Omschrijving
Recente ontwikkelingen inzake het recht van vruchtgebruik
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1522
Auteur(s)
T. Allaert
Trefwoorden

VRUCHTGEBRUIK

Bijkomende informatie

Recente ontwikkelingen inzake het recht van vruchtgebruik

Tiele ALLAERT

Instituut voor Goederenrecht KU Leuven

De auteur bespreekt, aan de hand van een selectie rechtspraak (2022-2026), de definitie, het voorwerp, de duurtijd, de rechten en verplichtingen van partijen en het einde van het recht van vruchtgebruik.*

A. Inleiding

1. Overzicht van rechtspraak 2022-2026 - Ook na de hervorming van het goederenrecht blijft het recht van vruchtgebruik, ondanks zijn ogenschijnlijk stabiel karakter, aanleiding geven tot talrijke vraagstukken in de rechtspraak en rechtsleer. Op basis van een selectie van recente rechterlijke uitspraken (2022-2026) biedt deze bijdrage een overzicht van enkele actuele ontwikkelingen inzake het vruchtgebruik (art. 3.138-3.166 BW). Achtereenvolgens wordt ingegaan op de definitie en het voorwerp van het recht, de duurtijd ervan, de rechten en verplichtingen der partijen, en ten slotte de beëindiging van het vruchtgebruik. Deze bespreking behandelt het vruchtgebruik in de diverse contexten waarin het een rol speelt, zoals fiscaliteit, mede-eigendom en familiale vermogensstructuren.

B. Definitie

2. (Volstrekt) gebruik en genot - Artikel 3.138, eerste lid BW definieert vruchtgebruik als volgt: «Vruchtgebruik verleent aan zijn titularis het tijdelijk recht op het gebruik en genot van een goed van de blote eigenaar, zoals een voorzichtig en redelijk persoon, in overeenstemming met de bestemming van dat goed en onder de verplichting om het goed bij het einde van zijn recht terug te geven.» Elk element uit deze compacte definitie raakt aan de «harde kern» van dit zakelijk gebruiksrecht, zonder dat partijen die een vruchtgebruik beogen, er contractueel van kunnen afwijken.1 Omgekeerd zijn deze kernelementen vereist opdat een verleend recht als recht van vruchtgebruik zou kunnen kwalificeren, waarbij vooral het verlenen van (het volstrekte) gebruik en genot niet zelden contentieus blijkt in de rechtspraak.

Zo boog het hof van beroep te Antwerpen zich over een contract waarin een grondeigenaar met drie andere partijen was overeengekomen samen naar best vermogen een autobergplaats op te richten, waarbij zij ook samen over de te gebruiken materialen zouden beslissen en de kosten voor onderhoud en herstellingen zouden dragen. Naderhand rees onder andere de vraag of de grondeigenaar een vruchtgebruik had gevestigd ten voordele van de andere contractanten. Het Hof oordeelde dat dit niet het geval was, aangezien het contract de drie andere partijen elk slechts een gebruiksrecht gaf op drie parkeerplaatsen (met de andere ruimte als gezamenlijke bergplaats), de toegang hiertoe beperkte tot de eerste en derde zaterdag van de maand van 14.00 tot 18.00 uur (of na afspraak met de grondeigenaar), en het gebruik ervan beperkte tot specifieke activiteiten. Het contract verleende bijgevolg «niet het recht [...] om op de meest volstrekte wijze van de autobergplaats het genot te hebben», maar betrof daarentegen «een in tijd en ruimte beperkt persoonlijk gebruiksrecht op de gezamenlijk gebouwde autobergplaats».2 Als kanttekening geldt dat «het meest volstrekte gebruik» gereserveerd is voor een erfpacht, terwijl een vruchtgebruik sowieso een beperkter zakelijk recht is.

3. Niet-exclusieve beheersbevoegdheden: schijnvruchtgebruik? - In een andere zaak stelde de rechtbank van eerste aanleg te Namen3 de overheid in het gelijk door te oordelen dat een vruchtgebruiker op basis van artikel 11 jo. 7 WIB belastbaar was op de kadastrale inkomens van de onroerende goederen onderworpen aan het vruchtgebruik, zelfs wanneer deze goederen verhuurd werden door de blote eigenaar (die ook de huurgelden ontving). Volgens de rechtbank was geen sprake van een «fictief» vruchtgebruik, daar de vruchtgebruiker wel degelijk inkomsten ontving van één van de eigendommen. De blote eigenaar had zich er immers via een overdracht van schuldvordering toe verbonden de vruchtgebruiker een jaarlijkse huur te betalen die overeenstemde met de totale jaarlijkse belastingen verschuldigd door de vruchtgebruiker.

4. Behoud zakelijk recht van bewoning - In het tweede lid van artikel 3.138 BW opteerde de wetgever ervoor het zakelijk recht van bewoning te behouden als een beperktere variant van het vruchtgebruik en hier zelfs een wettelijk vermoeden aan te koppelen: «Een recht van bewoning wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed een onoverdraagbaar recht van vruchtgebruik te zijn dat beperkt is tot wat als woning noodzakelijk is voor de titularis van het recht en zijn gezin,» waarbij «behoudens tegenbewijs» wijst op de blijvende mogelijkheid om voor een persoonlijk (i.p.v. zakelijk) recht van bewoning te opteren. Reeds onder toepassing van het oude recht beschouwde onder andere de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen te Gent het zakelijk recht van bewoning als een «minivruchtgebruik».4

C. Voorwerp

5. Zakelijk recht van bewoning heeft betrekking op lichamelijke totaliteit - Het recht van vruchtgebruik kan als enige zakelijke gebruiksrecht betrekking hebben op alle (roerende en onroerende, lichamelijke en onlichamelijke) goederen die in de handel zijn.5 Hieronder vallen onder meer ook algemeenheden6, soortgoederen7, openbare domeingoederen8 en verbruikbare goederen9. Bij deze laatste categorie was naar oud recht sprake van een zogenaamd «quasi-vruchtgebruik».10

Anders dan een recht van vruchtgebruik kan een zakelijk recht van bewoning enkel betrekking hebben op een lichamelijk en voor bewoning vatbaar goed.11 De rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen te Gent12 bevestigde dat dit recht (net als een vruchtgebruik) bij een titel zoals een testament gevestigd kan worden. In casu faalde het recht van bewoning echter aangezien de testator ten tijde van zijn overlijden slechts over een onverdeeld aandeel in het als woning bedoelde onroerend goed beschikte.

6. Overwaardering vruchtgebruik kan leiden tot voordeel van alle aard - De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen13 boog zich over een zaak waarin, via een gesplitste aankoop, eisers de blote eigendom en hun vennootschap gelijktijdig het vruchtgebruik van enkele percelen landbouwgrond hadden gekocht. De belastingadministratie achtte het vruchtgebruik overgewaardeerd volgens een foutieve waarderingsmethode en besloot tot een voordeel van alle aard in hoofde van de eisers. Het hof herhaalde vooreerst dat het bepalen van de economische waarde van een vruchtgebruik geen exacte wetenschap uitmaakt, zodat verschillende waarderingsmethodes tot verschillende resultaten kunnen leiden. In elk concreet geval dient onder meer rekening te worden gehouden met de staat van het bezwaarde goed, de nog uit te voeren werken, de kosten verbonden aan de vestiging van het zakelijk gebruiksrecht, alsook de manier waarop de vruchtgebruiker het goed aanwendt (de werkelijke bestemming van het goed).

De bewijslast van enige overwaardering ligt bij de administratie, die moet aantonen dat de door de belastingplichtige gehanteerde waardebepaling niet overeenstemt met de economische realiteit en niet tot een marktconforme prijs kan leiden. Bijgevolg volstaat het niet louter te illustreren dat een andere waarderingsmethode tot een lagere waarde had geleid. In casu had een landbouwexpert het vruchtgebruik gewaardeerd op grond van een gewogen gemiddelde van de waardering op grond van i) werkelijke opbrengst van de activiteit die de vennootschap op de gronden ontplooide, ii) een cultuurcontract en iii) de jaarlijkse huurwaarde van de bezwaarde goederen. Aangezien de belastingadministratie niet aanwees wat zij concreet verkeerd achtte aan de gehanteerde methode en parameters, faalde zij in haar bewijslast aan te tonen dat de waardebepaling van eisers niet overeenstemt met de economische realiteit. Bovendien ging de administratie in haar berekening uit van pachtprijzen, terwijl de huurwaarde van de gronden (gelet op de bestemming als intensief pluimveebedrijf) niet op pachtwetgeving kan steunen.

D. Duurtijd

7. Inherent precair en tijdelijk recht: fiscale aspecten - Het recht van vruchtgebruik is van nature precair aangezien het in geen geval kan voortbestaan na het overlijden van de natuurlijke persoon op wiens hoofd het is gevestigd, ook al hebben partijen het recht voor bepaalde (maximaal 99 jaar)14 of onbepaalde duur gevestigd.15 Is de oorspronkelijke vruchtgebruiker een rechtspersoon, dan vormen de faillietverklaring en de (vrijwillige, wettelijke of gerechtelijke) ontbinding een absolute beëindigingsgrond die het zakelijk gebruiksrecht doet uitdoven voordat de overeengekomen duurtijd verstreken is.16 Miskennen partijen deze wettelijke maximumduur, dan wordt het vruchtgebruik van rechtswege geconverteerd in een vruchtgebruik van 99 jaar.17

Binnen de oorspronkelijke termijn is verlenging van het vruchtgebruik evenwel mogelijk voor zover dit niet leidt tot een overschrijding van de maximumduur.18 In dit opzicht oordeelde het Hof van Cassatie19 (als bevestiging van een arrest van het hof van beroep te Gent20) recent dat een dergelijke verlenging slechts een modaliteit (de duurtijd) van het oorspronkelijke vruchtgebruik wijzigt en geen bijkomende overdracht van een zakelijk recht met zich meebrengt, waardoor het contract tot verlenging geen «overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen» vormt die op grond van artikel 2.9.1.0.1 VCF onderworpen is aan registratierechten.21 Dit is evenwel anders bij een hernieuwing van een recht van vruchtgebruik.22 Dit arrest, dat de civielrechtelijke principes juist toepast, geeft aanleiding tot veel rechtsonzekerheid, met name over de vraag of het ook transponeerbaar is op erfpacht- en opstalrechten.

Voorts is evident dat een vruchtgebruiker-vennootschap die werken heeft uitgevoerd aan het bezwaarde goed, de hieraan verbonden kosten slechts kan afschrijven over een periode die de duurtijd van het recht van vruchtgebruik niet kan overschrijden. Het is immers onmogelijk om de kosten van een vruchtgebruik verder te boeken nadat het is verstreken en het af te schrijven goed dus niet meer bestaat.23

E. Rechten van partijen

1. Ten aanzien van het zakelijk recht

8. Beperkingen en gevolgen der beschikkingsbevoegdheid van vruchtgebruiker en blote eigenaar - De eigenaar van een recht van vruchtgebruik heeft zowel het gebruik, het genot, als de beschikking van dit recht. Een vruchtgebruiker kan over zijn recht beschikken door het over te dragen, het te bezwaren met een zakelijk zekerheidsrecht of er een vruchtgebruik op te vestigen (mits inachtneming van de grenzen van zijn recht, zoals de maximumduur).24 Na overdracht aan een derde blijft de duurtijd van het vruchtgebruik evenwel verbonden aan het leven van de initiële vruchtgebruiker.25 Deze oorspronkelijke vruchtgebruiker blijft bovendien samen met de overnemer hoofdelijk gehouden tegenover de blote eigenaar voor de verbintenissen die de tegenprestatie vormen voor de vestiging van het recht en na de overdracht opeisbaar worden.26 Op deze principiële beschikbaarheid van het recht van vruchtgebruik gelden evenwel twee uitzonderingen. Ten eerste kunnen ouders niet beschikken over hun wettelijk vruchtgenot van de goederen van hun minderjarige kinderen, aangezien het verbonden is aan de hoedanigheid van ouder.27 Ten tweede is ook een zakelijk recht van bewoning (een beperkter type vruchtgebruik) uit zijn aard onoverdraagbaar.28 Daarnaast kunnen partijen steeds contractueel de beschikkingsbevoegdheid van de vruchtgebruiker over zijn recht beperken of uitsluiten29, hoewel een dergelijk beding geen zakelijke werking geniet30 en slechts geldig is voor zover het beperkt is in de tijd en beantwoordt aan een rechtmatig belang.31

Ook de blote eigenaar kan als eigenaar over zijn blote eigendomsrecht beschikken32 door het over te dragen aan derden of het te bezwaren met zakelijke zekerheidsrechten. Uiteraard wordt het goed daardoor niet bevrijd van het vruchtgebruik. Gelet op de subjectieve exclusiviteit van het recht van vruchtgebruik kan de blote eigenaar zijn recht dan ook niet bezwaren met zakelijke gebruiksrechten op een wijze die tegenwerpelijk is aan de vruchtgebruiker.33

Een en ander wordt geïllustreerd door een recent arrest van het hof van beroep te Gent,34 waarin zowel blote eigenaars als vruchtgebruiker over hun recht hadden beschikt. Een vader had de blote eigendom van zijn appartement aan de drie kinderen uit zijn eerste huwelijk geschonken onder voorbehoud van vruchtgebruik en met de last voor de begunstigden om een levenslang recht van bewoning te verlenen aan de kinderen uit het volgende huwelijk van de schenker indien deze hem zouden overleven. Jaren later werd uitvoerend beslag gelegd op het onverdeeld aandeel van een van eerstgenoemde kinderen in de blote mede-eigendom van het appartement, wat aanleiding gaf tot een vereffening-verdeling van de onverdeeldheid tussen de mede-eigenaars en de verkoop van het appartement. De schenker kwam hierbij tussen als vruchtgebruiker en stemde in met een vrijwillige verkoop van zijn vruchtgebruik. Aangezien bij deze verkoop geen melding werd gemaakt van enige last (het recht van bewoning) en de kinderen uit het latere huwelijk het derdenbeding in de schenkingsakte (nog) niet hadden aanvaard, oordeelde het hof dat de schenker, door zijn vrijwillige akkoord ook het vruchtgebruik te verkopen, «minstens op impliciete wijze [had] verzaakt aan de last die hij had opgelegd aan de begiftigden van zijn schenking».35 De drie begiftigden van de schenking konden immers «nooit nog volle eigenaar worden van het appartement. Ze konden dan ook onmogelijk nog aan de derde begunstigden een recht van bewoning (dat immers gekoppeld is aan het recht op gebruik en genot van het goed) verlenen».36

9. Verdeling van (asymmetrische) onverdeeldheid? - Een onverdeeldheid, waarbij meerdere personen tegelijk rechten van eenzelfde aard op eenzelfde goed uitoefenen,37 kan zowel betrekking hebben op het eigendomsrecht als op een zakelijk gebruiksrecht (zoals vruchtgebruik, opstal of erfpacht), althans tussen de respectieve begunstigden van een dergelijk recht. Van groot belang hierbij is dat een onverdeeldheid zich slechts kan voordoen tussen concurrerende (en niet-complementaire) zakelijke rechten.38 Zo bevestigde de familierechtbank van Waals-Brabant39 dat geen sprake kan zijn van een onverdeeldheid met betrekking tot de gezinswoning van een erflater tussen zijn overlevende wettelijk samenwonende partner die het wettelijk vruchtgebruik heeft verkregen en de wettelijke erfgenaam van de blote eigendom.40 Praktisch gevolg hiervan is dat geen verdeling kan worden gevorderd op grond van artikel 3.75 BW.41

Heeft de onverdeeldheid voor de ene deelgenoot betrekking op een eigendomsrecht en voor de andere op een beperkt zakelijk recht, dan is er sprake van een zogenaamde «asymmetrische onverdeeldheid».42 Dit was het geval in de zonet aangehaalde zaak,43 aangezien de rechter het daar heel waarschijnlijk achtte dat de overledene en zijn partner gelet op hun huishouden onverdeelde eigenaars waren van minstens de roerende inboedel, waardoor na overlijden onverdeeldheid zou ontstaan zijn ten belope van de blote eigendom van de wettelijke erfgenaam.44 Op dezelfde wijze is sprake van asymmetrische onverdeeldheid wanneer een partij een vierde in volle eigendom en drie vierden in vruchtgebruik heeft en de andere twee partijen houder zijn van de overeenkomstige drie vierden blote eigendom.45 Bij toevallige onverdeeldheden is vervolgens telkens artikel 3.75 BW van toepassing, waardoor elkeen de verdeling ervan kan vorderen, zij het dat de verkoop van het goed de omvang van de onverdeeldheid niet kan overschrijden en beperkt is tot de blote eigendom.46 Ondanks een tegenstrijdige uitspraak van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel47 bevestigde het Hof van Cassatie48 het meerderheidsstandpunt dat deze asymmetrische onverdeeldheid erkent. Bovendien erkent een meerderheid ook het bestaan van een onverdeeldheid (op vlak van gebruik en genot) tussen een partij die volle eigenaar is voor de ene helft en blote eigenaar voor de andere, en een partij die vruchtgebruiker is voor de helft, waarbij evenwel opnieuw niet de verdeling in volle eigendom kan worden bevolen.49

2. Ten aanzien van het bezwaarde goed

10. Daden van beschikking buiten bevoegdheid vruchtgebruiker: mogelijkheid functionele beschikkingsbevoegdheid - Onbetwist is dat een vruchtgebruiker mag beschikken over de met vruchtgebruik bezwaarde goederen voor zover dit de grenzen van zijn bevoegdheden en de duurtijd van het vruchtgebruik niet overschrijdt, bijvoorbeeld via het vestigen van een ondervruchtgebruik of een opstalrecht.50 Daarnaast bevestigt artikel 3.148 BW echter dat een vruchtgebruiker in bepaalde situaties, als uitzondering op het nemo plus-beginsel, ook buiten zijn bevoegdheden kan beschikken over de goederen onderworpen aan het vruchtgebruik. Dit is onder meer mogelijk wanneer zulks in overeenstemming is met de bestemming van de bezwaarde goederen ten tijde van de vestiging én kadert binnen een voorzichtig en redelijk beheer.51

Aan de eerste voorwaarde is onder meer voldaan wanneer zulks contractueel wordt overeengekomen. Zo oordeelde het vredegerecht van Seneffe52 recent dat in het kader van een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik van aandelen aan een minderjarige een functioneel beschikkingsrecht voor de vruchtgebruiker kan worden bedongen, voor zover dit recht voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.148 BW en de vruchtgebruiker het uitoefent in het gemeenschappelijk belang der partijen. Terecht merkt de vrederechter op dat dit functioneel mandaat, net zoals elke andere beschikking over goederen van minderjarigen, machtiging van de vrederechter vereist.53

11. Opzegging pacht wegens persoonlijke exploitatie mogelijk door vruchtgebruiker van gesplitste aankoop (mits medeondertekening door blote eigenaar?) - Een bijzonderheid doet zich voor in verhouding met het pachtrecht. Hoewel een verpachter een pacht normaliter kan opzeggen op grond van de intentie het gepachte goed persoonlijk te exploiteren54, kan deze opzeggingsgrond volgens het Vlaams Pachtdecreet niet worden aangevoerd door de eigenaar van een conventioneel gevestigd recht van vruchtgebruik («gevestigd onder levenden door de wil van de mens»).55 In het andere geval zou een verpachter een vruchtgebruik kunnen vestigen op een verpacht goed met de bedoeling dit goed op het einde van dit gebruiksrecht terug te nemen vrij van enige pacht. Hiertoe kan de verpachter een vruchtgebruiker selecteren met de nodige kwalificaties om het goed zelf te exploiteren (en dus de pacht op te zeggen). Aldus vermijdt voormelde bepaling omzeiling van de strikte opzeggingsregeling bij pacht. Het Hof van Cassatie56 verduidelijkte recent dat deze uitsluiting van vruchtgebruikers, veeleer dan elke (conventionele) vruchtgebruiker in het algemeen te viseren, beperkt is tot die gevallen waarin misbruik door de blote eigenaar-verpachter mogelijk is. In casu oordeelde het Hof, in tegenstelling tot de appelrechter, dat de uitsluiting niet geldt voor een vruchtgebruiker die samen met de blote eigenaar het verpachte goed heeft aangekocht van een vorige eigenaar-verpachter, aangezien in dat geval geen sprake zou zijn van enig risico voor misbruik.

De vraag rijst of de opzegging van de pacht in een dergelijk geval moet uitgaan van blote eigenaar en vruchtgebruiker samen, of enkel van de vruchtgebruiker. Hoewel het tweede het meest logisch lijkt op grond van het recht van gebruik en genot dat de vruchtgebruiker geniet op het verpachte goed,57 stelde de rechtbank van eerste aanleg te Henegouwen (afdeling Charleroi) recent als vereiste voor een geldige opzegging dat deze ondertekend dient te zijn door alle blote eigenaars en vruchtgebruikers van het verpachte goed in kwestie.58 Daarnaast kan men zich afvragen of bij gesplitste aankopen werkelijk geen omzeilingsgevaar voorhanden kan zijn, aangezien ook dan een constructie denkbaar lijkt om het goed vrij van pacht aan een koper-blote eigenaar te bezorgen die zelf niet over de kwalificaties voor persoonlijke exploitatie beschikt.

F. Verplichtingen van partijen

12. Vruchtgebruik op geldsom noopt tot dynamische belegging - Heeft het vruchtgebruik betrekking op verbruikbare goederen, dan verleent artikel 3.148, eerste lid, 3° BW de vruchtgebruiker de bevoegdheid hierover te beschikken, mits inachtneming van de teruggaveplicht in artikel 3.159 BW. Betreft het bezwaarde goed een geldsom, zijnde een verbruikbaar soortgoed, dan legt artikel 3.162, tweede lid BW als bijzondere verplichting de vruchtgebruiker op om dit geld te beleggen of het te besteden in het belang van de overige aan het vruchtgebruik onderworpen goederen, weliswaar met de instemming van de blote eigenaar.

Het vredegerecht van Nijvel59 merkte in dit verband op dat, gelet op de inflatie, enkel een dynamische belegging in aandelen toelaat de relatieve waarde van het kapitaal van de blote eigenaar te vrijwaren en ondertussen inkomsten voor de vruchtgebruiker te genereren. Aangezien de blote eigendom van deze som deels toekwam aan minderjarigen, was bovendien machtiging van de vrederechter vereist om de gelden te beleggen in een effectenportefeuille voornamelijk bestaande uit aandelen. De vrederechter stemde in onder enkele voorwaarden, zoals het beleggen volgens een dynamisch risicoprofiel bij een gerenommeerde bank in het kader van gediversifieerde beleggingsfondsen, alsook de opening van een afzonderlijke rekening bij een dergelijke bank, waarvan tijdens de minderjarigheid geen sommen kunnen worden afgehaald zonder rechterlijke machtiging.60

13. Rekenschapsplicht bij beschikking over met vruchtgebruik bezwaard geld? - Naar voormalig recht geldt dat de vruchtgebruiker van een geldsom (het vroegere «quasi-vruchtgebruik») bevoegd is tot beschikking, onder de verplichting op het einde van zijn gebruiksrecht een equivalent bedrag aan de blote eigenaar te restitueren. Het hof van beroep te Bergen61 oordeelde recent dat hoewel deze teruggaveplicht noopt tot een beschrijving van het ontvangene bij aanvang van het vruchtgebruik, de vruchtgebruiker geenszins rekenschap en verantwoording tegenover de blote eigenaar is verschuldigd tijdens de looptijd van het vruchtgebruik. Eventuele verrekeningen dienen plaats te vinden bij de beëindiging van het vruchtgebruik. Het nieuwe recht hanteert een meer genuanceerde benadering, onder meer door de verplichting van de vruchtgebruiker om eenmaal per jaar de blote eigenaar op diens verzoek te informeren van de goederen die niet meer aanwezig zijn en welke daarvoor in de plaats zijn gekomen,62 alsook de verplichting om voor de reeds besproken beleggingen en investeringen instemming van de blote eigenaar te verkrijgen63.

14. Conventionele grove herstellingsplicht vruchtgebruiker kan als sui generis- verbintenis geen aanleiding geven tot vervallenverklaring - Hoewel een vruchtgebruiker in beginsel enkel instaat voor de uitvoering van onderhoudsherstellingen ten aanzien van het bezwaarde goed, kan hij op grond van artikel 3.154, § 3 BW eveneens door de blote eigenaar worden aangesproken tot een bijdrage in de kosten van grove herstellingen uitgevoerd door deze laatste, hetgeen een voorname innovatie van het nieuwe goederenrecht betreft. Het hof van beroep te Antwerpen64 boog zich recent over een zaak waarin vruchtgebruiker en blote eigenaar daarenboven waren overeengekomen dat deze eerste tevens zou instaan voor de uitvoering van grove herstellingswerken. Het hof benadrukte dat de niet-naleving hiervan door de vruchtgebruiker niet tot de vervallenverklaring van het vruchtgebruik op grond van artikel 3.16, 4° BW kan leiden, aangezien deze sanctie enkel geldt voor niet-nakoming van verbintenissen als vruchtgebruiker, terwijl de verbintenis tot uitvoering van grove werken veeleer een sui generis-verbintenis betreft «die de verplichtingen als vruchtgebruiker overstijg[t]».65 In casu kon het hof het vruchtgebruik toch vervallen verklaren, maar dan wegens miskenning van de verplichting tot onderhoud van het bezwaarde goed, aangezien de vruchtgebruiker het goed (een woning) had verlaten en reeds enige tijd niet had verwarmd of onderhouden. Hierdoor was sprake van een ««misbruik» van het genot, waarbij het verval/waardeverlies van de met het vruchtgebruik bezwaarde onroerend goed [...] onvermijdbaar en dus zeker is».66

Voorts benadrukte het hof de verregaande, maar contextgevoelige aard van de vervallenverklaring als sanctie, op grond waarvan het volgens het hof kennelijk onredelijk zou zijn om de vruchtgebruiker ook nog eens aansprakelijk te stellen voor enige schadevergoeding of herstelkost, ook aangezien de blote eigenaar er niet in slaagde te bewijzen dat de slechte staat van het goed volledig door de vruchtgebruiker was veroorzaakt (wegens het ontbreken van een beschrijvende staat van de woning ten tijde van de vestiging van het vruchtgebruik).

15. Lastenverdeling in de context van een appartementsmede-eigendom - In de besproken periode behandelden enkele vonnissen uitdrukkelijk de herstellingsplichten van vruchtgebruiker en blote eigenaar wanneer het bezwaarde goed onderworpen is aan het regime van de appartementsmede-eigendom (art. 3.84-3.100 BW). Enkele worden hierna kort aangehaald.

Wanneer het vruchtgebruik betrekking heeft op een kavel in een appartementsmede-eigendom, is enige conventionele lastenverdeling tussen blote eigenaar en vruchtgebruiker niet tegenwerpelijk aan de vereniging van mede-eigenaars, aangezien beide partijen op grond van artikel 3.86, § 3, zevende lid BW hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van deze lasten.67

Het geschil tussen een vruchtgebruiker-mede-eigenaar en de blote mede-eigenaar betreft geen discussie tussen mede-eigenaars en geen geschil inzake mede-eigendom, hetgeen bepalend kan zijn voor de materiële bevoegdheid van rechtbanken.68 In casu betrof het een vordering van de vruchtgebruiker tegen de blote eigenaar inzake diens bijdrage in de grove herstellingskosten.

In een andere zaak69 (onder toepassing van het oude recht) kwamen partijen overeen dat de vruchtgebruikster het reservekapitaal van de vereniging van mede-eigenaars zou spijzen, met dien verstande dat de blote eigenaar de bedragen zou terugbetalen die daaruit werden aangewend voor grove herstellingen. Later ontstond tussen partijen discussie omtrent de al dan niet grove aard van bepaalde door de vereniging van mede-eigenaars uitgevoerde herstellingswerken. Het vredegerecht benadrukte dat niet alle «niet-periodieke uitgaven»70 waarvoor een reservefonds wordt aangelegd, per definitie grove herstellingen betreffen. Zo werd dit kapitaal tevens aangewend voor het onderhoud van de liften, het aanbrengen van grind op de parking, het vellen en ontwortelen van een boom, het installeren van een nieuw alarmsysteem in de stookruimte en de herstelling van een schoorsteen (wat allemaal onderhoudswerken betrof). Werden daarentegen wel als grove herstellingen aangemerkt: de hernieuwing en isolatie van het dak, de volledige renovatie van de voorbalkons, de thermische isolatie van de buitengevels en de vervanging van de warmteketels van het gebouw. De kosten van deze laatste werken moesten dan ook door de blote eigenaar terugbetaald worden.

16. Verbeteringswerken vruchtgebruiker als indirecte schenking - Twee recente Franse arresten behandelen de vraag of sprake kan zijn van een indirecte schenking (vatbaar voor inkorting bij de vereffening-verdeling van de nalatenschap van de vruchtgebruiker) door een vruchtgebruiker-erflater die de waarde van het bezwaarde goed heeft verhoogd zonder recht te hebben op enige vergoeding vanwege een blote eigenaar-erfgenaam.

De zaak betrof een vruchtgebruikster-erflater die meerdere werken had gefinancierd op onroerende goederen die via een «donation-partage»71 in blote eigendom verdeeld waren tussen haar kinderen. Ten gevolge van de elasticiteit het eigendomsrecht werden twee dochters na afloop van het vruchtgebruik door de andere erfgenamen ervan beschuldigd een indirecte schenking te hebben ontvangen. Het hof van beroep van Dijon72 oordeelde met betrekking tot een eerste goed dat de werken (ten belope van 3,8 miljoen euro) geen indirecte schenking vormden, aangezien deze de vruchtgebruikster toelieten het goed te verhuren, substantiële huurinkomsten te ontvangen en fiscale voordelen te genieten. Dit rechtstreeks economisch persoonlijk belang werd geacht een intentie om te schenken uit te sluiten. Met betrekking tot een tweede goed (in de verdelingsakte geschat op 15.000 euro) werd in totaal voor 922.843 euro werken uitgevoerd. Van deze som werd een bedrag van 262.345 euro, dat grove herstellingskosten betrof (en dus ten laste van de blote eigenaar was), door het hof beschouwd als indirecte schenking. Opvallend is echter dat ook de overige 660.498 euro aan inrichtingswerken, hoewel ten laste van de vruchtgebruikster, als indirecte schenking kwalificeerde. Het hof steunde deze visie op het feit dat de werken aan het tweede goed betrekking hadden op het bewoonbaar maken van een conciërgewoning, hetgeen niet wettelijk verplicht was door enige verhuur en geen vooruitzicht van economisch rendement bood aan de vruchtgebruikster, die zich bijgevolg vrijwillig had verarmd vanuit een vrijgevigheidsoogmerk.

Het Franse Hof van Cassatie73 bevestigde deze uitspraak door te oordelen dat het feit dat werken wettelijk tot de lasten van een vruchtgebruiker behoren, op zichzelf niet uitsluit dat in hoofde van deze vruchtgebruiker een animus donandi bestaat ten voordele van de blote eigenaar. Doorslaggevend voor de kwalificatie als inbrengplichtige schenking is daarentegen of de werken wettelijk verplicht zijn (bijvoorbeeld door een verhuring) en of de vruchtgebruiker er een tegenprestatie in zijn voordeel uit weet te halen.

Het Belgische regime voorziet, meer dan het Franse, in bijdrage- en vergoedingsplichten tussen beide partijen (weliswaar van aanvullend recht). Zo werd reeds aangehaald hoe de financiële last van grove herstellingen uitgevoerd door de blote eigenaar voortaan in beginsel proportioneel mee wordt gedragen door de vruchtgebruiker.74 Ook waar partijen dergelijke herstellingen conventioneel onderbrengen bij de verbintenissen van de vruchtgebruiker, bepaalt de vestigingsakte doorgaans dat de vruchtgebruiker jaarlijks75 of na afloop van het vruchtgebruik76 terugbetaling kan vorderen van de blote eigenaar. Daarnaast kan de vruchtgebruiker die bouwwerken en beplantingen aanbrengt op het bezwaarde goed, onder bepaalde voorwaarden bij het einde van zijn gebruiksrecht vergoeding vorderen van de blote eigenaar.77

Laat de vruchtgebruiker na een hem toekomende vordering uit te oefenen, dan kunnen zijn schuldeisers een zijdelingse vordering instellen. Na overlijden van de vruchtgebruiker maakt enige hem toekomende vordering deel uit van zijn onverdeelde nalatenschap.

Heeft de vruchtgebruiker-erflater echter geen recht heeft op vergoeding voor gemaakte kosten,78 bijvoorbeeld doordat deze betrekking hebben op onderhoudsherstellingen of inrichtingswerken ten laste van de vruchtgebruiker (het voornaamste twistpunt van de besproken arresten) of op bouwwerken opgericht zonder toestemming van de blote eigenaar,79 dan lijkt een kwalificatie als indirecte schenking niet ondenkbaar wanneer een animus donandi en de in de Franse rechtspraak aangehaalde handvaten voorhanden zijn (geen wettelijke verplichting, geen economische tegenprestatie of nut, ...). Dit lijkt a fortiori te moeten gelden wanneer vruchtgebruiker en blote eigenaar conventioneel de kosten van grove herstellings- of verbeteringswerken bij de vruchtgebruiker hebben gelegd zonder enig vergoedingsrecht.

G. Einde van het vruchtgebruik

17. Beperkingen aan de omzetting van het vruchtgebruik - Artikel 3.161 BW80 bepaalt dat zowel vruchtgebruiker als blote eigenaar bij de rechtbank de omzetting van een wettelijk vruchtgebruik kunnen vorderen in volle eigendom, een som geld of een rente (of een combinatie van deze omzettingsmodaliteiten, daar omzetting deelbaar is).81 De rechter, gebonden door het beschikkingsbeginsel, kan deze omzettingswijze evenwel niet zelf bepalen, waardoor de keuze uitsluitend aan de eiser toekomt.82 Maakt de eiser geen dergelijke (zelfs impliciete) keuze, dan moet de rechter de vordering afwijzen wegens onontvankelijkheid.83

Zelfs indien wel een keuze werd gemaakt, maakt de omzetting van een wettelijk vruchtgebruik geen subjectief recht uit, waardoor de rechter in afwezigheid van akkoord tussen partijen over een discretionaire bevoegdheid beschikt inzake de toekenning ervan.84 Hierbij houdt de rechter, zo herinnert het hof van beroep te Brussel,85 met name rekening met de billijkheid en de belangen van alle partijen, om onverantwoorde voor- of nadelen te vermijden. De omzetting, die werd gemotiveerd vanuit het ondervangen van enerzijds mogelijke economische nadelen van een vruchtgebruik en anderzijds spanningen tussen vruchtgebruiker en blote eigenaar,86 werd in casu door de rechter op gemotiveerde wijze geweigerd. Zo waren er onder meer geen economische nadelen verbonden aan het vruchtgebruik en kon een omzetting in een aandeel volle eigendom leiden tot verlies van onroerend patrimonium met nog hevigere spanningen tussen partijen tot gevolg. In een andere zaak werd de omzetting onbillijk geacht omdat de bejaarde vruchtgebruikster, die reeds haar hele leven in het betrokken goed heeft gewoond, slechts over lage inkomsten beschikt.87 Omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot op investeringsgoederen (niet de gezinswoning) werd ondanks de hoge leeftijd van de vruchtgebruiker wel toegewezen, aangezien het zijn financiële toestand niet in gevaar bracht.88

Een dergelijke discretionaire bevoegdheid geldt eveneens89 binnen het bijzondere regime voor de omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot (art. 4.60-4.64 BW), dat overigens geldt voor elk (niet enkel wettelijk) door deze verkregen vruchtgebruik.90 Deze langstlevende echtgenoot beschikt conform artikel 4.61, § 7 BW evenwel over een vetorecht met betrekking tot de omzetting van het vruchtgebruik op het onroerende goed (inclusief huisraad) dat ten tijde van het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende. Het hof van beroep te Antwerpen91 oordeelde dat «de kwalificatie en effectieve bestemming als gezinswoning moet voorhanden zijn aan de zijde van de langstlevende echtgenoot-vruchtgebruiker»,92 waardoor niet voldoende was dat het goed bij het openvallen van de nalatenschap werd bewoond door de dochter en echtgenoot van de langstlevende echtgenote. Deze laatste gaf het goed pas na het overlijden van haar echtgenoot een gezinsbestemming door er dan samen met haar kind in te trekken.

Ten slotte is de omzetting van het recht van vruchtgebruik niet verenigbaar met de sanctie van gerechtelijke vervallenverklaring van het recht van vruchtgebruik op grond van artikel 3.16, eerste lid, 4° BW, aangezien de vervallenverklaring reeds een vorm van «omzetting» van het vruchtgebruik uitmaakt, zij het zonder enige vergoeding voor de vruchtgebruiker.93

18. Vereniging blote eigendom en vruchtgebruik vormt geen overdracht - Een moeder die een door haar verhuurd onroerend goed met voorbehoud van vruchtgebruik had geschonken aan haar dochter koos er na diverse problemen met de huurster voor om afstand te doen van haar recht van vruchtgebruik, waardoor haar dochter volle eigenaar werd. De dochter wenste zich vervolgens te beroepen op artikel 63 Waals Woninghuurdecreet, dat een verhuurder aan wie het goed minder dan drie maanden geleden werd overgedragen, toelaat de huur op te zeggen met een opzegtermijn van drie in plaats van zes maanden (in dit geval voor grondige renovatiewerken conform artikel 55, § 3 van datzelfde decreet). Het vredegerecht van Binche94 oordeelde terecht dat verhuurster zich hier niet op kon beroepen, aangezien de vereniging van vruchtgebruik en blote eigendom in hoofde van dezelfde persoon (ten gevolge van de elastische werking van het eigendomsrecht) niet kwalificeert als een «overdracht» van eigendom. Ook de bescherming van derde-gebruikers in artikel 3.145 BW was niet van toepassing, aangezien het vruchtgebruik niet was geëindigd door overlijden van de vruchtgebruikster.

H. Slot

19. Ten uitgeleide - Uit de hierboven besproken rechtspraak blijkt dat het recht van vruchtgebruik, ondanks zijn lange traditie, een in de praktijk bijzonder veelzijdig en dynamisch zakelijk gebruiksrecht blijft. Het geschetste overzicht van recente ontwikkelingen inzake dit recht maakt duidelijk dat deze multi-inzetbaarheid tevens een zekere graad van complexiteit met zich meebrengt. Ook na de recente hercodificatie van het gebruiksrecht in Boek 3 Burgerlijk Wetboek blijft dan ook een cruciale rol weggelegd voor hoven en rechtbanken bij de concrete invulling en afbakening van de wettelijke bepalingen en bij de verdere verfijning van het evenwicht tussen vruchtgebruiker en blote eigenaar.

1 * Deze tekst is gebaseerd op een eerdere bijdrage van de auteur over het recht van vruchtgebruik in Themis 2025-2026 nr. 135 Vastgoedrecht Art. 3.1 BW.

2  HvB Antwerpen 24 januari 2022, TBBR 2023, afl. 6, 308.

3  Rb. Namen (afd. Namen) (burg.) (11e k. B) 10 maart 2022, FJF 2023, afl. 9, 391.

4  Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Gent) 20 juni 2022, RW 2023-24, afl. 2, 64.

5  Art. 3.139 BW.

6  Art. 3.139 jo. 3.165 BW. Met betrekking tot een vruchtgebruik op een volledige nalatenschap: HvB Antwerpen (familiekamer) 23 mei 2023, RW 2023-24, afl. 32, 1275.

7  Art. 3.162 BW. Zie bijvoorbeeld inzake een vruchtgebruik met betrekking tot geld: Vred. Nijvel 7 juli 2022, RPP 2022, afl. 4, 346.

8  Voor zover verenigbaar met de openbare bestemming van dat goed: art. 3.45, tweede lid in fine BW.

9  Art. 3.148, eerste lid, 3° jo. 3.159 BW.

10  Zie recent: HvB Bergen (34e k.) 4 december 2023, Rev.not.b. 2024, afl. 3194, 524.

11  Uitzonderlijk kan dit ook een roerend goed zijn, zoals blijkt uit de regelgeving voor schepen: artikel 2.2.4.7 (zeeschepen) en artikel 3.2.2.7, tweede lid (binnenschepen) Scheepvaartwetboek 8 mei 2019.

12  Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Gent) 20 juni 2022, RW 2023-24, afl. 2, 64.

13  Rb. Antwerpen 28 juni 2024, Fisc.Koer. 2024, afl. 13, 316.

14  Tenzij de natuurlijke persoon langer leeft: art. 3.141, tweede lid, 1° BW.

15  Art. 3.141, tweede lid BW.

16  Art. 3.141, derde lid BW.

17  Sagaert V., Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Kluwer, 2021, 811, nr. 904.

18  Art. 3.141, vijfde lid BW. In tegenstelling tot een hernieuwing van het vruchtgebruik, vereist verlenging geen uitdrukkelijk akkoord van beide partijen, maar volstaat zelfs stilzwijgende wederzijdse toestemming of de uitoefening van een eenzijdige verlengingsoptie.

19  Cass. (1e k.) 24 januari 2025, Fisc.Koer. 2025, afl. 4, 92.

20  HvB Gent (fisc.) (5e k.) 30 november 2021, Fisc.Koer. 2022, afl. 3, 70.

21  Zie hierover tevens: Ceulemans A. en Melis T., «Cassatie bevestigt: geen heffing verkooprecht bij verlenging vruchtgebruik», Registratierechten 2025, afl. 2, 25-33; Vertommen S., «Hof van Cassatie bevestigt: geen verkooprecht verschuldigd bij verlenging duurtijd vruchtgebruik», Fisc.Koer. 2025, afl. 4, 92-94; Willems W., «Hof van beroep te Gent keurt «gratis» verlenging van het recht van vruchtgebruik goed», Fisc.Koer. 2022, afl. 3, 70-72; Petit M., «Prolongation d’un usufruit: aucun droit de vente n’est dû sur l’indemnité à verser au nu-propriétaire», Droits d’enregistrement 2025, afl. 2, 10-16; Rousseau L. en Culot A., «La prorogation de l’usufruit et la (non-)exigibilité du droit de vente», Rec.gén.enr.not. 2025, afl. 5, 195-197.

22  Spruyt E., «Verlenging van vruchtgebruik: boer let op je ganzen!», Notariaat 2023, afl. 9, 1-6.

23  HvB Brussel (Fr.) (fisc.) 20 september 2022, FJF 2023, afl. 4, 144.

24  Art. 3.142, eerste lid BW.

25  Bernard N., «Un droit d’usufruit repensé et modernisé» in Bernard N. en Havet B. (eds.), Le droit des biens revisité: Après la loi du 4 février 2020, Anthemis, 2021, (185-254) 195, nr. 19; Degeest G. en Degroote M.L., «Het (ver)nieuw(d) vruchtgebruik: analyse en eerste commentaar», T.Not. 2021, afl. 10, (841) 856, nr. 18.

26  Art. 3.6, tweede lid BW.

27  Art. 384-387 oud BW.

28  Art. 3.138, tweede lid BW.

29  Als afwijking van de algemene regel in artikel 3.6, eerste lid jo. 3.142, eerste lid BW.

30  Degeest G. en Degroote M.-L., «Het (ver)nieuw(d) vruchtgebruik: analyse en eerste commentaar», T.Not. 2021, afl. 10, (841) 865-866, nr. 25.

31  Art. 3.53 BW; Sagaert V., Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Kluwer, 2021, 196, nr. 222.

32  Art. 3.6, eerste lid BW. De blote eigenaar heeft echter geen gebruiks- en genotsbevoegdheden, aangezien deze exclusief toekomen aan de vruchtgebruiker.

33  Boufflette S., Usufruit, Bruylant, 2025, 232-233, nr. 152; Degeest G. en Degroote M.L., «Het (ver)nieuw(d) vruchtgebruik: analyse en eerste commentaar», T.Not. 2021, afl. 10, (841) 891-892, nrs. 54-55.

34  HvB Gent 15 februari 2024, T.Not. 2024, afl. 6, 469.

35  Ibid. 474.

36  Ibid. 473.

37  Cass. 7 maart 2014, Arr.Cass. 2014, 670.

38  Er bestaat dus geen onverdeeldheid tussen blote eigenaar en vruchtgebruiker, erfpachtgever en erfpachter, en opstalgever en opstalhouder: Sagaert V., «A-symmetrische onverdeeldheden», T.Not. 2022, afl. 9, (743) 745.

39  Famrb. Waals-Brabant (28e k.) 18 november 2022, For.fam. 2023, afl. 1, 32.

40  De in artikel 3.148 BW bepaalde functionele beschikkingsbevoegdheden van de vruchtgebruiker doet hier niets aan af, aangezien de beperkte overlapping in beschikkingsbevoegdheden geen aanleiding geeft tot een onverdeeld recht tussen blote eigenaar en vruchtgebruiker: Sagaert V., Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Kluwer, 2021, 799, nr. 893.

41  Omzetting is daarentegen wel mogelijk voor een wettelijk vruchtgebruik: art. 3.161 BW.

42  Roussieau C., «L’indivision asymétrique et son partage», Rev.dr.fam. 2019, 998-1002.

43  Famrb. Waals-Brabant (28e k.) 18 november 2022, For.fam. 2023, afl. 1, 31.

44  De vruchtgebruikster-langstlevende partner blijft dan immers volle eigenaar van de helft van deze inboedel en verkrijgt daarenboven het vruchtgebruik op de andere helft, waarvan de blote eigendom toekomt aan de wettelijke erfgenaam.

45  Famrb. Luik (afd. Verviers) (10e k.) 21 februari 2022, For.fam. 2023, afl. 1, 28.

46  (De blote eigendom van) het goed wordt dan in de verdelingsprocedure in natura verdeeld of verkocht, bezwaard met een recht van vruchtgebruik, tenzij de vruchtgebruiker akkoord gaat zijn recht van vruchtgebruik mee te verkopen zodat de volle eigendom te gelde kan worden gemaakt.

47  Rb. Brussel 26 september 2008, Rev.not.b. 2010, afl. 3045, 558.

48  Cass. (1e k.) 2 juni 2022, RABG 2023, afl. 1-2, 128.

49  Het hiervoor aangehaalde cassatiearrest lijkt bij te dragen aan deze visie: Sagaert V., «A-symmetrische onverdeeldheden», T.Not. 2022, afl. 9, (743) 748.

50  Sagaert V., Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Kluwer, 2021, 847-848, nr. 937.

51  Art. 3.148, eerste lid, 2° BW.

52  Vred. Seneffe 28 oktober 2024, RPP 2025, afl. 3, 246.

53  Roussieau C., «Donation à un mineur avec réserve d’usufruit et droit de disposition fonctionnel en faveur de l’usufruitier: une autorisation du juge de paix est-elle nécessaire?», RPP 2025, afl. 3, 247-252.

54  Art. 11, 1°, art. 12, § 1 en § 2 en art. 13 Decreet van 13 oktober 2023 tot bepaling van de specifieke regels over de pacht (hierna: Vlaams Pachtdecreet).

55  Het oude artikel 9, derde lid Pachtwet, momenteel vervat in artikel 14, tweede lid, 4° Vlaams Pachtdecreet.

56  Cass. (3e k.) 30 september 2024, Rev.not.b. 2025, afl. 3205, 664.

57  In dezelfde zin: Beguin E., «Le congé donné pour exploitation personnelle par l’usufruitier?», Rev.not.b. 2025, afl. 3205, 666-667.

58  Rb. Henegouwen (afd. Charleroi) 7 februari 2024, JLMB 2024, afl. 24, 1089.

59  Vred. Nijvel 7 juli 2022, RPP 2022, afl. 4, 346.

60  Zie tevens: Fonteyn J., «Intérêt du mineur: autorisation du juge de paix de placer des fonds (appartenant pour une quotité en nue-propriété à des mineurs) dans un portefeuille composé essentiellement d’actions», RPP 2022, afl. 4, 348.

61  HvB Bergen 4 december 2023, Rev.not.b. 2024, afl. 3194, 524.

62  Art. 3.150, derde lid BW.

63  Art. 3.162, tweede lid BW.

64  HvB Antwerpen 3 september 2024, T.Not. 2025, afl. 4, 308.

65  Ibid. 309.

66  Ibid.

67  Vred. Nijvel 17 april 2023, T.App. 2023, afl. 3, 26.

68  Zoals in deze zaak, waar niet het vredegerecht maar wel de rechtbank van eerste aanleg bevoegd werd geacht (mede doordat het bedrag van de vordering ruimschoots 5000 euro overschreed): Arrondrb. West-Vlaanderen 17 februari 2023, TGR-TWVR 2023, afl. 2, 84.

69  Vred. St.-Pieters-Woluwe 31 januari 2025, T.Vred. 2025, afl. 7-8, 491.

70  Art. 3.86, § 3, derde lid BW.

71  Een (conjunctieve) ascendentenverdeling bij schenking. Zie: Dekkers R., Casman H., Verbeke A.-L. en Alofs E., Erfrecht & giften na de codificatie van 2022, Larcier-Intersentia, 2023, 371-375, nrs. 398-400.

72  Cour d’appel de Dijon (FR) (burg.) (3e k.) 30 juni 2022, Rev.not.b. 2025, afl. 3205, 671.

73  Cass. (FR) (burg.) (1e k.) 23 oktober 2024, Rev.not.b. 2025, afl. 3205, 668.

74  Art. 3.154, § 3 BW.

75  Vred. Nijvel nr. 22/A/679, 17 april 2023, T.App. 2023, afl. 3, 27.

76  HvB Antwerpen 3 september 2024, T.Not. 2025, afl. 4, 310.

77  Art. 3.160 BW.

78  Hetgeen naar Frans recht het uitgangspunt vormt: «De son côté, l’usufruitier ne peut, à la cessation de l’usufruit, réclamer aucune indemnité pour les améliorations qu’il prétendrait avoir faites, encore que la valeur de la chose en fût augmentée» (art. 599, tweede lid Code Civil).

79  Hetgeen een uitzondering vormt op de vergoedingsplicht van de blote eigenaar in artikel 3.160, eerste lid BW.

80  Voorheen artikel 745quater oud BW.

81  «[...] dat het wettelijk vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet» (art. 3.161, eerste lid BW).

82  HvB Gent (11e k.) 5 mei 2022, TEP 2023, afl. 1, (146) 148. Tenzij de verweerder bij tegenvordering een andere omzettingswijze eist.

83  Ibid.

84  Art. 3.161, derde lid BW. Dit vormt een van de verschillen tussen omzetting en verdeling van vruchtgebruik als beëindigingswijzen van een recht van vruchtgebruik: HvB Gent 2 november 2017, T.Not. 2017, 925. Zo betreft een ander verschil de declaratieve werking van een verdeling tegenover de constitutieve werking van een omzetting.

85  HvB Brussel (familiekamer) (42e k.) 12 maart 2024, TEP 2024, afl. 2, (335) 339-340.

86  Voorstel van wet houdende invoeging van boek 3 «Goederen» in het nieuw Burgerlijk Wetboek, Parl.St. Kamer 2019, nr. 55-173/001, 301.

87  Famrb. Henegouwen (afd. Charleroi) 16 oktober 2023, Rev.not.b. 2024, afl. 3189, 160.

88  Famrb. Waals-Brabant (28e k.) 13 oktober 2023, For.fam. 2025, afl. 2, 80.

89  Behalve waar de rechter de omzetting niet kan weigeren, zoals in het geval van artikel 4.61, § 2 BW. Zie als voorbeeld: HvB Brussel (familiekamer) (42e k.) 7 mei 2024, TEP 2025, afl. 1, 102.

90  HvB Brussel (familiekamer) (42e k.) 12 maart 2024, TEP 2024, afl. 2, (335) 339.

91  HvB Antwerpen, 16 december 2025, RW 2025-26, afl. 27, 1103. Hoewel beslist onder het oude recht, dient hetzelfde te worden aangenomen onder artikel 4.61, § 7 BW.

92  Ibid. 1105.

93  HvB Antwerpen 3 september 2024, T.Not. 2025, afl. 4, 308.

94  Vred. Binche 21 maart 2024, T.Vred. 2025, afl. 1-2, 86.