Actualiteit
Coördinatie: Vincent Sagaert en Dirk Scheers
Vernederend asielbeleid en rechtsstatelijk verval: het EHRM houdt België een spiegel voor, en het beeld is niet fraai
Op 9 april 2026 oordeelde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak M.V. en anderen t/ België dat de behandeling die vier asielzoekers in ons land kregen, artikelen 3, 6 en 34 van het EVRM schendt (EHRM 9 april 2026, 52836/22, «M.V. en anderen/België»).
Het arrest van 9 april bouwt voort op het Camara-arrest uit 2023 (EHRM 18 juli 2023, 49255/22, «Camara/België») waarin België veroordeeld werd voor een schending van artikel 6 EVRM. In Camara verplichtte de arbeidsrechtbank de Belgische Staat om de verzoeker opvang te verlenen. De verzoeker kreeg pas 67 dagen na die beslissing een plaats in een opvangcentrum. De verzoekers in M.V. en anderen maakten hetzelfde proces door, maar kregen slechts een plaats in een opvangcentrum, respectievelijk 67 dagen, 147 dagen, 262 dagen en 82 dagen na een beslissing van de arbeidsrechtbank.
Hoewel in Camara de klachten over artikel 3 EVRM als onontvankelijk werden verworpen, wordt België in M.V. en anderen voor het eerst veroordeeld voor een schending van artikel 3 EVRM in het kader van zijn asielbeleid. De omstandigheden waarin de vier asielzoekers in kwestie maandenlang op straat moesten leven, in afwachting van een plaats in een opvangcentrum, worden door het Hof als een onmenselijke en vernederende behandeling bestempeld.
Verder stelt het Hof vast dat het systematische probleem van laattijdige uitvoering of niet-uitvoering van beslissingen van de arbeidsrechtbank, dat in Camara werd vastgesteld, nog steeds bestaat. Het Hof merkt ook fijntjes op dat het in zeven maanden tijd voorlopige maatregelen heeft toegekend aan 1.710 asielzoekers met een vonnis van de arbeidsrechtbank dat door de Belgische Staat genegeerd werd. In die voorlopige maatregelen verplicht het EHRM de Belgische Staat steeds om die vonnissen van de arbeidsrechtbank onmiddellijk uit te voeren. Het Hof stelt in M.V. en anderen in strenge bewoordingen dat de huidige Belgische praktijk, waarbij de interne wetgeving niet wordt nageleefd en de rechterlijke beslissingen die de naleving van die wetgeving bevelen, niet worden uitgevoerd, onverenigbaar is met het beginsel van de rechtsstaat.
Opmerkelijk is dat het Hof bij de vaststelling van de schending van artikel 6 EVRM benadrukt dat de beslissingen van de arbeidsrechtbank voor de vier asielzoekers in kwestie nog steeds niet zijn uitgevoerd. Hoewel de vier asielzoekers tijdens de procedure voor het EHRM wel een plek in een asielcentrum kregen, zijn de dwangsommen waartoe de Staat veroordeeld werd, tot op heden niet betaald. Zo lijkt de redenering van staatssecretaris Anneleen van Bossuyt onderuitgehaald door het Hof. Van Bossuyt wil immers geen dwangsommen betalen aan asielzoekers, omdat ze dat geld liever besteedt aan het creëren van nieuwe plaatsen in asielcentra. Het Hof maakt duidelijk dat het gaat om een en-en-verhaal. Er moeten plaatsen bijkomen in de asielcentra én er moeten dwangsommen betaald worden bij laattijdige uitvoering van de rechterlijke beslissingen.
In het laatste deel van het arrest M.V. en anderen veroordeelt het Hof België ook voor een schending van artikel 34 EVRM, en dit omdat de tijd die verstreken is tussen de uitspraak van de voorlopige maatregelen en de tenuitvoerlegging ervan, niet redelijk was. Het Hof benadrukt ook dat de voorlopige maatregelen voor de vier verzoekers slechts een bevestiging waren van een definitief bevel dat reeds door de nationale arbeidsrechtbank was uitgevaardigd.
Dat België voor het eerst veroordeeld wordt voor een schending van artikel 3 EVRM in het kader van zijn asielbeleid, is een intrieste mijlpaal. Dat het EHRM België er al voor de tweede keer aan moet herinneren dat het uitvoeren van rechterlijke beslissingen een essentieel onderdeel van een democratische rechtsstaat is, is minstens even zorgwekkend. Verbetering voor dat rechtsstatelijk verval lijkt voorlopig niet aan de orde. Van Bossuyt reageerde op de EHRM-uitspraak dat ze iedere euro nodig heeft om in opvang te voorzien, en niet van plan is om de 32.000 euro aan schadevergoedingen die het Hof aan de vier asielzoekers toekende, te betalen (Kelepouris S., «Veroordeeld voor falende asielopvang, maar België betaalt niet: «Als minister heb ik iedere euro nodig om in opvang te voorzien»», De Morgen 13 april 2026). Hoewel het arrest M.V. en anderen dus gerust een mijlpaalarrest genoemd mag worden, lijkt het voor de verzoekers, de opvangcrisis en de rechtsstaat voorlopig bij een pyrrusoverwinning te blijven.
Lena Baeyens