ter goedkeuring door de raadsman aan zijn cliënt van een ontwerp van dagvaarding.125 Nu beide situaties volgen uit een specifieke betwisting tussen partijen, dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Onder de eerste versie van de Bewijsverordening heeft de Raad van de Europese Unie in een verklaring aangegeven dat de werkingssfeer van de Bewijsverordening zich niet uitstrekt tot pre-trial discovery met inbegrip van zogenaamde fishing expeditions.126 Hoewel hiermee op het eerste gezicht een beperking lijkt te worden aangebracht op de mogelijkheid om verzoeken om bewijsverkrijging te richten aan een andere lidstaat in het kader van een voorgenomen procedure, mag deze verklaring niet op die manier worden geïnterpreteerd. De pre-trial discovery vindt immers plaats nadat een procedure aanhangig werd gemaakt, maar vóór de mondelinge behandeling van het geschil ter terechtzitting. De uitsluiting heeft zodoende niet tot doel om de toepassing van de Bewijsverordening in het kader van een voorgenomen procedure aan banden te leggen, maar kadert in de vrees voor de potentiële omvang van de bewijsverkrijging bij pre-trial discovery.127 En zelfs met die relativering blijft wat ons betreft de analyse van advocaat-generaal Kokott in de zaak «Tedesco» doorslaggevend (cf. supra, nr. 2). Gelet hierop wordt vereist dat het bewijsmateriaal zo nauwkeurig bepaald is dat het verband met de reeds aanhangige of voorgenomen procedure duidelijk is. Op die manier wordt belet dat wordt gevist naar informatie die verder zou gaan dan de informatie die in verband staat met het voorwerp van het geschil. De onderzoekshandeling mag bovendien enkel op het bewijsmateriaal zelf betrekking hebben, niet op omstandigheden die slechts indirect verband houden met de gerechtelijke procedure. Zo zal het gerecht van een lidstaat geen verzoek kunnen instellen om documenten te verkrijgen die leiden tot de opsporing van mogelijk bruikbaar bewijsmateriaal, maar waarbij de verzochte documenten zelf niet in de procedure «voor bewijsdoeleinden» worden aangewend. In dat geval zullen de documenten op zichzelf immers niet worden gebruikt in een reeds aanhangige of voorgenomen procedure, maar zullen deze slechts kunnen leiden tot de opsporing van relevant bewijsmateriaal.128

19. Tot slot speelt de Bewijsverordening enkel in burgerlijke en handelszaken. Wat precies onder «burgerlijke en handelszaken» moet worden begrepen, valt niet terug te vinden in de Bewijsverordening zelf. Het gaat om een autonoom Europees begrip dat moet worden geïnterpreteerd in het licht van de objectieven van de Bewijsverordening en het EG-verdrag (in het bijzonder artikel 65) en dus niet op basis van de nationale wetgeving van een lidstaat.129 De rechtsleer neemt evenwel aan dat voor de invulling van het begrip inspiratie kan worden geput uit de rechtspraak van het Hof van Justitie in het kader van de Brussel Ibis-Verordening.130

Vooreerst is duidelijk dat geschillen met de overheid waarbij deze handelt in de uitoefening van haar overheidsopdracht, van het toepassingsgebied zijn uitgesloten. Dit geldt niet voor geschillen met de overheid waarbij deze handelt buiten het kader van haar overheidsopdracht en geen openbaar gezag uitoefent.131 Zo worden strafzaken niet door de Bewijsverordening gevat, maar zullen burgerlijke vorderingen die worden ingeleid voor een strafrechtbank, daarentegen wel onder de Bewijsverordening vallen.132 Waar de Brussel Ibis-Verordening uitdrukkelijk bepaalt dat deze niet van toepassing is in fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken,133 bewaart de Bewijsverordening hierover het stilzwijgen. Het is evenwel duidelijk dat dergelijke zaken eveneens van de Bewijsverordening zijn uitgesloten, gezien het feit dat de overheid in deze materies handelt in de uitoefening van haar overheidsopdracht.134 Bovendien kan worden gewezen op het bestaan van verschillende verdragen die zich specifiek richten op de rechtshulp en informatievoorziening tussen administratieve en fiscale autoriteiten, alsook in strafzaken.135 Tot slot geldt de opsomming in de Brussel Ibis-Verordening louter ter illustratie.136 Evenwel wordt aangenomen dat de Bewijsverordening een ruimer toepassingsgebied kent dan de Brussel Ibis-Verordening.137 Deze laatste voorziet in artikel 1.2 immers in een lijst van uitzonderingen, waaronder de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksvermogensrecht of het vermogensrecht ter zake van relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden die vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk, het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures, en de sociale zekerheid.

2. Geografisch toepassingsgebied

20. De Bewijsverordening is geografisch gezien van toepassing in alle lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken.138 Voor vraagstukken in verband met de bewijsverkrijging tussen Denemarken en andere lidstaten spelen bilaterale of multilaterale verdragen. Specifiek in de relatie tussen Denemarken en België zal het Verdrag van Den Haag van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering toepassing vinden.139 In de relatie tussen de andere lidstaten vervangt de Bewijsverordening het Verdrag van Den Haag van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering alsook het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken. In beginsel worden de verhoudingen met derde landen niet door de Bewijsverordening geregeld.140

3. Personeel toepassingsgebied

21. De Bewijsverordening kent een algemene draagwijdte wat het personeel toepassingsgebied betreft. Er werden geen beperkingen aangebracht in dit opzicht.141

4. Temporeel toepassingsgebied

22. Op 1 juli 2022 trad de Bewijsverordening in werking. Dit was nog niet het geval voor artikel 7 dat slechts van toepassing werd «met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de periode van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de in artikel 25 bedoelde uitvoeringshandelingen».142 Artikel 7 voorziet in de verzending van verzoeken en overige mededelingen via een veilig en betrouwbaar gedecentraliseerd IT-systeem. Daartoe moest de Europese Commissie eerst nog bepaalde uitvoeringshandelingen vaststellen tot invoering van dergelijk gedecentraliseerd IT-systeem. Dat is inmiddels gebeurd143, zodat genoemd artikel 7 met ingang van 1 mei 2025 in werking is getreden. In de tussentijd was de regeling vervat in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1206/2001 (d.i. de vorige versie van de Bewijsverordening) van toepassing.144

B. Verzending en uitvoering van verzoeken

1. Vormelijke en inhoudelijke vereisten

23. Hoewel de Bewijsverordening bepaalt dat een verzoek om bewijsverkrijging overeenkomstig het nationale recht van het verzoekende gerecht aan het aangezochte gerecht wordt gericht,145 dient het verzoekende gerecht enkele vormelijke alsook inhoudelijke vereisten na te leven.

Zo moet een verzoek om bewijsverkrijging worden ingediend met gebruikmaking van een standaardformulier: hetzij formulier A in geval van een verzoek tot onrechtstreekse bewijsverkrijging, hetzij formulier L in geval van een verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging.146 Een dergelijk verzoek dient steeds de gegevens vermeld in artikel 5.1 Bewijsverordening te bevatten.

De Bewijsverordening sluit expliciet de toepassing van de formaliteit van de legalisatie of iets soortgelijks uit.147

Indien het verzoekende gerecht van oordeel is dat een bepaald stuk noodzakelijk is voor de uitvoering van het verzoek en moet worden toegevoegd aan het verzoek, dient hiervoor te worden voorzien in een vertaling in de taal waarin het verzoek is gesteld.148 De taal waarin het verzoek is gesteld, is de officiële taal van de aangezochte lidstaat. Indien de lidstaat meerdere officiële talen kent, zal het verzoek worden gesteld in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de bewijsverkrijging plaatsvindt. Het verzoek kan ook worden gesteld in een andere taal die de lidstaat heeft verklaard te zullen aanvaarden. Met het oog hierop hebben de lidstaten aan de Commissie moeten meedelen welke andere officiële talen dan de eigen taal of talen zij aanvaarden.149 Gelet op de moeilijkheden die de taalbarrière voor rechters kan meebrengen, komt het aan de meest gerede procespartij toe om indien nodig voor een vertaling door een externe vertaler te zorgen, waarna de kosten uiteindelijk als gerechtskosten kunnen worden gekwalificeerd en dus ten laste zullen vallen van de in het ongelijk gestelde partij.150 Er wordt in de Bewijsverordening niet verduidelijkt in welke taal de documenten die voortvloeien uit de uitvoering van het verzoek om bewijsverkrijging, moeten worden opgesteld. Hierbij heeft het aangezochte gerecht klaarblijkelijk de keuze tussen de officiële taal van het verzoekende dan wel aangezochte gerecht.151 Deze documenten kunnen, in voorkomend geval, na verzending aan het verzoekende gerecht worden vertaald.152

2. Verzending via een gedecentraliseerd IT-systeem

24. De grootste vernieuwing in de herziene Bewijsverordening heeft betrekking op de verzending van verzoeken en mededelingen. Deze zal in de regel elektronisch moeten plaatsvinden via een veilig en betrouwbaar gedecentraliseerd IT-systeem met inachtneming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden.153 Een dergelijk «gedecentraliseerd IT-systeem» wordt in de Bewijsverordening gedefinieerd als «een netwerk van onder de eigen verantwoordelijkheid en het eigen beheer van elke lidstaat opererende nationale IT-systemen en interoperabele toegangspunten, dat een veilige en betrouwbare grensoverschrijdende uitwisseling van informatie tussen de nationale IT-systemen mogelijk maakt».154 Gelet op deze wijze van verzending mogen de verzoeken en mededelingen gebruik maken van gekwalificeerde elektronische zegels of gekwalificeerde elektronische handtekeningen zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 910/2014.155 Daarnaast is het algemene rechtskader voor het gebruik van gekwalificeerde vertrouwensdiensten vervat in Verordening (EU) nr. 910/2014 van toepassing op de elektronische communicatie die geschiedt via het gedecentraliseerde IT-systeem.156

Het gedecentraliseerde IT-systeem moet gebaseerd zijn op een interoperable oplossing zoals e-CODEX («e-Justice Communication via Online Data Exchange»). Hoewel wordt verwezen naar e-CODEX heeft de Bewijsverordening oog voor mogelijke technologische vooruitgang en wordt de mogelijkheid gegeven om toch van een ander systeem gebruik te maken.157 Het systeem van e-CODEX faciliteert veilige elektronische communicatie in burgerlijke en strafrechtelijke procedures.158 Het systeem heeft niet de uniformisering van de IT-infrastructuur van de gerechten van de verschillende lidstaten tot doel, maar wel een veilige communicatie en interactie tussen die nationale systemen. Dit wordt bereikt door te werken met een reeks softwareproducten waarmee gateways worden opgezet tussen nationale toegangspunten waarlangs gegevens kunnen worden uitgewisseld. Op die manier kan het gerecht van de aangezochte lidstaat het verkregen bewijsmateriaal doorsturen naar het gerecht van de verzoekende lidstaat met gebruikmaking van zijn eigen nationale IT-infrastructuur.159

De Bewijsverordening laat evenwel ruimte voor situaties waarin geen gebruik wordt gemaakt van het gedecentraliseerde IT-systeem voor de verzending. Het gaat meer bepaald om de gevallen waarin een dergelijke verzending niet mogelijk is wegens (1) de verstoring van het gedecentraliseerde IT-systeem, (2) de aard van het betrokken bewijs (zoals DNA of bloedmonsters) of (3) uitzonderlijke omstandigheden. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt onder meer begrepen de situatie waarin het omzetten van omvangrijke documentatie in elektronische vorm een onevenredige administratieve belasting voor de bevoegde autoriteiten zou betekenen of waarin het originele stuk in papieren vorm nodig is om de authenticiteit ervan te beoordelen.160 In deze drie gevallen zal voor de verzending gebruik dienen te worden gemaakt van de snelste, meest geschikte alternatieve middelen die bovendien de betrouwbaarheid en veiligheid waarborgen (zoals bijvoorbeeld andere veilige elektronische middelen of de post).161 België heeft aangegeven als alternatieve middelen zowel de post als de fax te aanvaarden.162 Aangezien de Bewijsverordening geen sanctie voorziet op het gebruik van alternatieve middelen verschillend van deze die door het aangezochte gerecht worden aanvaard, zal het aangezochte gerecht het verzoek moeten onderzoeken en, desgevallend, aanvaarden.163

Ter bevordering van de verzending van stukken via het gedecentraliseerde IT-systeem mag aan deze stukken geen rechtsgevolg worden ontzegd. Zij mogen evenmin in de procedure als ontoelaatbaar worden beschouwd louter omdat zij in elektronische vorm zijn opgesteld.164 Dit principe krijgt geen absolute invulling, maar laat ruimte voor de uitoefening van enige beoordelingsbevoegdheid door de lidstaten.165 Immers, de beoordeling van de rechtsgevolgen of de toelaatbaarheid van zulke stukken zal geschieden overeenkomstig het nationale recht. Het principe zal evenmin afbreuk mogen doen aan het nationale recht inzake de omzetting van stukken.166

3. Ontvangst van de verzoeken

25. Binnen zeven dagen na de ontvangst van een verzoek moet het aangezochte bevoegde gerecht het verzoekende gerecht een ontvangstbewijs met gebruikmaking van standaardformulier B sturen. Wanneer het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikelen 6 (de taal van het verzoek) en 7 (de wijze van verzending via een IT-systeem) van de Bewijsverordening, dient het aangezochte gerecht dit in het ontvangstbewijs te vermelden.167 Voor België is het aangezochte gerecht de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waar het bewijs zal worden verzameld.

Indien het aangezochte gerecht niet bevoegd is om het verzoek, dat met gebruikmaking van standaardformulier A is ingediend en aan de voorwaarden in verband met de taal voldoet, uit te voeren, is dit gehouden het verzoek door te sturen naar het gerecht in dezelfde lidstaat dat wel bevoegd is. Het onbevoegde aangezochte gerecht zal het verzoekende gerecht hiervan in kennis stellen met gebruikmaking van standaardformulier C.168

In geval van een onvolledig verzoek moet het aangezochte gerecht onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek het verzoekende gerecht met gebruikmaking van standaardformulier D in kennis stellen. Het aangezochte gerecht zal het verzoekende gerecht hierbij verzoeken om de ontbrekende gegevens alsnog door te sturen, en dit dient de gegevens zo nauwkeurig mogelijk op te geven.169 Zoals hoger vermeld wordt gebruik gemaakt van standaardformulieren bij de indiening van een verzoek om bewijsverkrijging. Er valt op te merken dat deze standaardformulieren bijkomende vermeldingen bevatten in vergelijking met deze vermeld in artikel 5.1 van de Bewijsverordening. De termijn van 30 dagen begint niet te lopen bij gebreke aan de gegevens die enkel in de standaardformulieren worden opgevraagd (en niet in art. 5.1 van de Bewijsverordening).170

26. Wanneer de bewijsverkrijging een advies van een deskundige vereist, kan het aangezochte gerecht het verzoekende gerecht om een passend deposito of voorschot verzoeken voor de verwachte kosten. In dat geval kan het aangezochte gerecht het deposito of voorschot afwachten vooraleer het uitvoering verleent aan het verzoek om bewijsverkrijging.171 Het verzoekende gerecht zal onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek via standaardformulier D in kennis worden gesteld van het feit dat het verzoek niet kan worden uitgevoerd en dat een deposito of voorschot wordt vereist. Ook zal het aangezochte gerecht kennisgeven van de wijze waarop het deposito of voorschot dient te worden overgemaakt. Het aangezochte gerecht bevestigt op zijn beurt de ontvangst van het deposito of voorschot onverwijld en uiterlijk binnen tien dagen na ontvangst met gebruikmaking van standaardformulier E.172

4. Methodes van bewijsverkrijging onder de Bewijsverordening

a. Situering

27. Het bewijs kan via drie methodes worden verkregen. Allereerst kan het verzoekende gerecht aan het aangezochte gerecht vragen om een handeling van bewijsverkrijging uit te voeren. Daarnaast kan het verzoekende gerecht aan het centraal orgaan of aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat vragen om zelf de bewijsverkrijging te mogen verrichten of te doen verrichten op het grondgebied van de aangezochte lidstaat. Ten slotte kunnen ook diplomatieke of consulaire ambtenaren overgaan tot bewijsverkrijging zonder gebruik te maken van het indienen van een verzoek.

28. Voor België werd als centraal orgaan in de betekenis van de Bewijsverordening de Federale Overheidsdienst Justitie (Dienst Internationale rechtshulp in burgerlijke zaken) aangeduid.173 De Federale Overheidsdienst Justitie heeft in deze hoedanigheid de taak om de gerechten de nodige informatie te verschaffen, oplossingen te zoeken in geval van moeilijkheden bij een verzoek, in uitzonderlijke gevallen174, op verzoek van een verzoekend gerecht een verzoek aan het bevoegde gerecht te doen toekomen175 en, in geval van rechtstreekse bewijsverkrijging, in te staan voor de aanvaarding van verzoeken (al dan niet met oplegging van voorwaarden). Er werd daarnaast voor België geen bevoegde autoriteit aangeduid.

29. De rechter beslist in beginsel vrij welke van de methodes van bewijsverkrijging hij hanteert, voor zover het recht van zijn lidstaat toelaat dat hij beide methodes176 kan gebruiken.177 Hierbij dient weliswaar de kanttekening te worden gemaakt dat zowel de rechtstreekse bewijsverkrijging als de bewijsverkrijging door diplomatieke of consulaire ambtenaren slechts mogelijk is wanneer de handeling tot bewijsverkrijging vrijwillig en zonder dwangmaatregelen kan worden uitgevoerd.178 Indien een verhoor plaatsvindt in het kader van de rechtstreekse bewijsverkrijging, moet de persoon die wordt verhoord door het verzoekende gerecht bovendien in kennis worden gesteld van het feit dat de bewijsverkrijging vrijwillig moet verlopen.179 Aangezien er in beginsel geen hiërarchie tussen beide methodes bestaat, kan de verzoekende staat ook een verzoek om bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht versturen nadat een verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging werd afgewezen.180

b. Bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht

i. Algemeen

30. Het gerecht waarvoor de procedure reeds aanhangig of voorgenomen is, zal het verzoek om bewijsverkrijging rechtstreeks aan het bevoegde gerecht van de andere lidstaat doorsturen.181 Zoals hoger vermeld zal het verzoekende gerecht bij het verzoek om bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht gebruik maken van standaardformulier A. Het aangezochte gerecht zal het verzoek onverwijld en uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst ervan uitvoeren overeenkomstig zijn nationale recht.182 In tegenstelling tot bij de rechtstreekse bewijsverkrijging door het verzoekende gerecht komt het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat niet tussen.

Bij verzoeken die niet voldoen aan de in de artikelen 6 (de taal van het verzoek) en 7 (de wijze van verzending via een IT-systeem) van de Bewijsverordening vervatte vereisten en bij onvolledige verzoeken183 zal de termijn van 90 dagen slechts beginnen te lopen vanaf het moment dat het aangezochte gerecht het correct aangevulde verzoek heeft ontvangen.184 Wanneer om een deposito of voorschot werd verzocht, start de termijn vanaf het ogenblik dat het deposito of voorschot is gestort.185 Indien een verzoek niet binnen 90 dagen na ontvangst kan worden uitgevoerd, moet het aangezochte gerecht het verzoekende gerecht daarvan in kennis stellen met gebruikmaking van standaardformulier J. Het geeft daarbij de redenen op alsook de geschatte tijd om het verzoek uit te voeren.186

31. Het verzoekende gerecht kan het aangezochte gerecht zoals gezegd (cf. supra, nr. 3) vragen dat het verzoek wordt uitgevoerd volgens een bijzondere procedure waarin zijn nationale recht voorziet.187 Het aangezochte gerecht zal het onderzoek in principe uitvoeren volgens deze bijzondere procedure. Slechts bij een onverenigbaarheid met zijn nationale recht of bij grote praktische moeilijkheden zal deze bijzondere procedure niet hoeven te worden gevolgd. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat het aangezochte gerecht het verzoek om bewijsverkrijging alsnog dient uit te voeren, zij het dan conform het recht van de aangezochte lidstaat.188 In ieder geval wordt het verzoekende gerecht bij een weigering hiervan via gebruik van standaardformulier H in kennis gesteld.189

De vraag rijst wanneer er precies een onverenigbaarheid met het Belgische recht zou bestaan. Als voorbeeld werd in de rechtsleer reeds het verhoor van een partij als getuige onder eed gegeven. Het Belgische recht kent de partijgetuigenis immers niet.190 Niettemin lijkt de mogelijkheid van uitvoering volgens een bijzondere procedure waarin het nationale recht van de verzoekende lidstaat voorziet dode letter te blijven indien het aangezochte gerecht dit kan weigeren telkens zijn nationale recht hierin niet voorziet of de uitvoering niet past binnen zijn gewoontes en regels.191 Er kan dan ook worden gepleit voor een restrictieve interpretatie van deze weigeringsmogelijkheid, met name bij strijdigheid met fundamentele beginselen van dat nationale recht (cf. supra, nr. 3).192

Ook het begrip «grote praktische moeilijkheden» krijgt een restrictieve invulling. Het is onvoldoende dat het aangezochte gerecht (veel) extra inspanningen zal moeten leveren bij de uitvoering van het verzoek.193

32. Nadat het aangezochte gerecht het verzoek heeft uitgevoerd, zal dit het verzoekende gerecht onverwijld de stukken ten bewijze hiervan alsook een uitvoeringsbevestiging conform standaardformulier K overmaken. Indien het aangezochte gerecht van het verzoekende gerecht bepaalde stukken mocht ontvangen, zal het deze ook terugzenden.194 De gegevens die uit de bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht zijn verkregen, mogen later ook in andere procedures worden aangewend.195

ii. Gebruikmaking van specifieke communicatietechnologie

33. Het potentieel van het gebruik van moderne communicatietechnologie, die tot op heden niet optimaal wordt benut bij de bewijsverkrijging, wordt erkend in de herziene Bewijsverordening.196 Zo zal het verzoekende gerecht kunnen vragen dat bij de bewijsverkrijging specifieke communicatietechnologie wordt aangewend. De Bewijsverordening verwijst in het bijzonder naar het gebruik van video- en teleconferenties. Deze technologie, waarmee gerechten sinds de COVID-19-pandemie meer vertrouwd zijn geraakt, kan de bewijsverkrijging versnellen en eventueel de kosten ervan verlagen. De gerechten kunnen een dergelijke communicatietechnologie in onderlinge overeenstemming ter beschikking stellen indien deze in het verzoekende dan wel aangezochte gerecht niet beschikbaar is. Het aangezochte gerecht zal in beginsel op dit verzoek ingaan, tenzij dit onverenigbaar zou zijn met zijn nationale recht of het dit niet kan doen wegens grote praktische moeilijkheden. Opnieuw wordt de onverenigbaarheid met het nationale recht restrictief geïnterpreteerd en is er hiervan geen sprake wanneer het nationale recht van die lidstaat niet voorziet in het gebruik van de specifieke communicatietechnologie in kwestie.197 Het verzoekende gerecht wordt, wanneer geen gebruik zal worden gemaakt van de specifieke communicatietechnologie, bij standaardformulier H hiervan in kennis gesteld.198

34. Het aangezochte gerecht kan, voor zover als nodig, bij de uitvoering van het verzoek de daartoe passende dwangmaatregelen toepassen waarin het recht van zijn lidstaat voorziet. Evenwel kan dit enkel in de gevallen en in de mate waarin het daartoe verplicht zou zijn bij de uitvoering van een soortgelijk verzoek uitgaande van de autoriteiten van de eigen staat of van een belanghebbende partij.199

iii. De weigeringsgronden

35. De Bewijsverordening kan alleen doeltreffend zijn indien de omstandigheden waarin de uitvoering van een verzoek kan worden geweigerd, beperkt blijven tot strikt begrensde, uitzonderlijke gevallen. De weigering om een verzoek uit te voeren dient de absolute uitzondering te vormen.200 Met andere woorden, een verzoek om bewijsverkrijging zal bijna automatisch worden uitgevoerd.201 De Bewijsverordening voorziet in dit verband in vier algemene weigeringsgronden met betrekking tot de uitvoering van een verzoek. Allereerst kan het verzoek worden geweigerd indien het niet binnen het toepassingsgebied van de verordening valt. Dit is ook het geval wanneer de uitvoering van het verzoek volgens het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht niet behoort tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht. Verder is een weigering mogelijk indien het verzoekende gerecht niet binnen 30 dagen gehoor geeft aan het verzoek van het aangezochte gerecht om het verzoek om bewijsverkrijging aan te vullen.202 Mocht het gerecht na 30 dagen een aangevuld verzoek bezorgen aan het aangezochte gerecht, kan dit worden beschouwd als een nieuw verzoek. Het aangezochte gerecht kan dan ook onmiddellijk overgaan tot de uitvoering van dit nieuwe verzoek.203 Tot slot kan het aangezochte gerecht desgevallend het verzoek weigeren wanneer het verzochte deposito of voorschot niet is gestort binnen 60 dagen nadat het aangezochte gerecht daarom heeft verzocht.204 Ondanks het feit dat er meerdere termijnen in de Bewijsverordening werden vastgelegd, wordt enkel de niet-naleving van twee ervan gesanctioneerd met toepassing van de weigeringsgronden. De weigering verhindert niet dat het verzoekende gerecht een nieuw verzoek indient.205

36. De Bewijsverordening voorziet daarnaast ook in een specifieke weigeringsgrond die kan worden ingeroepen in geval van een verzoek om een persoon te verhoren. Een dergelijk verzoek zal niet worden uitgevoerd indien de betrokken persoon zich beroept om het recht om niet te getuigen dan wel geen verklaring mag afleggen uit hoofde van het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht of het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht. In het laatste geval moet dat recht om niet te getuigen of het verbod om een verklaring af te leggen in het verzoek zijn vermeld of, bij gebreke hieraan, door het verzoekende gerecht zijn bevestigd na ondervraging door het aangezochte gerecht.206 Het aangezochte gerecht moet niet nagaan of een dergelijk recht daadwerkelijk bestaat onder het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht.207 Ondanks de gebruikte bewoordingen (namelijk «een verzoek om een persoon te verhoren») geldt de weigeringsgrond ook wanneer het aangezochte gerecht niet overgaat tot verhoor van de persoon, maar schriftelijke bewijsstukken van hem tracht te verkrijgen.208

De Bewijsverordening voorziet expliciet in een weigeringsgrond wanneer het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht of het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht de persoon die zal worden verhoord, een verschoningsrecht toekent of een verbod om te getuigen oplegt.209 In tegenstelling tot onder het Haags Bewijsverdrag van 1970 lijkt een beroep op een verschoningsrecht of een verbod om te getuigen op basis van het recht van een derde staat in eerste instantie dan ook uitgesloten. Toch wordt in de rechtsleer opgeworpen dat de persoon ook een verschoningsrecht of een verbod om te getuigen op basis van het recht van een derde staat kan inroepen wanneer het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht of van de lidstaat van het verzoekende gerecht toestaat dat de persoon zich op een dergelijk recht of verbod beroept.210

37. Er wordt nog verduidelijkt dat het aangezochte gerecht het verzoek niet mag weigeren louter omdat volgens zijn nationale recht een ander gerecht van zijn land bij uitsluiting bevoegd is voor de in die zaak aan de orde zijnde aangelegenheid. Evenmin mag het aangezochte gerecht dit verzoek weigeren enkel en alleen omdat het recht van het aangezochte gerecht geen vorderingsrecht toestaat voor die aangelegenheid.211 Zo zal een Belgische rechter een verzoek om bewijsverkrijging dat betrekking heeft op een vordering tot verklaring van afwezigheid van rechten, niet kunnen weigeren, niettegenstaande het feit dat het Belgische recht zulke vorderingen niet toestaat.212

38. In ieder geval moet de weigering van de uitvoering van een verzoek op grond van een van de algemene weigeringsgronden aan het verzoekende gerecht worden meegedeeld binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoek met gebruikmaking van standaardformulier K.213 De Bewijsverordening voorziet niet in een dergelijke verplichting wat de weigering van de uitvoering van een verzoek op grond van de specifieke weigeringsgronden betreft. Er werd geen recht op beroep tegen de weigering opgenomen, waardoor de lidstaten zelf kunnen beslissen of hiertegen al dan niet kan worden opgekomen.214

iv. Aanwezigheid en deelname van de partijen en/of de vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht bij de bewijsverkrijging

39. De partijen, en eventueel hun vertegenwoordigers, hebben het recht om aanwezig te zijn bij de bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht in zoverre dat zij dit recht hebben onder hun eigen nationale recht. Op die manier is het alsof de bewijsverkrijging in de verzoekende lidstaat geschiedt.215 Er kan ook worden verzocht om deelneming van de partijen en hun vertegenwoordigers.216 In dat geval zal het aangezochte gerecht overeenkomstig zijn nationale recht de voorwaarden bepalen waaronder zij mogen deelnemen.217 Het verzoekende gerecht zal in zijn verzoek dan wel op een later tijdstip met gebruikmaking van standaardformulier A meedelen dat de partijen, en eventueel hun vertegenwoordigers, aanwezig zullen zijn en, in voorkomend geval, dat om hun deelneming wordt verzocht.218 De Bewijsverordening bepaalt expliciet dat het aangezochte gerecht ook het initiatief mag nemen om de partijen, en eventueel hun vertegenwoordigers, te verzoeken bij de bewijsverkrijging aanwezig te zijn of daaraan deel te nemen, op voorwaarde dat zijn nationale recht daarin voorziet.219 Het aangezochte gerecht mag niet verifiëren of dat nationale recht die mogelijkheid wel degelijk biedt aan partijen en hun vertegenwoordigers.220 In elk geval zal het aangezochte gerecht de partijen, en eventueel hun vertegenwoordigers, met gebruikmaking van standaardformulier I op de hoogte brengen van het tijdstip waarop, de plaats waar en, in voorkomend geval, de voorwaarden waaronder de bewijsverkrijging met aanwezigheid of deelneming van de partijen, en eventueel hun vertegenwoordigers, zal plaatsvinden.221

40. Voor zover dit verenigbaar is met het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht, hebben de vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht het recht om bij de bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht aanwezig te zijn. Op die manier zouden zij immers in staat moeten zijn om het bewijs beter te beoordelen.222 Deze zogenaamde «vertegenwoordigers» zijn het gerechtelijk personeel of andere personen (zoals deskundigen) die zijn aangewezen door het verzoekende gerecht overeenkomstig zijn nationale recht.223 Het verzoekende gerecht zal aan het aangezochte gerecht meedelen dat zijn vertegenwoordigers aanwezig zullen zijn en, in voorkomend geval, dat om hun deelneming aan de bewijsverkrijging wordt verzocht.224 Dit kan gebeuren in het verzoek om bewijsverkrijging, maar eveneens op een ander geschikt tijdstip.225 Het aangezochte gerecht zal overeenkomstig zijn nationale recht de voorwaarden bepalen waaronder de vertegenwoordigers mogen deelnemen.226 Het aangezochte gerecht zal verder bij gebruikmaking van standaardformulier I het verzoekende gerecht in kennis stellen van het tijdstip waarop, de plaats waar en, in voorkomend geval, de voorwaarden waaronder de bewijsverkrijging met deelname van de vertegenwoordigers plaatsvindt.227

v. Kosten

41. Om de administratieve last die de vergoeding van kosten met zich kan meebrengen, zoveel als mogelijk te vermijden, vindt de wederzijdse rechtshulp onder de Bewijsverordening in principe kosteloos plaats.228 Slechts in drie gevallen zal het aangezochte gerecht toch de terugbetaling van heffing of kosten229 kunnen vorderen naar aanleiding van de uitvoering van een verzoek om bewijsverkrijging, met name voor (1) vergoedingen betaald aan deskundigen en tolken, (2) kosten ingevolge het gebruik van een bijzondere procedure en (3) kosten veroorzaakt bij de gebruikmaking van gespecifieerde communicatietechnologie. Na een verzoek om terugbetaling zal het verzoekende gerecht onverwijld zorgen voor de terugbetaling. Het nationale recht van het verzoekende gerecht beheerst vervolgens de op de partijen rustende verplichting om de vergoedingen of kosten te dragen.230

42. Zoals hoger vermeld kan het aangezochte gerecht een passend deposito of voorschot voor de verwachte kosten van het deskundigenadvies aan het verzoekende gerecht vragen wanneer het advies van een deskundige wordt vereist voor de uitvoering van het verzoek om bewijsverkrijging. Indien het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht dat bepaalt, zullen de partijen een deposito of voorschot storten.231 Enkel wanneer een deskundigenadvies is vereist, mag een deposito of voorschot een voorwaarde voor de uitvoering van een verzoek zijn.232 Een gerecht kan de uitvoering van een verzoek daarentegen niet uitstellen totdat de kosten ingevolge het gebruik van een bijzondere procedure of de kosten veroorzaakt bij de gebruikmaking van gespecifieerde communicatietechnologie worden terugbetaald.

c. Rechtstreekse bewijsverkrijging door het verzoekende gerecht

i. Algemeen

43. Bij de rechtstreekse bewijsverkrijging, die zoals vermeld berust op vrijwilligheid en zonder dwangmaatregelen gebeurt233, zal de bewijsverkrijging worden verricht door een lid van het gerechtelijk personeel of ander persoon, zoals een deskundige, die hiertoe overeenkomstig het nationale recht van het verzoekende gerecht is aangewezen.234 Wanneer het verzoekende gerecht hiervan gebruik wil maken, moet dit een verzoek indienen bij het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat. Het gerecht zal hierbij gebruik maken van standaardformulier L.235 Het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit zal binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek via standaardformulier M meedelen of het verzoek is aanvaard. Indien het verzoek is aanvaard, zullen ook de voorwaarden betreffende het verrichten van de rechtstreekse bewijsverkrijging overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat worden meegedeeld.236 Voor het overige zal het verzoekende gerecht de rechtstreekse bewijsverkrijging overeenkomstig zijn nationale recht verrichten.237 Het risico dat het verzoekende gerecht de verkregen informatie in een later stadium als ontoelaatbaar beschouwt, wordt op deze manier sterk verminderd. Daarenboven zal de rechter die overgaat tot uitvoering van het verzoek om bewijsverkrijging, vertrouwd zijn met zowel de zaak als de toepasselijke procedureregels, hetgeen de doeltreffendheid van de uitvoering van het verzoek uiteraard ten goede komt.238

Bij gebreke aan een antwoord omtrent de aanvaarding of afwijzing binnen 30 dagen na de ontvangstbevestiging van het verzoek kan het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat een herinnering sturen. Bij gebreke aan een antwoord binnen 15 dagen na de ontvangstbevestiging van de herinnering wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.239 De Bewijsverordening voorziet nog in een vangnet in buitengewone omstandigheden waarin het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit niet binnen de termijn kon reageren op het verzoek. In dat geval kan het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit zich tot op het moment van de feitelijke rechtstreekse bewijsverkrijging alsnog beroepen op de weigeringsgronden.240

ii. Weigeringsgronden

44. Bij de rechtstreekse bewijsverkrijging kan het aangezochte gerecht in enkele gevallen het verzoek weigeren. Het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit kan een verzoek meer bepaald slechts weigeren ingeval (1) het verzoek niet binnen het toepassingsgebied van de Bewijsverordening valt, (2) het verzoek niet alle verplichte gegevens bevat of (3) de verzochte bewijsverkrijging in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen (wat neerkomt op een strijdigheid met de openbare orde)241 van de aangezochte lidstaat.242 Opnieuw dienen deze weigeringsgronden, en met name de strijdigheid met fundamentele rechtsbeginselen, restrictief te worden geïnterpreteerd.243 De meerwaarde van deze laatste weigeringsgrond wordt evenwel in vraag gesteld. Zo zal het centraal orgaan, zoals hoger vermeld, voorwaarden kunnen verbinden aan de aanvaarding van het verzoek om zo bijvoorbeeld een strijdigheid met de openbare orde trachten te vermijden.244

iii. Deelname aan en praktische bijstand bij de bewijsverkrijging door een gerecht van de aangezochte lidstaat

45. Het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit kan beslissen dat een gerecht van zijn lidstaat aan de rechtstreekse bewijsverkrijging deelneemt met het oog op de correcte toepassing van de regels met betrekking tot de rechtstreekse bewijsverkrijging en de naleving van de door de aangezochte lidstaat opgelegde voorwaarden.245

Een gerecht van de aangezochte lidstaat kan eveneens worden opgedragen om praktische bijstand te verlenen.246

iv. Gebruikmaking van technologie voor communicatie op afstand

46. Ook bij de rechtstreekse bewijsverkrijging besteedt de Bewijsverordening aandacht aan technologie voor communicatie op afstand. Zo zal het verzoekende gerecht met het oog op het verhoor van een persoon die in een andere lidstaat aanwezig is, een verzoek om rechtstreekse bewijsverkrijging via videoconferentie of andere technologie voor communicatie op afstand kunnen indienen.247 Bij de indiening van een dergelijk verzoek dient gebruik te worden gemaakt van standaardformulier N.248 Het verzoek wordt ingewilligd indien dergelijke technologie voor het gerecht beschikbaar is en het gerecht van mening is dat het gebruik ervan in de specifieke omstandigheden van de zaak wenselijk is.249 De Bewijsverordening gaat niet zo ver dat het in een praktische regeling betreffende het verhoor voorziet, maar laat dit over aan de betrokken actoren.250 Het verzoekende gerecht kan bijstand vragen bij het vinden van een (beëdigde) tolk.251

d. Bewijsverkrijging door diplomatieke of consulaire ambtenaren

47. Lidstaten kunnen in hun nationale recht bepalen dat hun diplomatieke of consulaire ambtenaren, op het grondgebied van een andere lidstaat en binnen het gebied waar zij geaccrediteerd zijn, onderdanen van de lidstaat die zij vertegenwoordigen, kunnen verhoren, zonder dat een voorafgaand verzoek onder de Bewijsverordening moet worden ingediend.252 De lidstaat waar de diplomatieke of consulaire ambtenaar is geaccrediteerd, zal de rechtstreekse bewijsverkrijging door hen niet kunnen weigeren.253 Het verhoor zou, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, plaatsvinden in de gebouwen van de diplomatieke missie of het consulaat.254 De gerechten kunnen hun diplomatieke of consulaire ambtenaren enkel verzoeken om over te gaan tot een dergelijk verhoor indien het op vrijwillige basis en zonder dwang geschiedt in het kader van een procedure die reeds aanhangig is (en dus niet slechts voorgenomen). Het verzoek zal worden uitgevoerd overeenkomstig het recht van hun lidstaat.255

IV. Conclusie

48. Met de herziening van de Bewijsverordening onderstreept de Europese Unie - terecht - het belang van die bewijsverkrijging voor het internationale rechtsverkeer. De digitalisering via het gedecentraliseerde IT‑systeem (e‑CODEX) en de dynamische elektronische formulieren vormen een nieuwe stap richting snellere, veiligere en uniformere communicatie tussen gerechten. Toch blijkt het ultieme doel van een «seamless service» nog steeds afhankelijk van de technische maturiteit van de lidstaten. De samenwerking tussen gerechten op basis van de Bewijsverordening blijft tegelijk sterk geworteld in het nationale procesrecht, al was het maar omdat het aangezochte gerecht de bewijsverkrijging in de regel overeenkomstig zijn nationale recht uitvoert. De rechtspraak van het Hof van Justitie (zoals «Lippens», «ProRail» en «TOTO») bevestigt verder dat de werking van de Bewijsverordening niet exclusief is en dat nationale routes van bewijsverkrijging ook bij internationale bewijsverkrijging een rol blijven spelen, en in bepaalde gevallen zelfs efficiënter kunnen zijn.

De Bewijsverordening leidt dus niet tot volledige harmonisatie, maar tot een situatie waarin de Europese en de nationale weg naast elkaar blijven bestaan. De rechtspraktijk zal moeten bepalen welke route wanneer toegevoegde waarde biedt.

1  Over diezelfde problematiek publiceerden we eerder Van Doninck J. en Emmerechts K., «Internationale bewijsverkrijging na de herziene Bewijsverordening» in Van Doninck J., Vandenbussche W., De Schryver M. en Emmerechts K., Grensoverschrijdende betekening en bewijsvoering, Larcier-Intersentia, 2024, 1 e.v. Huidige bijdrage vormt hiervan een grondige bewerking, onder meer in het licht van de hierna toegelichte digitalisering van de werking van de Bewijsverordening en de integratie van recente rechtspraak over die Bewijsverordening in België en Nederland. De auteurs danken de anonieme peerreviewers van het Rechtskundig Weekblad voor hun constructieve feedback. Beide auteurs zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Brussels Research Institute on Development, Governance and Empowerment, through Law (BRIDGE). De eerste auteur is ook covoorzitter van de onderzoeksgroep Digitalisation & Access to Justice.

2  Wat niet bewezen wordt, bestaat niet (vgl. Carbonnier J., Droit civil, I, Presses Universitaires de France, [1955] 2017, 334, nr. 174). Op de vraag of de rechter bij gebrek aan betwisting mag, dan wel moet, aannemen wat wordt gesteld, kunnen we hier niet nader ingaan (zie daarover recent Cass. 16 september 2022, AR nr. C.21.0544.N, NJW 2023, afl. 485, 554, noot Vandenbussche W., RW 2022-23, afl. 28, 1096, noot, T.Not. 2023, afl. 2, 149, waarin het Hof aanneemt dat behoudens uitdrukkelijk procedureakkoord dat niet strijdt met de openbare orde, het een mogelijkheid en geen verplichting betreft, eerder in die zin Van Doninck J., Het lot van onrechtmatig bewijs, Intersentia, 2020, 208-209, met verwijzingen).

3  Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 81.

4  Voor ambtelijke opdrachten uit het buitenland zie art. 873 Ger.W. (over die bepalingen zie Van Hecke G. en Lenaerts K., Internationaal privaatrecht in APR, E. Story-Scientia, 1989, 379, nrs. 836 e.v.; Rigaux F. en Fallon M., Droit international privé, Larcier, 2005, 477, nrs. 11.17 e.v. en Erauw J. m.m.v. Storme H., Internationaal privaatrecht Kluwer, 2009, 188, nrs. 120 e.v.).

5  Goedgekeurd bij wet van 28 maart 1958 houdende goedkeuring van het Internationaal Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, gesloten op 1 maart 1954, te ’s-Gravenhage, BS 11 mei 1958, voor België in werking getreden op 23 juni 1958.

6  Voor een recent overzicht van beide instrumenten met verwijzing naar rechtspraak zie Payan G., Conventions et protocoles de La Haye annotés, Bruylant, 2020, 29 e.v. respectievelijk 133 e.v. Vraag nr. 12 van Kristien Van Vaerenbergh aan Paul Van Tigchelt (VEM Justitie en Noordzee) over «De toetreding tot het Haags Bewijsverdrag» (56000961C), KAMER, 2024-2025, 27 november 2024: «Onze diensten hebben geen concrete plannen om het verdrag waarnaar u verwijst, te ratificeren en dus om lid te worden.» Paul Van Tigchelt verwees hiervoor naar de toepassing van de Bewijsverordening en de bilaterale verdragen gesloten met verschillende landen inzake wederzijdse rechtshulp in burgerlijke en handelszaken.

7  Pb.L. 27 juni 2001, afl. 174, 1-24, in werking getreden op 1 juli 2001 en van kracht sinds 1 januari 2004 voor alle EU-lidstaten, met uitzondering van Denemarken.

8  Overw. 7 en 8. Over die ratio legis ook HvJ 17 februari 2011, nr. C-283/09, ECLI:EU:C:2011:85, «Werynski», overw. 58 en 62.

9  Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking), Pb.L. 2 december 2020, afl. 405, 1-40.

10  Von Hein J., «Digitalisierungsaspekte der neuen Europäischen Beweisaufnahmeverordnung» in Reuss P. en Lass J. (eds.), Göttinger Kolloquien zur Digitalisierung des Zivilverfahrensrechts, Universitätsverlag Göttingen, 2024, 25.

11  Zie https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/. De databank verzamelt de Belgische rechtspraak betreffende de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken in de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. De databank bestaat uit de beslissingen die de Euro-coördinatoren in hun respectieve rechtsgebieden verzamelen en periodiek toezenden.

12  HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:552, «Tedesco».

13  Zie in België art. 1369bis/1 e.v. Ger.W. («beslag inzake namaak»).

14  Zie voor de basisgedachte concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 43, consequent uitgewerkt in de overw. 44-65 voor het beschrijvend beslag.

15  Daarover eerder Van Doninck J., «De expertise in het internationaal privaatrecht: een moeilijk huwelijk?», RW 2019-20, afl. 33, (1283) 1287-1288, nr. 6.

16  Thans art. 1, tweede lid van de Bewijsverordening.

17  Concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 70.

18  Concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 72.

19  Concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 73.

20  Concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 94 en 113.

21  Vgl. Storme M. (ed.), Approximation of judiciary law in the European Union, Kluwer rechtswetenschappen, 1994, xiv + 225 p.

22  Dixit Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 58. Maar misschien is deze uitdrukking wel te antagonistisch en zou men eerder over «kennismaking» moeten spreken.

23  van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 182-183.

24  Concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 96.

25  Zie art. 936 Ger.W., hierover De Baets P. en Van Den Bergh B., «Art. 936 Ger.W.» in Comm.Ger., 2015, afl. 98, (1) 1, nr. 1.

26  Vgl. in Nederland voor dat voorbeeld MvT bij Uitvoering van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174/1) (Uitvoeringswet EG-bewijsverordening), Parl.St. Kamer II 2002-03, nr. 28993/03, 4. Anders, o.i. ten onrechte, Kohl A., «A propos d’une «somme» de droit judiciaire privé étranger et comparé: les mélanges Giuseppe Tarzia», Rev.dr.ULg 2006, afl. 1, (169) 179.

27  Vgl. voor de vertolking van die gedachte Kohl A., «A propos d’une «somme» de droit judiciaire privé étranger et comparé: les mélanges Giuseppe Tarzia», Rev.dr.ULg 2006, afl. 1, (169) 179 en Grella V., «Règlement (CE) n° 1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la cooperation entre les juridictions des états membres dans le domaine de l’obtention de preuves en matière civile ou commerciale» in van Drooghenbroeck J.-F. (ed.), Droit judiciaire européen et international. La jurisprudence du Code Judiciaire commentée, la Charte, 2021, (3) 12-13. Zie voor een andere toepassing ook Gent 23 februari 2012, P&B 2013, afl. 2, 77, noot Samyn B.: geen enkele bepaling van de EU-Verordening verzet zich ertegen dat het aangezochte gerecht dat niet bevoegd is om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten (in casu de arbeidsrechtbank), het verzoek doorstuurt naar het bevoegde gerecht (in casu de rechtbank van eerste aanleg). Het doorsturen van het verzoek aan het bevoegde gerecht beantwoordt geheel aan de geest van de verordening, die de bewijsverkrijging in andere lidstaten wil versoepelen en vereenvoudigen.

28  Zie voor het principearrest HvJ 16 december 1976, nr. C-33/76, ECLI:EU:C:1976:188, Rewe, overw. 5.

29  Zie voor een toepassing HvJ 18 juli 2013, nr. C-136/12, ECLI:EU:C:2013:489, «Consiglio nazionale dei geologi», overw. 33.

30  Zie Law S. en Nowak JT, «Procedural harmonisation by the European Court of Justice» in Gascon Inchausti F. en Hess B. (eds.), The Future of the European Law of Civil Procedure. Coordination or Harmonisation?, Intersentia, 2020, (17) 37: «An obligation of result on the part of the Member States».

31  Zo weigerde de rechtbank te Rotterdam om een getuige te doen horen in Frankrijk. De rechter overwoog hierbij dat het belang van de getuige ondergeschikt moet worden geacht aan het algemene uitgangspunt, dat getuigen zo mogelijk worden gehoord door de rechter die over het geschil moet beslissen, en het belang van partijen. In casu meende de getuige niet in staat te zijn om naar Rotterdam te komen aangezien hij veelal onderweg is en het moeilijk zou zijn om voor een langere periode verhinderdata aan te geven. De rechter oordeelde dat het aangegeven probleem evenzeer gold voor het doen horen van deze getuige in Frankrijk, zij het dat dit laatste mogelijk minder tijd kost gelet op de reistijden (die volgens de rechter evenwel niet zo lang zijn dat dit als een onoverkomelijk bezwaar kon worden aangemerkt). Zie Rechtbank Rotterdam 10 januari 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:AZ9190, www.rechtspraak.nl.

32  Uitgangspunt is het geografisch, materieel en personeel toepassingsbereik van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken en handelszaken (afgekort als de herziene Brussel I-Verordening), Pb.L. 20 december 2012, afl. 351, 1-32. Geografisch geldt de Brussel Ibis-Verordening in alle EU-lidstaten, materieel is de verordeningsautonome invulling van het begrip burgerlijke en handelszaken het uitgangspunt en personeel geldt de Brussel Ibis-Verordening indien de verweerder zijn woonplaats in een EU-lidstaat heeft, tenzij de woonplaatsonafhankelijke criteria gelden (de exclusieve bevoegdheidsregels van art. 24; het forumbeding van art. 25 en het geval van de eiser-consument of eiser-werknemer; zie de artt. 5 en 6 van de Brussel Ibis-Verordening en overzichtelijk Kruger T. en Verhellen J., Internationaal privaatrecht. De essentie, die Keure, 2023, 63 e.v.).

33  HvJ 17 november 1998, nr. C-391/95, ECLI:EU:C:1998:543, «Van Uden», overw. 19 en 22: «De rechter die uit hoofde van één van de bevoegdheidsgronden van het Executieverdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen, is dus tevens bevoegd voorlopige of bewarende maatregelen te gelasten, zonder dat deze laatste bevoegdheid afhankelijk is van het vervuld zijn van nadere voorwaarden.»; bevestigd in het arrest «Mietz»: HvJ 27 april 1999, nr. C-99/96, ECLI:EU:C:1999:202, «Mietz», overw. 40-41.

34  HvJ 6 september 2012, nr. C‑170/11, ECLI:EU:C:2012:540, «Lippens», overw. 26.

35  HvJ 6 september 2012, nr. C‑170/11, ECLI:EU:C:2012:540, «Lippens», overw. 27.

36  Een auteur spreekt in dat verband treffend over het «faire venir à lui» (Besso C., «Cooperation in the taking of evidence: the European attitude», International Journal of Procedural Law 2012, afl. 1, (68) 75).

37  HvJ 6 september 2012, nr. C‑170/11, ECLI:EU:C:2012:540, «Lippens», overw. 37.

38  Art. 164, eerste lid van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.).

39  Court of Appeal (ENG) 28 juli 2008, nr. A3/2008/0375, [2008] EWCA Civ 876, overw. 40.

40  HvJ 6 september 2012, nr. C‑170/11, ECLI:EU:C:2012:540, «Lippens», overw. 38. Verder over deze overweging Galic A., «Open issues concerning the non-mandatory character of the Cross-Border Taking of Evidence Regulation», ERA Forum 2017, afl. 18, (213) 219. Over het belang van zulke grondrechtelijke waarborgen in het raam van de EU algemeen Gerards J., «Het EU-Grondrechtenhandvest: een crashcourse» in Gerards J.H., Jansen K.J.O., Verrest P.A.M., Sevenster H.G. en Laagland F. G., Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde, Wolters Kluwer, 2024, (1) 5.

41  Zie de nadruk door het Hof op die vaststelling in overw. 36.

42  Concl. Adv. Gen. Jääskinen bij HvJ 6 september 2012, nr. C‑170/11, ECLI:EU:C:2012:311, «Lippens», nr. 65. Vgl. Court of Appeal (ENG) 28 juli 2008, nr. A3/2008/0375, [2008] EWCA Civ 876, overw. 45, waar er sprake is van «implied acceptance by parties to litigation of the procedural rules which govern the action in which they are participating.».

43  Over de executie van die dwangsom in het buitenland na voorafgaandelijke liquidatie zie art. 55 Brussel Ibis-Verordening; Van Doninck J. en Slabbaert K., «Beginselen van civiel dwangsomrecht - nationaal en grensoverschrijdend» in Vlaamse Conferentie Balie Antwerpen (ed.), Uitvoering van vonnissen en arresten: wat nu?, Intersentia, 2018, (63) 75-76, nr. 17; Caillol C. en Taelman E., «De l’article 49 du Règlement Bruxelles I à l’article 55 du Règlement Bruxelles Ibis: quelles conséquences sur la compétence du juge chargé de fixer définitivement le montant de l’astreinte?», TBH 2022, afl. 9-10, 1097 e.v.

44  Concl. Adv. Gen. Jääskinen bij HvJ 6 september 2012, nr. C‑170/11, ECLI:EU:C:2012:311, «Lippens», nr. 55.

45  Wij benadrukken.

46  Cass. 25 april 2013, AR nr. C.11.0103.F, Arr.Cass. 2013, afl. 4, 983, JT 2014, afl. 6573, 571, noot Nuyts A., Pas. 2013, afl. 4, 953, RW 2014-15, afl. 7, 255, Tijdschrift@ipr.be 2013, www.ipr.be, afl. 3, 32. Voor een toepassing Rb. Henegouwen (afd. Charleroi) 31 augustus 2016, For.ass. 2019, afl. 192, 47, noot Wyart V., Rev.not.b. 2018, afl. 3130, 511.

47  Opnieuw onze nadruk.

48  Cass. 26 april 2018, AR nr. C.16.0192.N, RW 2018-19, afl. 25, 979, noot, Tijdschrift@ipr.be 2018, www.ipr.be, afl. 3, 55.

49  Vgl. opnieuw Concl. Adv. Gen. Jääskinen bij HvJ 6 september 2012, nr. C‑170/11, ECLI:EU:C:2012:311, «Lippens», nr. 65. Vgl. Court of Appeal (ENG) 28 juli 2008, nr. A3/2008/0375, [2008] EWCA Civ 876, overw. 45, waar er sprake is van «implied acceptance bij parties to litigation of the procedural rules which govern the action in which they are participating.».

50  Concl. Adv. Gen. Van Ingelgem bij Cass. 26 april 2018, AR nr. C.16.0192.N, nrs. 1.2.6 en 1.2.7.

51  Nuyts A., «Les arrêts Lippens et ProRail: retour sur l’exclusivité de la réglementation européenne de collecte des preuves», JT 2014, afl. 6573, (557) 559-560, nr. 11.

52  HvJ 21 februari 2013, nr. C-332/11, ECLI:EU:C:2013:87, «ProRail».

53  HvJ 21 februari 2013, nr. C-332/11, ECLI:EU:C:2013:87, «ProRail», overw. 49; zie voor het cassatiearrest dat de vraag stelde en het antwoord erop toepaste Cass. 27 mei 2011, AR nr. C.10.0286.N, Arr.Cass. 2011, afl. 5, 1387 respectievelijk Cass. 7 november 2013, AR nr. C.10.0286.N, Arr.Cass. 2013, afl. 11, 2346, RW 2014-15, afl. 21, 829; Nuyts A., «Cross-border provisional measures: stepping backwards in the Brussels I Recast» in Van Calster G. en Jura Falconis (eds.), European Private International Law at 50. Celebrating and Contemplating the 1968 Brussels Convention and its Successors, Intersentia, 2018, (83) 103; eerder Nuyts A., «Provisional measures» in Dickinson A. en Lein E. (eds.), The Brussels I Regulation Recast, Oxford University Press, 2015, (357) 369, nr. 12.38; Nuyts A., «Les arrêts Lippens et ProRail: retour sur l’exclusivité de la réglementation européenne de collecte des preuves», JT 2014, afl. 6573, (557) 558, nr. 6.

54  HvJ 21 februari 2013, nr. C-332/11, ECLI:EU:C:2013:87, «ProRail», overw. 47-48.

55  HvJ 21 februari 2013, nr. C-332/11, ECLI:EU:C:2013:87, «ProRail», overw. 48; in diezelfde zin concl. Adv. Gen. Jääskinen bij HvJ 21 februari 2013, nr. C-332/11, ECLI:EU:C:2012:551, «ProRail», nrs. 57 en 59. Lysens en Naudts vermelden dat na inwerkingtreding van de Bewijsverordening aanvankelijk bij expertises met internationaal effect door de Belgische rechtbanken steeds bevel aan de griffie werd gegeven om van het vonnis waarbij de expertise werd bevolen, kennisgeving te doen aan het centraal orgaan in het land van uitvoering en dat dit nu nog slechts zou gebeuren bij expertises die in het vaarwater komen van de staatssoevereiniteit van vreemde staten (zie Lysens T. en Naudts L., Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Wolters Kluwer, 2018, 357, nrs. 791-792; verder Mougenot D., «L’administration de la preuve et les mesures d’instruction» in Boularbah H. en Georges F. (eds.), Actualités en droit judiciaire, Larcier, 2013, (303) 345).

56  Ongeacht of die bevoegdheid over het bodemgeschil op de Brussel Ibis-Verordening gestoeld is (Gaudemet-Tallon H. en Kessedjian C., «La refonte du règlement Bruxelles I», RTDeur. (FR) 2013, afl. 3, (435) 447, nr. 39; Nuyts A., «Les mesures provisoires dans le Règlement Bruxelles Ibis», TBH 2013, afl. 5, (348) 354). In de voorganger van de herziene Brussel I-Verordening luidde het nog dat «in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat (kunnen) worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen» (met onze onderlijning art. 31 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening), Pb.L 16 januari 2001, afl. 12, 1-23). In het hiervoor geciteerde arrest «Van Uden» verduidelijkte het Hof van Justitie dat ook indien partijen door arbitrage het bodemgeschil aan de rechtsmacht van de gewone rechter onttrokken hebben, het forum tot het verkrijgen van voorlopige of bewarende maatregelen bij de overheidsrechter open blijft staan (zie HvJ 17 november 1998, nr. C-391/95, ECLI:EU:C:1998:543, «Van Uden», overw. 24-25). Dat de bevoegdheid om van het bodemgeschil kennis te nemen exclusief is, maakt geen verschil (zie voor de verduidelijking in die zin naar aanleiding van de exclusieve bevoegdheidsregel voor de beslechting van geschillen over octrooigeldigheid krachtens artikel 22, vierde lid van de EEX-Verordening het arrest van het Hof van Justitie inzake Solvay, HvJ 12 juli 2012, nr. C-616/10, ECLI:EU:C:2012:445, «Solvay», twistappel was het verkrijgen van een voorlopig grensoverschrijdend inbreukverbod bij wege van voorlopige voorziening, gebaseerd op een buitenlands octrooi).

57  Dat sluit ook de mogelijkheid in tot het inroepen van de zgn. «exorbitante bevoegdheidsgronden», waarvan de toepassing principieel uit de herziene Brussel I-Verordening en haar voorgangers wordt geweerd (zie HvJ 17 november 1998, nr. C-391/95, ECLI:EU:C:1998:543, «Van Uden», overw. 42). Nuyts vermeldt o.m. de regel in artikel 15 van de Franse Code Civil die een forum biedt aan de eiser met Franse nationaliteit (zie Nuyts A., «Cross-border provisional measures: stepping backwards in the Brussels I Recast» in Van Calster G. en Jura Falconis (eds.), European Private International Law at 50. Celebrating and Contemplating the 1968 Brussels Convention and its Successors, Intersentia, 2018, (83) 97). Die exorbitante nationale internationale bevoegdheidsregels werden voor België opgelijst in bijlage I bij de EEX-Verordening maar opgeheven bij de invoering van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, zie art. 139 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht (BS 27 juli 2004).

58  Zie de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, Parl.St. Senaat 2003, nr. 3-27/1, 35: «Het artikel voert voor de voorlopige en bewarende maatregelen of voor uitvoeringsmaatregelen zoals het uitvoerend beslag een eigen bevoegdheidsgrond in (...) De tekst zelf van artikel 31 Brussel I-Vo beperkt zich, dat dient toegegeven, louter tot een referte aan de bevoegdheidsregels van het forum.» Over het doorverwijzen naar artikel 10 van het Wetboek internationaal privaatrecht voor wat de bevoegdheid betreft ook Boularbah H., «Le nouveau droit commun des incidents de compétence internationale», P&B 2004, afl. 5-6, (189) 193, in fine en 194, eerste alinea.

59  Vgl. Janssens N., «De internationale Rechtsmacht van de voorzitter in kort geding», P&B 1993, afl. 8, (197) 201.

60  HvJ 26 maart 1992, nr. C-261/90, ECLI:EU:C:1992:149, Reichert, overw. 34-35.

61  HvJ 28 april 2005, nr. C-104/03, ECLI:EU:C:2005:255.

62  Hess B., Study No. JAI/A3/2002/02 on making more efficient the enforcement of judicial decisions within the European Union: Transparency of a Debtor’s Assets, Attachment of Bank Accounts, Provisional Enforcement and Protective Measures, 2004, https://ec.europa.eu/civiljustice/publications/docs/enforcement_judicial_decisions_180204_en.pdf (laatst geraadpleegd op 8 oktober 2023), 127: «As a matter of principle, proceedings for the preservation of evidence should be regarded as provisional measures. As they are aimed at the preparation of the main proceedings and securing the interests of the parties, the European Court’s definition on the nature of protective measures is met.».

63  HvJ 28 april 2005, nr. C-104/03, ECLI:EU:C:2005:255, «St Paul Dairy», overw. 25.

64  HvJ 28 april 2005, nr. C-104/03, ECLI:EU:C:2005:255, «St Paul Dairy», overw. 12.

65  HvJ 28 april 2005, nr. C-104/03, ECLI:EU:C:2005:255, «St Paul Dairy», overw. 17, 22 en 24.

66  HvJ 28 april 2005, nr. C-104/03, ECLI:EU:C:2005:255, «St Paul Dairy», overw. 13.

67  HvJ 28 april 2005, nr. C-104/03, ECLI:EU:C:2005:255, «St Paul Dairy», overw. 12.

68  HvJ 28 april 2005, nr. C-104/03, ECLI:EU:C:2005:255, «St Paul Dairy», overw. 23.

69  HvJ 6 september 2012, nr. C‑170/11, ECLI:EU:C:2012:540, «Lippens», overw. 31; HvJ 21 februari 2013, nr. C-332/11, ECLI:EU:C:2013:87, «ProRail», overw. 45.

70  Nuyts A., «Les mesures provisoires dans le Règlement Bruxelles Ibis», TBH 2013, afl. 5, (348) 355; van Drooghenbroeck J.-F. en De Boe C., «Les mesures provisoires et conservatoires dans le règlement Bruxelles I bis» in Guinchard E. (ed.), Le nouveau règlement Bruxelles I bis, Larcier, 2014, (167) 181, nr. 14 en de daar opgenomen verwijzingen; van Drooghenbroeck J.-F., «Mesures provisoires et conservatoires» in Francq S., Boularbah H., Nuyts A., Van Boxstael J., van Drooghenbroeck J. en Wautelet P., «De Bruxelles I à Bruxelles Ibis», JT 2015, afl. 6591, (89) 102, nr. 61 en de daar opgenomen verwijzingen; Nuyts A., «Provisional measures» in Dickinson A. en Lein E. (eds.), The Brussels I Regulation Recast, Oxford University Press, 2015, (357) 368, nr. 12.36; Nuyts A., «Cross-border provisional measures: stepping backwards in the Brussels I Recast» in Van Calster G. en Jura Falconis (eds.), European Private International Law at 50. Celebrating and Contemplating the 1968 Brussels Convention and its Successors, Intersentia, 2018, (83) 102.

71  Wij hernemen hierna enkele lijnen eerder ontwikkeld in Van Doninck J., «De expertise in het internationaal privaatrecht: een moeilijk huwelijk?», RW 2019-20, afl. 33, (1283) 1287 e.v.

72  Sommige commentatoren hebben uit het arrest van het Hof van Cassatie van 3 september 2009 destijds afgeleid dat de expertise werd geweigerd als voorlopige maatregel (zie Kruger T. m.m.v. Ulrix E., De toepassing in België van de Europese IPR-verordeningen, Intersentia, 2016, 21).

73  Cass. 3 september 2009, AR nr. C.08.0480.N, Arr.Cass. 2009, afl. 9, 1930. Het arrest komt kort ter sprake bij Cuniberti G., «L’expertise judiciaire en droit international privé», RCDIP 2015, afl. 3, (519) nr. 20.

74  Cass. 3 mei 2018, AR nr. C.17.0387.N, concl. Mortier R., RW 2018-19, afl. 15, 586, noot, TBO 2019, afl. 1, 39, Tijdschrift@ipr.be 2018, www.ipr.be, afl. 3, 47.

75  Overw. 25 van de Brussel Ibis-Verordening, waarin naar het voorbeeld van de Handhavingsrichtlijn (richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, Pb.L 2 juni 2004, afl. 195, 16-25) gewag wordt gemaakt van conservatoire bevelen ter verkrijging van informatie of ter bescherming van bewijsmateriaal. Betreurenswaardig is overigens dat diezelfde overweging zich genoodzaakt ziet om lippendienst te bewijzen aan het arrest «St Paul Dairy» door te overwegen dat het getuigenverhoor die kwalificatie niet verdient (merk op dat er geen sprake is van «voorlopig getuigenverhoor») en dat dit de toepassing van de Bewijsverordening onverlet laat.

76  Geconsolideerde versie gepubliceerd in Pb.C 26 januari 1998, afl. 27, 1-23.

77  Jenard P., «Rapport over het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken», Pb.C 5 maart 1979, afl. 59, (1) 42.

78  In die zin de pertinente opmerking van de Nederlandse cassatierechter Ras H.E., «De betekenis van het EEG-Executieverdrag voor de rechter van het land waar een onder het Verdrag vallende zaak wordt aangebracht», TPR 1975, afl. 4, (851) 907.

79  Hess pleitte eerder ook voor zo’n affirmatie van het nationale procesrecht, zij het niet op basis van de letterlijke bewoordingen van de verdragsbepaling, in Hess B. en Zhou C., «Beweissicherung und Beweisbeschaffung im europäischen Justizraum», IPRAX (DE) 2007, afl. 3, (183) 189 onder «Bejahung der Nationalen Ausgangsqualifikationen» en ook in Hess B., Study No. JAI/A3/2002/02 on making more efficient the enforcement of judicial decisions within the European Union: Transparency of a Debtor’s Assets, Attachment of Bank Accounts, Provisional Enforcement and Protective Measures, 2004, https://ec.europa.eu/civiljustice/publications/docs/enforcement_judicial_decisions_180204_en.pdf (laatst geraadpleegd op 8 oktober 2023), 32: «Efficiency of justice suggests the application of Articles 31 and 32 JR at least to those measures, which are qualified as provisional measures in the respective Member State (of origin).»; vgl. ook voor een aanzet in diezelfde zin Kramer X.E., «Harmonisation of Provisional and Protective Measures in Europe» in M. Storme (ed.), Procedural Laws in Europe. Towards Harmonisation, Maklu, 2003, (305) 314, nr. 6.1, in fine.

80  HvJ 17 november 1998, nr. C-391/95, ECLI:EU:C:1998:543, «Van Uden», overw. 40.

81  Born H., Fallon M. en Van Boxstael J.-L., Droit judiciaire international. Chronique de jurisprudence 1991-1998, Larcier, 2001, 484, nr. 242. Naar nationaal recht besliste het Hof van Cassatie dat al in 1989 voor de territoriale bevoegdheid van de kortgedingrechter (zie Cass. 22 december 1989, Arr.Cass. 1989-90, afl. 12, 564, concl. Krings E., RW 1989-90, afl. 32, 1089, concl. Krings E.: «Overwegende dat de voorzitter van de rechtbank, te dezen de rechtbank van koophandel, aangezocht om, met toepassing van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, in een geval dat hij spoedeisend acht bij voorraad een deskundigenonderzoek te bevelen, territoriaal bevoegd is indien dat bevel ten minste ten dele in zijn rechtsgebied moet worden uitgevoerd, ook al is de rechtbank territoriaal niet bevoegd om van het bodemgeschil kennis te nemen.»).

82  Born H., Fallon M. en Van Boxstael J.-L., Droit judiciaire international. Chronique de jurisprudence 1991-1998, Larcier, 2001, 482-484.

83  Boularbah H., Philippet M. en Stassin M., «Etat actuel de la procédure civile d’expertise» in de Leval G. (ed.) Théorie et pratique de l’expertise civile et pénale, Anthemis, 2017, (51) 74-75, nr. 31: «Une décision prononçant une mesure provisoire sur le pied de l’article 35 du Règlement Bruxelles Ibis ne pourra cependant pas bénéficier de la libre circulation des jugements prévue par ce Règlement. Ce fondement de compétence sera dès lors essentiellement utile pour permettre au juge belge du lieu de mise en œuvre de l’expertise de désigner (au fond ou en référé) un expert dont la mission devra être remplie localement.».

84  Voor een - terechte - benadrukking van dit onderscheid Gaudemet-Tallon H. en Ancel M.-E., Compétence et exécution des jugements en europe. Règlements 44/2001 et 1215/2012 Conventions de Bruxelles (1968) et de Lugano (1988 et 2007), LGDJ, 2024, 531.

85  De Commissie beoogde hiermee presidentiële forum shopping uit te sluiten (zie Voorstel (Comm.) voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikking), https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52010PC0748 (laatst geraadpleegd op 14 juli 2025), 10). Nuyts (Nuyts A., «Cross-border provisional measures: stepping backwards in the Brussels I Recast» in Van Calster G. en Jura Falconis (eds.), European Private International Law at 50. Celebrating and Contemplating the 1968 Brussels Convention and its Successors, Intersentia, 2018, (83) 107) merkt terecht op dat de herziene Brussel I-Verordening in dat opzicht een stap terug betekent, nu uit het Mietz-arrest werd afgeleid dat voorlopige of bewarende maatregelen bevolen met toepassing van het loutere forum van voorlopige of bewarende maatregelen wél vatbaar waren voor internationale tenuitvoerlegging (zie HvJ 27 april 1999, nr. C-99/96, ECLI:EU:C:1999:202, overw. 44 e.v.). Nioches pleidooi voor inperking van die mogelijkheid kreeg daarmee wel gehoor (Nioche M., La décision provisoire en droit international privé européen, Bruylant, 2012, 319, nr. 483 en 324-325).

86  Veel geciteerd in die zin is Kh. Hasselt (KG) 20 september 1996, RW 1997-98, afl. 15, 507, TBH 1997, afl. 5, 323, noot Pertegas Sender M.; verder Born H., Fallon M. en Van Boxstael J.-L., Droit judiciaire international. Chronique de jurisprudence 1991-1998, Larcier, 2001, 488-489 en de vele verwijzingen daar opgenomen; Pertegas Sender M., «Provisional, including protective, measures» in Magnus U. en Mankowski P. (eds.), Brussel I Regulation, Sellier, 2007, (523) 533; Erauw J. m.m.v. Storme H., Internationaal privaatrecht, Kluwer, 2009, 134.

87  Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces, die Keure, 2015, (71) 75-76, nr. 10; Van Den Bergh B., Gerechtelijk deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken in APR, Wolters Kluwer, 481-482, nr. 796.

88  HvJ 6 oktober 2021, nr. C-581/20, ECLI:EU:C:2021:808, TOTO, concl. Rantos A., Pb.C 6 december 2021, afl. 490, 14, TBH 2023, afl. 1, 59, noot Nuyts A., Tijdschrift@ipr.be 2021, www.ipr.be, afl. 4, 12.

89  Anders: Cuniberti G., «CJEU Rules on Parallel Interim Litigation», The EAPIL Blog 2021 (blog), https://eapil.org/2021/10/07/cjeu-rules-on-parallel-interim-litigation/ (laatst geraadpleegd op 8 oktober 2023); Goris C.S., «C-581/20, TOTO: a missed opportunity to cast light on article 35 of the Brussel I Bis Regulation?», Cuadernos de Derecho Transnacional 2022, afl. 1, 915 e.v.

90  Van Doninck J., «De expertise in het internationaal privaatrecht: een moeilijk huwelijk?», RW 2019-20, afl. 33, (1283) 1291 en 1295, «IV. Besluit»; Nuyts A., «L’arrêt «TOTO»: retour sur les mesures provisoires dans les litiges transfrontières européens» (noot onder HvJ 6 oktober 2021), TBH 2023, (66) 72, nr. 11, 74, nr. 14, in fine en nr. 21, «Conclusion».

91  Zie de suggestie van Hess tot coördinatie tijdens het colloquium dat het Max Planck Institute for Procedural Law Luxemburg wijdde aan de beoogde evaluatie van de Brussel Ibis-Verordening: Weller M., «Conference Report from Luxemburg: On the Brussels Ibis Reform», Conflict of Laws.net 2022 (blog), https://conflictoflaws.net/2022/conference-report-from-luxemburg-on-the-brussels-ibis-reform (laatst geraadpleegd op 14 juli 2025); verder Hess B., Althoff D., Bens T. en Elsner N., «The Reform of the Brussels Ibis Regulation - Academic Position Paper», Vienna Research Paper 2024, https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=4853421, 38-39.

92  Zie bv. Brussel 14 februari 2006, IRDI 2006, afl. 2, 153, waarin het hof van beroep besloot dat het aangewezen was om een onderzoeksmaatregel te bevelen (in casu een getuigenverhoor in Italië) en de verdere behandeling van de zaak verdaagde tot na de uitvoering van het verzoek. Zie ook Brussel 16 januari 2012, Tijdschrift@ipr.be 2015, www.ipr.be, afl. 3, 53, waarin de bevoegde rechter te Arras (Frankrijk) werd verzocht om aan een maatschappelijk assistent de opdracht toe te vertrouwen om de omstandigheden te controleren waarin een kind bij zijn vader verblijft.

93  Art. 1.1 Bewijsverordening. Zie bv. Kh. Hasselt (KG) 30 maart 2005, RW 2007-08, afl. 29, 1222, waarin werd geoordeeld dat de in België aangestelde gerechtsdeskundige rechtstreekse handelingen in Nederland kon stellen indien daartoe een verzoek aan de Raad voor de rechtspraak en aan de rechtbank te ’s Gravenhage werd verzonden.

94  Art. 1.2 Bewijsverordening.

95  Artt. 16.2 en 19.7 Bewijsverordening; Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 254, nr. 4; Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 80, nr. 20.

96  NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 301; Sladič J., «L’obtention de preuves en matière civile et commerciale dans l’espace judiciaire européen: status quaestionis et la réforme envisagée», Revue des affaires européennes 2020, afl. 1, (191) 203.

97  Besso C., «Cooperation in the taking of evidence: the European attitude», International Journal of Procedural Law 2012, afl. 1, (68) 75; Lebois M., «Le Règlement (CE) n°1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 281, nr. 15. Vgl. Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 82, nr. 23.

98  Ook het doen verrichten van een deskundigenonderzoek valt onder een verzoek om bewijsverkrijging: Brussel (Fr.) 29 september 2017, AR 2017/FA/434, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/; Rb. Luik (afd. Verviers) 28 juni 2021, AR 20/2/F, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/. In een recent vonnis van 21 januari 2026 dat kadert in een collectieve actie omtrent vermeende «sjoemelsoftware» in bepaalde dieselvoertuigen deed de rechtbank te Amsterdam een verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging dat toezag op, onder meer, (i) het door een deskundige openstellen van een databank met daarin de software van een verzameling van de Euro 5 PCD-voertuigen, die zich bij drie van de partijen in de procedure in Frankrijk bevond, en (ii) het door een deskundige maken van afschriften van bewijsstukken die nader waren omschreven door een van de partijen in het geding (Rechtbank Amsterdam 21 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1674, www.rechtspraak.nl).

99  Pro: Rb. Brussel (Nl.) 28 september 2017, AR 2017/08/F, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/. Contra: Brussel 14 september 2010, JT 2011, afl. 6422, 74; Rb. Henegouwen (afd. Charleroi) 31 augustus 2016, For.ass. 2019, afl. 192, 47, noot Wyart V., Rev.not.b. 2018, afl. 3130, 511.

100  Deze term wordt overgenomen van de praktische handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijging van 2001 (online raadpleegbaar via: https://e-justice.europa.eu/76/EN/taking_of_evidence) (laatst geraadpleegd op 14 juli 2025). De praktische handleiding voorziet noch in een definitie noch in verdere verduidelijking, maar aangenomen kan worden dat «verificaties» doelt op het controleren van bepaalde feiten. Zie bv. Brussel 16 januari 2012, Tijdschrift@ipr.be 2015, www.ipr.be, afl. 3, 53, waarin de bevoegde rechter te Arras (Frankrijk) werd verzocht om aan een maatschappelijk assistent de opdracht toe te vertrouwen om de omstandigheden te controleren waarin een kind bij zijn vader verblijft.

101  Zie voor toepassingsgevallen: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8436, www.rechtspraak.nl; Brussel (Fr.) 16 januari 2012, AR 2011/KR/291, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank; Brussel (Fr.) 19 oktober 2015, AR 2015/FA/431, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/; Brussel (Fr.) 18 maart 2016, AR 2015/FA/619, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/; Rb. Brussel (Nl.) 26 november 2019, AR 2019/16/F, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/; Rb. Luik (afd. Verviers) 21 juni 2021, AR 21/1/F, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank.

102  Praktische handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijging van 2001, p. 6, nr. 8 (online raadpleegbaar via: https://e-justice.europa.eu/76/EN/taking_of_evidence, laatst geraadpleegd op 14 juli 2025). Er valt op te merken dat deze praktische handleiding betrekking heeft op verordening (EG) nr. 1206/2001. Er is tot op heden nog geen aangepaste praktische handleiding beschikbaar.

103  Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8436, www.rechtspraak.nl; Rb. Brussel (Nl.) 26 november 2019, AR 2019/16/F, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/.

104  Brussel (Fr.) 19 oktober 2015, AR 2015/FA/431, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/; Rb. Luik (afd. Verviers) 21 juni 2021, AR 21/1/F, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank.

105  Concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 43; Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 259, nr. 9.

106  van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 172-173.

107  Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 83; Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 354.

108  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 259, nr. 10; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 83; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 173.

109  Rb. Brussel (Nl.) 3 februari 2020, AR 2019/18/F, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/.

110  HvJ 9 september 2021, nrs. C-208/20 en C-256/20, ECLI:EU:C:2021:719, «Toplofikatsia Sofia» EAD et al.

111  Zie bv. NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 301; von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 909-912, nrs. 11-17.

112  Art. 2, 1° Bewijsverordening.

113  Zie meer bepaald https://e-justice.europa.eu/38581/NL/taking_evidence_recast?init=true (laatst geraadpleegd op 14 juli 2025).

114  Pro: Freudenthal M., «Internationale bewijsverkrijging: van Haagse en Europese samenwerking», NIPR (NL) 2002, (109) 114; Lebois M., «Le Règlement (CE) n° 1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 280, vn. 34. Zie ook Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 351. Contra: Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71)83, nr. 25; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 301; Sladič J., «L’obtention de preuves en matière civile et commerciale dans l’espace judiciaire européen: status quaestionis et la réforme envisagée», Revue des affaires européennes 2020, afl. 1, (191) 204-205; Swerts K., «Artikel 1 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (272) 273, nr. 4; von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 907-908, nr. 9.

115  Er wordt verwezen naar Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad dat bv. ook gerechtsdeurwaarders vermeldt, Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad dat bv. wat Hongarije betreft naar notarissen vrwijst en wat Zweden betreft naar gerechtsdeurwaarders, en Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad dat bv. ook toelaat om notarissen, griffies en andere juridische beroepsbeoefenaren onder het begrip te laten vallen.

116  Hongarije, Slowakije en Estland geven aan dat een notaris (in het kader van bepaalde procedures) als een dergelijke autoriteit wordt beschouwd. Ook voogdijautoriteiten vallen in Hongarije bij procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid onder het begrip gerecht zoals gedefinieerd in art. 2, 1° Bewijsverordening.

117  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 257, nr. 8; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 301.

118  Zie voor wat Duitsland betreft: von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 907-908, nr. 9. Zie voor wat Polen betreft: Kaczmarek-Templin B., «Pomoc sądu powszechnego w postępowaniu dowodowym sądu polubownego a rozporządzenie Parlamentu Europejskiego i Rady (UE) 2020/1783 w sprawie współpracy między sądami państw członkowskich przy przeprowadzaniu dowodów w sprawach cywilnych lub handlowych», Palestra 2022, afl 11, (61) 71 e.v.

119  Zo heeft de Franstalige versie het over «procédure judiciaire» en de Engelstalige over «judicial proceedings».

120  Vgl. Sladič J., «L’obtention de preuves en matière civile et commerciale dans l’espace judiciaire européen: status quaestionis et la réforme envisagée», Revue des affaires européennes 2020, afl. 1, (191) 204-205.

121  HvJ 25 juli 1991, nr. C-190/89, ECLI:EU:C:1991:319, Marc Rich juncto HvJ 17 november 1998, nr. C-391/95, ECLI:EU:C:1998:543, «Van Uden». Cf. supra, nrs. 13-14. Bij de aflijning van die uitsluiting van arbitrage uit het toepassingsgebied van Brussel Ibis zal het voorwerp van de vordering bepalend zijn. Over die uitsluiting en de richtinggevende overweging 12 van Brussel Ibis verder: Lazic V. en Mankowski P., The Brussels I-Bis Regulation. Interpretation and Implementation, Edward Elgar Publishing, 2023, p. 43, nr. 1.125 e.v.; Gaudemet-Tallon H. en Ancel M.-E., Compétence et exécution des jugements en europe. Règlements 44/2001 et 1215/2012 Conventions de Bruxelles (1968) et de Lugano (1988 et 2007), LGDJ, 2024, 89 e.v., i.h.b. 93; Hess B., «article 1» in Requejo Isidro M. (ed.), Brussels I Bis. A Commentary on Regulation (EU) No 125/2012, Edward Elgar Publishing, 2022, (20) 32-33, nr. 1.31.

122  Zodra de gedinginleidende akte bij het gerecht wordt ingediend, is de procedure reeds aanhangig (Demeyere L., «Toepassing Europese bewijsverordening» in De Buyst D., Kortleven P., Lysens T. en Ronse C. (eds.), Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek, Wolters Kluwer Belgium, 2006, (117) 137, nr. 15239; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 302; von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 928-929, nr. 40). Er wordt immers aangenomen dat moet worden aangeknoopt bij de interpretatie van dit begrip onder de Brussel Ibis-Verordening. Contra: Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 351. Zij menen dat het nationale recht van een lidstaat bepaalt wanneer een procedure reeds aanhangig is. Dit zou eventueel voor moeilijkheden zorgen aangezien zowel het verzoekende gerecht als het aangezochte gerecht moeten nagaan of het verzoek in kwestie binnen het toepassingsgebied van de Bewijsverordening valt en beide lidstaten een verschillende invulling kunnen geven aan het concept.

123  Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 85; Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 260, nr. 11.

124  Praktische handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijging van 2001, p. 6, nr. 10 (online raadpleegbaar via: https://e-justice.europa.eu/76/EN/taking_of_evidence, laatst geraadpleegd op 8 oktober 2023); Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 260, nr. 11; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 84.

125  Demeyere L., «Toepassing Europese bewijsverordening» in De Buyst D., Kortleven P., Lysens T. en Ronse C. (eds.), Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek, Wolters Kluwer Belgium, 2006, (117) 138, nr. 15320.

126  Verklaring van de Raad bij het aannemen van de Bewijsverordening, bijlage bij de nota van het Coreper van 22 mei 2001, nr. 9047/01 (online raadpleegbaar via: https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-8928-2001-INIT/en/pdf, laatst geraadpleegd op 8 oktober 2023). Bepaalde auteurs zijn van mening dat verzoeken in het kader van pre-trial discovery niet zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de Bewijsverordening. Zie bv. Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 353. Vgl. Besso C., «Taking of Evidence Abroad: From the 1970 Hague Convention to the 2001 European Regulation» in Nuyts A. en Watté N. (eds.), International Civil Litigation in Europe and Relations with Third States, Bruylant, 2010, (365) 378, n. 6; Lebois M., «Le Règlement (CE) n°1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 282, nr. 15.

127  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 260, nr. 12; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 84-85.

128  Concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 70-73.

129  Praktische handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijging van 2001 (online raadpleegbaar via: https://e-justice.europa.eu/76/EN/taking_of_evidence, laatst geraadpleegd op 8 oktober 2023); Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 254, nr. 5; Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 80, nr. 21; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 301; Swerts K., «Artikel 1 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (272) 272, nr. 1; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 171; von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 903, nr. 1.

130  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 255, nr. 5; De Bus W., «De bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken overeenkomstig Verordening (E.G.) nr. 1206/2001», Limb.Rechtsl. 2006, afl. 2, (91) 95, nr. 5; Demeyere L., «Toepassing Europese bewijsverordening» in De Buyst D., Kortleven P., Lysens T. en Ronse C. (eds.), Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek, Wolters Kluwer Belgium, 2006, (117) 148-149, nr. 15740; Neut M. en Demeyere L., «De grensoverschrijdende bewijsverkrijging binnen de Europese Unie: brengt verordening nr. 1206/2001 de verhoopte versoepeling teweeg?», RW 2004-05, afl. 10, (361) 373; Lebois M., «Le Règlement (CE) n°1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 280, nr. 14; Mougenot D., «Le règlement européen sur l’obtention des preuves», JT 2002, afl. 6038, (17) 18, nr. 6; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 301; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 82; Swerts K., «Artikel 1 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (272) 272, nr. 1.

131  Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 80-81, nr. 21; Lebois M., «Le Règlement (CE) n°1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 281, nr. 14; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 172; Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 349.

132  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 255-256, nr. 6; De Bus W., «De bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken overeenkomstig Verordening (E.G.) nr. 1206/2001», Limb.Rechtsl. 2006, afl. 2, (91) 95-96, nr. 5; Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 349. Contra: Deketelaere Y., «Le Règlement 1206/2001 en matière de preuves: vers la constitution d’un espace judiciaire civil européen», RGAR 2002, afl. 7, (13584) 13585.

133  Art. 1.1. Brussel Ibis-Verordening.

134  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 256, nr. 7; De Bus W., «De bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken overeenkomstig Verordening (E.G.) nr. 1206/2001», Limb.Rechtsl. 2006, afl. 2, (91) 95, nr. 5. Contra: Besso C., «Cooperation in the taking of evidence: the European attitude», International Journal of Procedural Law 2012, afl. 1, (68) 75. Zie voor een fiscaal geschil: Gerechtshof Amsterdam 19 november 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK8478, www.rechtspraak.nl. De Belgische rechter heeft het verzoek tot bewijsverkrijging niet ingewilligd. Het Gerechtshof Amsterdam sloot zich aan bij dit oordeel.

135  Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 82; Lebois M., «Le Règlement (CE) n°1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 281, nr. 14; Swerts K., «Artikel 1 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (272) 272, nr. 2; Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 349.

136  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 256, nr. 7; van Calster G., European Private International Law. Commercial Litigation in the EU, Oxford, Hart Publishing, 2021, 35. Vgl. Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 349.

137  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 256-258, nr. 8; I Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 81, nr. 22; Freudenthal M., «Internationale bewijsverkrijging: van Haagse en Europese samenwerking», NIPR (NL) 2002, (109) 114; Lebois M., «Le Règlement (CE) n°1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 280, nr. 14; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 301; Swerts K., «Artikel 1 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (272) 272, nr. 2; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 171.

138  Overw. 38. Aangezien Denemarken een «opt-out» heeft op het vlak van de regels betreffende o.m. het internationaal privaatrecht, moet Denemarken een bijzonder verdrag sluiten met de Europese Unie opdat de Bewijsverordening ook van toepassing zou zijn in de relatie met Denemarken. Dit is tot op heden nog niet gebeurd. Zie ook met betrekking tot de vorige versie van de Bewijsverordening: Rb. Brussel (Nl.) 3 februari 2020, AR 2019/18/F, https://www.just-be-europe.be/nl/de-databank/.

139  Zoals supra vermeld is België immers geen partij bij het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken.

140  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253)254, nr. 3; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 302. Zie ook de Vareilles-Sommières P., «Le règlement communautaire sur l’obtention de preuves à l’étranger et les rapports avec les Etats tiers» in Nuyts A. en Watté N. (eds.), International Civil Litigation in Europe and Relations with Third States, Bruylant, 2010, (281) 286.

141  Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 346-347. Vgl. Lebois M., «Le Règlement (CE) n°1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 282-283, nr. 16.

142  Art. 35.1 j° 35.3 Bewijsverordening.

143  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/422 van de Commissie van 14 maart 2022 tot vaststelling van de technische specificaties, maatregelen en andere vereisten voor de implementatie van het gedecentraliseerde IT-systeem bedoeld in Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad (Pb.L 15 maart 2022, 5) trad in werking op de twintigste dag na publicatie, zodat artikel 7 op 1 mei 2025 in werking trad (https://online-forms.e-justice.europa.eu/online-forms/taking-of-evidence-forms_nl).

144  Art. 34.1 Bewijsverordening.

145  Art. 1.1 Bewijsverordening.

146  De standaardformulieren werden in Bijlage I van de Bewijsverordening opgenomen. De digitale formulieren zijn thans toegankelijk via https://online-forms.e-justice.europa.eu/online-forms/taking-of-evidence-forms_nl.

147  Art. 5.2 Bewijsverordening.

148  Art. 5.3 Bewijsverordening.

149  Art. 6 Bewijsverordening. Via de Europese justitiële atlas (https://e-justice.europa.eu/38581/NL/taking_evidence_recast?init=true, laatst geraadpleegd op 8 oktober 2023) kan dit nu per land worden geraadpleegd. België aanvaardt geen andere talen dan de taal van het gerechtelijk arrondissement van de rechtbank van eerste aanleg waarbij het verzoek wordt ingediend.

150  Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5283, www.rechtspraak.nl; Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 89, nr. 39. In ieder geval zullen de kosten voor de vertaling op het verzoekende gerecht vallen (Demeyere L., «Toepassing Europese bewijsverordening» in De Buyst D., Kortleven P., Lysens T. en Ronse C. (eds.), Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek, Wolters Kluwer Belgium, 2006, (117) 137, nr. 15239). In een collectieve actie omtrent vermeende «sjoemelsoftware» in bepaalde dieselvoertuigen beval de rechtbank te Amsterdam de rechtstreekse bewijsverkrijging in Frankrijk en legde zij aan de verweerders de verplichting op om daartoe de Franse vertaling aan te leveren van de relevante stukken (Rechtbank Amsterdam 21 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1674, www.rechtspraak.nl). Zie voor een toepassingsgeval waar de verzoekende partij de kosten op zich moest nemen om het formulier A (inclusief bijlage I) te laten vertalen door een beëdigd tolk/vertaler: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 mei 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AT6596, www.rechtspraak.nl. Het gerechtshof achtte het niet wenselijk dat partijen, en daardoor mogelijk ook de getuigen, op voorhand kennis konden nemen van de vragen die het bevoegde gerecht in Duitsland aan de getuigen zou stellen. Het hof gelastte de griffier dan ook om de vragen die het hof gesteld wenst te zien aan de getuigen, door een beëdigd tolk/vertaler (opgenomen in bijlagen II-V) te laten vertalen in de Duitse taal (ECLI:NL:GHSHE:2005:AT6596, www.rechtspraak.nl). In een andere uitspraak heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch eveneens de verzoekende partij bevolen de kosten van de vertaling op zich te nemen, maar werden de vragen wel reeds meegedeeld (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2651, www.rechtspraak.nl).

151  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 264, nr. 20; De Bus W., «De bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken overeenkomstig Verordening (E.G.) nr. 1206/2001», Limb.Rechtsl. 2006, afl. 2, (91) 105, nr. 18; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 92; Swerts K., «Artikel 5 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (278) 279.

152  Lebois M., «Le Règlement (CE) n° 1206/2001 du Conseil du 28 mai 2001 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale» in Storme M. en de Leval G. (eds.), Le Droit Processuel & Judiciaire Européen / Het Europees Gerechtelijk Recht & Procesrecht, die Keure, 2003, (271) 287, nr. 20; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 92; Swerts K., «Artikel 5 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (278) 279.

153  Art. 7.1 Bewijsverordening.

154  Art. 2, 2° Bewijsverordening.

155  Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.

156  Art. 7.2 Bewijsverordening.

157  Overw. 7 Bewijsverordening.

158  Overw. 7 Verordening (EU) 2022/850 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende een geautomatiseerd systeem voor de grensoverschrijdende elektronische gegevensuitwisseling op het gebied van justitiële samenwerking in civiele en strafzaken (e-Codex), en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1726 (e-Codex-Verordening).

159  Zie ook Croisant G., «La réfonte du règlement obtention des preuves», TBH 2022, afl. 1, (5) 15, nr. 39.

160  Overw. 12 Bewijsverordening.

161  Art. 7.4 Bewijsverordening j° overw. 12.

162  Zie hiervoor https://e-justice.europa.eu/topics/taking-legal-action/european-judicial-atlas-civil-matters/taking-evidence-recast/be_nl (laatst geraadpleegd op 14 juli 2025). Het valt te betreuren dat geen gebruik kan worden gemaakt van verzending via e-mail.

163  NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 306.

164  Art. 8 Bewijsverordening.

165  Richard V., «La refonte du règlement sur l’obtention des preuves en matière civile», Revue critique de droit international privé (FR) 2021, afl. 1, (67) 70.

166  Overw. 13 Bewijsverordening. Met de omzetting van stukken wordt waarschijnlijk de omzetting van een handgeschreven document in een digitaal document bedoeld (Richard V., «La refonte du règlement sur l’obtention des preuves en matière civile», Revue critique de droit international privé (FR) 2021, afl. 1, (67) 70, vn. 15).

167  Art. 9.1 Bewijsverordening.

168  Art. 9.2 Bewijsverordening; Gent 23 februari 2012, P&B 2013, afl. 2, 77, noot Samyn B.

169  Art. 10.1 Bewijsverordening.

170  NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie 2020 (PL), afl. 1, (299) 305.

171  Art. 21.3 Bewijsverordening.

172  Art. 10.2 Bewijsverordening.

173  Art. 6 wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, BS 24 maart 2023. Dit valt ook per lidstaat te raadplegen via de Europese justitiële atlas, zie bv. voor België: https://e-justice.europa.eu/topics/taking-legal-action/european-judicial-atlas-civil-matters/taking-evidence-recast/be_nl (laatst geraadpleegd op 14 juli 2025).

174  Te denken valt aan het geval waarin het bevoegde gerecht niet kan worden geïdentificeerd of waarin het aangezochte gerecht niet in staat is om het verzoek te ontvangen (bv. bij verwoesting van het gerechtsgebouw door brand, indien het gerechtsgebouw door een natuurramp of zelfs een staking werd getroffen) (Freudenthal M., «Internationale bewijsverkrijging: van Haagse en Europese samenwerking», NIPR (NL) 2002, (109) 115; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 303; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 93-94; Swerts K., «Artikel 3 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (277) 277; von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 947, nr. 8).

175  Art. 4.1 Bewijsverordening.

176  D.i. zowel de methode van bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht als de methode van rechtstreekse bewijsverkrijging door het verzoekende gerecht.

177  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 267, nr. 25; Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 79, nr. 18; Demeyere L., «Toepassing Europese bewijsverordening» in De Buyst D., Kortleven P., Lysens T. en Ronse C. (eds.), Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek, Wolters Kluwer Belgium, 2006, (117) 150, nr. 15780; Freudenthal M., «Internationale bewijsverkrijging: van Haagse en Europese samenwerking», NIPR (NL) 2002, (109) 114; Jansen R., Legal Privilege and Transnational Evidence-Taking. A Comparative Study on Cross-Border Disclosure, Evidence-Shopping and Legal Privilege, Intersentia, 2022, 61; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 171.

178  Artt. 19.2, lid 1 en 21 Bewijsverordening.

179  Art. 19.2, lid 2 Bewijsverordening. De Bewijsverordening voorziet niet in een soortgelijke verplichting in het kader van de bewijsverkrijging door diplomatieke of consulaire ambtenaren.

180  Jansen R., Legal Privilege and Transnational Evidence-Taking. A Comparative Study on Cross-Border Disclosure, Evidence-Shopping and Legal Privilege, Intersentia, 2022, 61.

181  Art. 3.1 Bewijsverordening.

182  Artt. 12.1 en 12.2 Bewijsverordening.

183  Artikel 5 Bewijsverordening dat de vereiste vermeldingen bevat opdat een verzoek als volledig wordt beschouwd, stipuleert eveneens dat het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van formulier A. Er wordt dan ook aangenomen dat wanneer een verzoek wordt ingediend zonder dat van formulier A gebruik wordt gemaakt, het aangezochte gerecht de uitvoering van het verzoek kan uitstellen totdat een correct aangevuld verzoek werd ontvangen (NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 305).

184  Art. 11.1 Bewijsverordening.

185  Art. 11.2 Bewijsverordening.

186  Art. 17 j° overw. 15 Bewijsverordening.

187  Zo voorziet het Nederlandse recht in het getuigenverhoor bij een descente, de partijgetuigenis en het horen van deskundigen die niet door de rechter zijn benoemd, een Engelse rechter kan op zijn beurt een kruisverhoor bevelen.

188  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 270, nr. 31; Storskrubb E., Civil Procedure and EU law: A Policy Area Uncovered, Oxford University Press, 2008, 126-127; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 179; von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 983, nr. 12. Zie ook Concl. Adv. Gen. Kokott bij HvJ (Besch.) 27 september 2007, nr. C-175/06, ECLI:EU:C:2007:451, «Tedesco», overw. 111.

189  Art. 12.3 Bewijsverordening.

190  Zie in die zin Samyn B., «EU-Bewijsverordening en onwillige getuige: het doel en de middelen» (noot onder Gent 23 februari 2012), P&B 2012, (80) 81, nr. 7.

191  De Bus W., «De bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken overeenkomstig Verordening (E.G.) nr. 1206/2001», Limb.Rechtsl. 2006, afl. 2, (91) 100, nr. 11; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 304; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 95; Swerts K., «Artikel 10 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (281) 282; von Hein j;, «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 984, nr. 15.

192  Praktische handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijging van 2001, p. 13, nr. 33 (online raadpleegbaar via: https://e-justice.europa.eu/76/EN/taking_of_evidence, laatst geraadpleegd op 14 juli 2025); Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 270, nr. 31. NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 304.

193  NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 304; von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 985, nr. 17.

194  Art. 18 Bewijsverordening.

195  Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 94, nr. 46. Zie ook Nuyts A., «Le Règlement (CE) n° 1206/2001 sur l’obtention de preuves et sa première interprétation communautaire par l’arrêt St Paul Diary» in de Leval G. en Candela Soriano M. (eds.), Espace judiciaire européen: acquis et enjeux futurs en matière civile, Brussel, Larcier, (289) 299-300.

196  Overw. 21 Bewijsverordening. Specifiek hierover Von Hein J., «Digitalisierungsaspekte der neuen Europäischen Beweisaufnahmeverordnung» in Reuss P. en Lass J. (eds.), Göttinger Kolloquien zur Digitalisierung des Zivilverfahrensrechts, Universitätsverlag Göttingen, 2024, 25.

197  NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 308.

198  Art. 12.4 Bewijsverordening.

199  Artikel 15 Bewijsverordening.

200  Overw. 16 Bewijsverordening en Handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijging van 2001, 15-16, nr. 43 (online raadpleegbaar via: https://e-justice.europa.eu/76/EN/taking_of_evidence, laatst geraadpleegd op 14 juli 2025). Zie ook HvJ 17 februari 2011, nr. C-283/09, ECLI:EU:C:2011:85, Werynski, overw. 53.

201  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253)268, nr. 28; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 98; Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 358.

202  Hoewel dit niet wordt gepreciseerd, begint deze termijn redelijkerwijs te lopen vanaf de ontvangst van de kennisgeving volgend op een onvolledig verzoek conform artikel 10 Bewijsverordening (van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 181).

203  Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 90, vn. 94. Hoewel eveneens zou kunnen worden geoordeeld dat het verzoekende gerecht opnieuw een verzoek tot het aangezochte gerecht zou moeten richten, leidt een dergelijke benadering tot een stagnatie in de uitvoering van verzoeken om bewijsverkrijging (van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 182). Omwille van de ratio legis van de Bewijsverordening, die erop is gericht de samenwerking bij grensoverschrijdende bewijsverkrijging te vereenvoudigen en te versnellen, moet dus worden aangenomen dat er geen nieuw verzoek moet worden gericht, zelfs na verloop van 30 dagen.

204  Art. 16.2 Bewijsverordening.

205  Zie over de weigering bij niet-storting van het deposito of voorschot binnen 60 dagen: Jansen R., Legal Privilege and Transnational Evidence-Taking. A Comparative Study on Cross-Border Disclosure, Evidence-Shopping and Legal Privilege, Intersentia, 2022, 63, vn. 308. Zie over de weigering bij gebreke aan aanvulling van het verzoek: van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 176.

206  Art. 16.1 Bewijsverordening; Nuyts A. en Sepulchre J., «Cross-Border Taking of Evidence in the European Judicial area», Tijdschrift@ipr.be 2005, www.ipr.be, afl. 2, (79) 98.

207  NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 304.

208  Jansen R., Legal Privilege and Transnational Evidence-Taking. A Comparative Study on Cross-Border Disclosure, Evidence-Shopping and Legal Privilege, Intersentia, 2022, 63, vn. 309; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 310. Zie ook von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 1015, nr. 7.

209  De Nederlandse rechtbank te Oost-Brabant leidde uit de inhoud van het proces-verbaal van het getuigenverhoor af dat de Belgische rechter het beroep van de getuige op zijn beroepsgeheim had gehonoreerd. Uit het proces-verbaal bleek namelijk niet dat de Belgische rechter de getuige had voorgehouden dat de Belgischer rechter dat beroep niet honoreert en evenmin dat deze de getuige had bevolen om op de gestelde vragen te antwoorden. Zie Rechtbank Oost-Brabant 19 september 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:4591, www.rechtspraak.nl. Voor een ander voorbeeld waarin een getuige voor de Belgische rechter zijn beroepsgeheim heeft ingeroepen, zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2032, www.rechtspraak.nl.

210  Jansen R., Legal Privilege and Transnational Evidence-Taking. A Comparative Study on Cross-Border Disclosure, Evidence-Shopping and Legal Privilege, Intersentia, 2022, 63.

211  Art. 16.3 Bewijsverordening.

212  Swerts K., «Artikel 14 Bewijs-Verord.» in Hansebout A., Couwenberg I. en Vanfraechem L. (eds.), Duiding Internationaal Privaatrecht, Larcier, 2014, (284) 285.

213  Art. 16.4 Bewijsverordening.

214  Handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijging van 2001, 15-16, nr. 43 (online raadpleegbaar via: https://e-justice.europa.eu/76/EN/taking_of_evidence, laatst geraadpleegd op 14 juli 2025); NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 311. Bij een weigering door de Belgische rechtbank van eerste aanleg kan hoger beroep worden aangetekend bij het hof van beroep. Bij een weigering door de FOD Justitie kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State (Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 274, nr. 38).

215  Art. 13.1 j° overw. 18 Bewijsverordening; NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 309.

216  Voor een toepassingsgeval waarin de Nederlandse rechter de Spaanse rechter verzocht om de advocaten van partijen te laten deelnemen aan het verhoor en partijen desgewenst aanwezig te laten zijn bij het verhoor, zie Rechtbank Den Haag 8 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7832, www.rechtspraak.nl.

217  Art. 13.3 j° art. 12 Bewijsverordening. Zie ook overw. 18.

218  Art. 13.2 Bewijsverordening.

219  Art. 13.5 Bewijsverordening.

220  NekroÅ¡ius V., «The taking of evidence in civil proceedings of the European Union», Teka Komisji Prawniczej PAN Oddział W Lublinie (PL) 2020, afl. 1, (299) 309.

221  Art. 13.4 Bewijsverordening.

222  Art. 14.1 j° overw. 19 Bewijsverordening.

223  Art. 14.2 Bewijsverordening.

224  Voor een toepassingsgeval waarin de Spaanse rechter werd verzocht om de rechter-commissaris van de Nederlandse rechtbank te laten deelnemen aan het verhoor, zie Rechtbank Den Haag 8 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7832, www.rechtspraak.nl.

225  Art. 14.3 Bewijsverordening.

226  Art. 14.4 Bewijsverordening j° overw. 18.

227  Art. 14.5 Bewijsverordening.

228  von Hein J., «A.II.2 Verordnung (EG) Nr 1206/2001 des Rates vom 28. Mai 2001 über die Zusammenarbeit zwischen den Gerichten der Mitgliedstaaten auf dem Gebiet der Beweisaufnahme in Zivil- oder Handelssachen» in Rauscher T. (ed.), Europäisches Zivilprozess- und Kollisionsrecht EuZPR / Eu IP. Kommentar, Verlag Dr. Otto Schmidt, 2015, (891) 1033, nr. 1.

229  Onder de oude versie van de Bewijsverordening was de gebruikte terminologie in de Nederlandstalige versie «rechten of kosten». De gebruikte terminologie in overige versies zoals de Franstalige en Engelstalige bleef dezelfde. Het Hof van Justitie definieerde onder de oude versie van de Bewijsverordening rechten als «de door het gerecht voor zijn werkzaamheden in rekening gebrachte kosten» en kosten als «de bedragen [...] die het gerecht tijdens de procedure aan derden betaalt, met name aan deskundigen of getuigen» (HvJ 17 februari 2011, nr. C-283/09, ECLI:EU:C:2011:85, Werynski, overw. 59). Met andere woorden, de begrippen worden niet geïnterpreteerd op basis van het nationale recht.

230  Artt. 22.1 en 22.2 Bewijsverordening.

231  Art. 22.3, lid 2 Bewijsverordening.

232  Art. 22.3, lid 1 Bewijsverordening. Zie ook HvJ 17 februari 2011, nr. C-283/09, ECLI:EU:C:2011:85, Werynski waarin het Hof oordeelde dat een verzoekend gerecht niet kan worden verplicht om een voorschot op de getuigenvergoeding aan het aangezochte gerecht te betalen of om de aan een verhoorde getuige betaalde vergoeding terug te betalen.

233  Art. 19.2 Bewijsverordening.

234  Art. 19.3 Bewijsverordening.

235  Art. 19.1 Bewijsverordening.

236  Art. 19.4 Bewijsverordening.

237  Art. 19.8 Bewijsverordening.

238  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 272-273, nr. 36; Jansen R., Legal Privilege and Transnational Evidence-Taking. A Comparative Study on Cross-Border Disclosure, Evidence-Shopping and Legal Privilege, Intersentia, 2022, 64; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 184.

239  Waar de Bewijsverordening uitdrukkelijk voorziet in de verplichting om binnen de 7 dagen na ontvangst van een verzoek om bewijsverkrijging een ontvangstbewijs te sturen (art. 9.1 Bewijsverordening), maakt de Bewijsverordening slechts melding van een dergelijke verplichting in art. 19.5 Bewijsverordening zonder hieraan evenwel een termijn te koppelen.

240  Art. 19.5 Bewijsverordening.

241  Valdhans J. en Sehnálek D., «The 1970 Hague Evidence Convention, the European Union and the 2001 EU Evidence Regulation - Interfaces» in van Rhee C.H., Evidence in Contemporary Civil Procedure. Fundamental Issues in a Comparative Perspective, Intersentia, 2015, (337) 358.

242  Art. 19.7 Bewijsverordening.

243  Allemeersch B. en Houtmeyers A.-S., «De Bewijsverordening» in Allemeersch B. en Kruger T. (eds.), Handboek Europees Burgerlijk Procesrecht, Intersentia, 2015, (253) 273, nr. 37; Couwenberg I., «Bewijsvergaring in de Europese Unie» in Rutten S. en Vanlerberghe B. (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces / La preuve dans le procès civil, die Keure, 2015, (71) 95, vn. 123; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 185.

244  Jansen R., Legal Privilege and Transnational Evidence-Taking. A Comparative Study on Cross-Border Disclosure, Evidence-Shopping and Legal Privilege, Cambridge, Intersentia, 2022, 65; van het Kaar BJ, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, Kluwer, 2008, 185.

245  Art. 19.4, lid 2 Bewijsverordening.

246  Art. 19.6 Bewijsverordening.

247  Voor een toepassing HvB Brussel 20 februari 2015, Tijdschrift@ipr.be 2015, www.ipr.be, afl. 3, 30, noot Kruger T., i.h.b. pp. 47-48, nr. 6.3.4: verzoek tot organisatie door middel van videoconferentie van een terechtzitting in familiezaken over het recht op persoonlijk contact van de moeder, na eerdere vruchteloze pogingen om die moeder de zitting fysiek te laten bijwonen, met toepassing van artikel artikel 17 van de toenmalige Bewijsverordening, thans artikel 20 van de Bewijsverordening. Zie ook Rechtbank Den Haag 8 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7832, www.rechtspraak.nl: om praktische redenen en om kosten te besparen werd de Spaanse rechter verzocht gebruik te maken van videoconferentiefaciliteiten, zodat partijen, hun advocaten en de rechter-commissaris niet hoeven af te reizen naar Spanje.

248  Art. 20.2, lid 1 Bewijsverordening.

249  Art. 20.1 Bewijsverordening.

250  Art. 20.2, lid 1 Bewijsverordening.

251  Art. 20.2, lid 2 j° overw. 22 Bewijsverordening.

252  Art. 21 Bewijsverordening.

253  Sladič J., «L’obtention de preuves en matière civile et commerciale dans l’espace judiciaire européen: status quaestionis et la réforme envisagée», Revue des affaires européennes 2020, afl. 1, (191) 211.

254  Hierbij valt te denken aan de situatie dat de persoon die wordt verhoord, ernstig ziek is en zich niet kan begeven naar de gebouwen van de diplomatieke missie of het consulaat (overw. 25 Bewijsverordening).

255  Art. 21 Bewijsverordening.