Omschrijving
Uitstel inwerkingtreding nieuw Strafwetboek en aanpassing van andere wetgeving. Een reddingsboei in de tsunami aan strafwetswijzigingen
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1442
Auteur(s)
J. De Herdt
Trefwoorden

STRAFRECHT

STRAFVORDERING

Bijkomende informatie

Uitstel inwerkingtreding nieuw Strafwetboek en aanpassing van andere wetgeving. Een reddingsboei in de tsunami aan strafwetswijzigingen

Jeroen DE HERDT

Raadsheer hof van beroep Antwerpen

Postdoc navorser Universiteit Antwerpen

De inwerkingtreding van het Strafwetboek van 29 april 2024 werd recent uitgesteld tot 1 september 2026. Ook kwam er een reparatiewet en een stortvloed aan harmonisatiewetgeving, die de bestaande wetgeving aanpast aan de systematiek van het nieuwe Strafwetboek. Deze bijdrage wil de lezer een beknopt, richtinggevend overzicht geven van deze wetten.

1. De voorbije weken kreeg de penalist, in aanloop naar de voorgenomen inwerkingtreding van het Strafwetboek van 29 februari 2024 (hierna: Sw. 2024) op 8 april 2026, een overdonderende stortvloed aan «reparatie- en harmonisatiewetgeving» over zich heen. Hoewel de verschillende wetgevers al twee jaar op de hoogte waren van de datum van inwerkingtreding, die in het federaal regeerakkoord nog eens werd bevestigd1, werd de aanpassing van de overige wetgeving aan de principes van het Sw. 2024 een race tegen de klok. Hierna volgt een beknopt overzicht om de lezer wegwijs te maken in de veelheid aan wetswijzigingen, in de hoop dat iedereen door de bomen terug het bos kan (proberen te) zien. Om een echt goed beeld te krijgen van de wetgeving kan de lezer het best (zodra die beschikbaar is) een geconsolideerde versie van de betrokken wetteksten bekijken om zo vast te stellen dat het aantal echte wijzigingen buiten het Sw. 2024 relatief beperkt is, maar dat vooral de teksten in overeenstemming worden gebracht met het Sw. 2024.

2. De voor de praktijk belangrijkste wijziging is uiteraard dat, na lange politieke discussies, de datum van inwerkingtreding van het Sw. 2024 en de verschillende reparatie- en harmonisatiewetten door de wet van 30 maart 2026 werd uitgesteld tot 1 september 2026.2 Met deze datum werd tegemoetgekomen aan onder meer de vraag vanuit de magistratuur tot een beperkt uitstel.

3. Dan is er de «reparatiewet» van 16 maart 20263 die een aantal wijzigingen aanbrengt in het Sw. 2024. Naast enkele taalfouten die werden weggewerkt en sommige punctuele ingrepen moet vooral worden gewezen op de volgende aanpassingen:

- bij de straf onder elektronisch toezicht (art. 43 Sw. 2024) wordt de mogelijkheid geschrapt om bijzondere voorwaarden op te leggen die noodzakelijk zijn om het risico op herhaling te beperken;

- de mogelijkheid wordt geïntroduceerd om, onder bepaalde voorwaarden, een werkstraf ook uit te voeren bij een vennootschap, en dus niet enkel meer bij overheden, openbare instellingen of bepaalde vzw’s (art. 45 Sw. 2024);

- de termijn van herhaling (art. 60, eerste lid Sw. 2024) en die van bepaalde straffen (nl. de ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten (art. 47 Sw. 2024), het beroepsverbod (art. 48 Sw. 2024), het verval van het recht tot sturen (art. 49 Sw. 2024) en het verblijfs-, plaats- of contactverbod (art. 50 Sw. 2024)) wordt steeds verlengd met de duur van de effectieve detentie. In de oorspronkelijke tekst werd daartoe gesteld dat de termijn wordt verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of de behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende welke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling. Nu worden de woorden «periodes van voorlopige invrijheidstelling» vervangen door de woorden «periodes van voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht»;4

- het verblijfs-, plaats- of contactverbod (art. 50 Sw. 2024) wordt afhankelijk gemaakt van een bijzondere motiveringsplicht, waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de feiten, de reclasseringsmogelijkheden voor de veroordeelde en het risico op recidive (cf. het huidige art. 417/58, tweede lid Sw. 1867);

- de mogelijkheid voor de rechter om aanwijzingen te geven over de inhoud en uitvoeringsmodaliteiten van een dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap (art. 56 Sw. 2024) wordt omgezet naar een verplichting voor de rechter;

- wat betreft de bijkomende straf van de sluiting van de inrichting van de veroordeelde (art. 59 Sw. 2024) wordt ook de tijdelijke sluiting opgenomen en wordt het gevolg ervan heromschreven als het verbod om in die inrichting enige activiteit uit te oefenen die verband houdt met die welke geleid heeft tot het plegen van het misdrijf. In Boek II werden de bepalingen in verband met de sluiting van de inrichting in dit licht ook wat aangepast;

- ingevolge het arrest van het Grondwettelijk Hof van 29 januari 20265 werd het tweede lid van artikel 60 Sw. 2024 inzake herhaling vervangen, waardoor nu ook een verhoging van de minimumstraf voor rechtspersonen wordt voorgeschreven bij een veroordeling tot een straf van niveau 7 na een eerdere veroordeling tot een straf van niveau 7 of 8;

- de reeds eerder impliciet in de memorie van toelichting aanwezige regel dat bij meerdaadse samenloop met gelijktijdige berechting (art. 62, § 3 Sw. 2024) de opgelegde straf in geen geval hoger mag zijn dan het maximale cumulatieve straftotaal dat bij een niet-gelijktijdige berechting kan worden opgelegd, wordt geëxpliciteerd;6

- de herroepingsgronden van de opschorting (art. 64 Sw. 2024) worden aangevuld met een drempel voor rechtspersonen (met name een veroordeling tot een geldboete van meer dan 20.000 euro) en de herroepingsgrond inzake wegverkeer wordt uitgebreid tot de situatie waarin de maatregel tegelijkertijd is genomen wegens een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten en wegens een overtreding van de artikelen 107, 107/1 of 218 Sw. 2024;

- wat betreft het uitstel (art. 65 Sw. 2024) wordt geëxpliciteerd dat ook een dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap niet met uitstel kan worden opgelegd, wat logisch is aangezien deze straf wordt gezien als het equivalent van de werkstraf voor rechtspersonen. De ondertussen in de Probatiewet ingevoerde verlenging van de verjaringstermijn van de herroepingsvordering naar drie jaar werd ook overgenomen in het Sw. 2024. Net als bij de opschorting wordt ook hier aan de herroepingsgronden gesleuteld door drempels in te voeren voor rechtspersonen: het uitstel wordt verplicht herroepen voor rechtspersonen bij een veroordeling tot een geldboete van meer dan 180.000 euro zonder uitstel en de herroeping is facultatief bij een veroordeling tot een geldboete van meer dan 20.000 euro tot ten hoogste 180.000 euro. Daarnaast wordt (zowel voor natuurlijke personen als rechtspersonen) een facultatieve herroepingsgrond opgenomen inzake wegverkeer: herroeping is mogelijk indien diegene voor wie de maatregel is genomen wegens een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten, gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf heeft gepleegd dat veroordeling krachtens de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer tot gevolg heeft gehad. Dit geldt eveneens indien de maatregel tegelijkertijd is genomen wegens een overtreding van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer of van haar uitvoeringsbesluiten en wegens een overtreding van de artikelen 107, 107/1 of 218 Sw. 2024;

- in het artikel omtrent de verjaring van de straf (art. 74 Sw. 2024) werd een regeling omtrent straffen met uitstel toegevoegd;

- het toepassingsgebied van de strafbaarstelling ecocide (art. 94 Sw. 2024) werd aangepast aan de Europese Richtlijn 2024/12037;

- de onwaardigheid om te erven werd ingevoerd voor verkrachting (basismisdrijf en alle verzwaarde vormen) in een nieuw artikel 150/1 Sw. 2024;

- met betrekking tot mensenhandel werden artikelen met betrekking tot de overzendingen van een rechterlijke beslissing (art. 263/1 Sw. 2024) en de bescherming van de identiteit van het slachtoffer (art. 263/2 Sw. 2024) toegevoegd. Ook voor misbruik van prostitutie kwam er een bepaling in verband met de overzending van een rechterlijke beslissing (art. 271/1 Sw. 2024) bij;

- inzake terrorisme werd de formulering «met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf» steeds vervangen door «met terroristisch oogmerk»;

- de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit8 naar aanleiding van een veroordeling van een van de misdrijven uit het hoofdstuk inzake terrorisme werd ingevoegd (art. 386/1 Sw. 2024);

- ingevolge het arrest van het Grondwettelijk Hof van 29 januari 20269 wordt voortaan met betrekking tot het onbevoegd ontvangen van een staatsgeheim (art. 586 Sw. 2024) een bijzonder opzet vereist;

- de wijzigings- en opheffingsbepalingen uit de wetten van 29 februari 2024 werden opgeheven en later (al dan niet in gewijzigde vorm) hernomen in de verschillende harmonisatiewetten, omdat de lijst aan wijzigingen niet exhaustief was.10 Erg coherent is die keuze echter niet doorgetrokken, aangezien bv. meerdere wetten wijzigingen aanbrengen aan het Wetboek van Strafvordering.

Een eerder aangekondigde wijziging met betrekking tot de explicitering van het moreel bestanddeel bij de discriminatiemisdrijven als een algemeen opzet11 is er uiteindelijk niet gekomen ten gevolge van het advies van de Raad van State dat uitging van een vereiste van bijzonder opzet voor deze misdrijven in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.12 Uit deze beslissing van de wetgever om deze wijziging niet door te voeren vanuit de wil aansluiting te zoeken bij deze rechtspraak die een bijzonder opzet vereist, kan worden afgeleid dat volgens de wetgever uit de aard en de omschrijving van de discriminatiemisdrijven zoals ze al opgenomen zijn in het Sw. 2024 reeds een bijzonder opzet voortvloeit, bv. bestaande uit de wil om denkbeelden te verspreiden met het oog op het aanwakkeren van haat ten aanzien van een groep van mensen of met het oog op de totstandkoming van een voor hen discriminerend of op segregatie gericht beleid.

Volledigheidshalve moet wat het Sw. 2024 zelf betreft ook worden gewezen op de wet van 29 januari 202613 die de kwalificatie «doding in het verkeer» invoerde ter vervanging van het «dodelijk verkeersongeval» (art. 107 Sw. 2024) inclusief een nieuwe «verzwaarde doding in het verkeer» (art. 107/1 Sw. 2024), die een strafverzwaring koppelt aan de aard van de zware fout die aan de basis ligt van de doding in het verkeer (bijvoorbeeld: het begaan van een verkeersovertreding van de vierde graad, het rijden door een rood licht, het rijden zonder rijbewijs, ...). De gronden die aanleiding geven tot strafverzwaring bij de verzwaarde doding in het verkeer werden ook ingevoerd als verzwarende factoren voor het veroorzaken van een integriteitsaantasting in het verkeer (art. 218/1 Sw. 2024). Ook was er de wet van 19 december 202514 die de strafbaarstellingen van ontsnapping van gevangenen en beschadiging of verduistering van elektronisch toezichtsmateriaal invoerde, zowel in het Sw. 1867 als het Sw. 2024.

4. Vervolgens zijn er vier «harmonisatiewetten» te signaleren, die in essentie de bedoeling hebben de bestaande wetten die onder de bevoegdheid van Justitie vallen, aan te passen aan de nieuwe systematiek en terminologie van het Sw. 2024. Hoewel deze wetten samen honderden wetsartikelen aanpassen, brengen ze in de praktijk weinig wijzigingen met zich mee. Het overgrote deel van de bepalingen vervangt de bestaande straffen door een strafniveau (normaliter overeenkomstig de principes van art. 78 Sw. 2024), vervangt de verwijzingen naar artikelen door de nieuwe artikelnummers in het Sw. 2024, past de terminologie aan (zo is er bv. niet langer sprake van overtredingen, wanbedrijven en misdaden, ...) en houdt rekening met de nieuwe regels inzake onder meer de poging en het moreel bestanddeel (dat wordt geëxpliciteerd), zonder dat daarbij inhoudelijke wijzigingen worden nagestreefd. Het gaat concreet om:

- een wet van 11 maart 2026 die de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafvordering en de Voorlopige Hechteniswet harmoniseert.15 Naast een pure harmonisatie bevat deze wet ook een nieuwe regeling met betrekking tot het Centraal Strafregister, aangezien door de afschaffing van het onderscheid tussen criminele, correctionele en politiestraffen daar een meer fundamentele ingreep nodig was;16

- een wet van 16 maart 2026 die de Drugswet en de Wapenwet harmoniseert.17 Naast de harmonisatie verhoogt deze wet ook enkele strafmaten (ook in het Sw. 2024) zoals die inzake criminele organisatie en het nieuwe «verzwaarde heling en verzwaard witwassen» (waar de verzwarende factoren uit artikel 503 Sw. 2024 worden omgevormd tot verzwarende bestanddelen);

- twee wetten van resp. 3 maart 2026 en 30 maart 2026 die de overige wetten die onder de bevoegdheid van het departement Justitie vallen, harmoniseren.18

5. Het Sw. 2024 ging ervan uit de opdeciemen voor de geldboetes opnieuw op 0 te zetten; de bedragen in het Sw. 2024 zijn dan ook gebaseerd op de geldwaarde in 2024 (wat de facto in veel gevallen neerkwam op een vermenigvuldiging van de bestaande bedragen met acht, zeker ook in het conversiemechanisme van art. 78 Sw. 2024). Recent werd echter beslist de opdeciemen op te drijven, waardoor de facto de boetebedragen sinds 1 februari 2026 moeten worden vermenigvuldigd met 10.19 Om deze verhoging ook door te voeren in het Sw. 2024 en de geharmoniseerde strafwetten werd door een wet van 16 maart 2026 bepaald dat de opdeciemen vanaf de inwerkingtreding van het Sw. 2024 ook worden aangepast, waardoor de nieuwe bedragen de facto moeten worden vermenigvuldigd met 1,25.20 Ook het conversiemechanisme van artikel 78 Sw. 2024 werd in die zin aangepast.21

Verder past deze wet ook de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek aan in functie van het Sw. 2024 en brengt het een aantal niet-substantiële wijzigingen aan in het Sociaal Strafwetboek die niet meteen gerelateerd zijn aan het Sw. 2024. De eigen sanctieniveaus van het Sociaal Strafwetboek blijven behouden en integreren een aantal straffen uit het Sw. 2024. Daarnaast wordt ook bepaald wat de verhouding is tussen deze sanctieniveaus uit het Sociaal Strafwetboek en de strafniveaus uit het Sw. 2024: voor de toepassing van de bepalingen van Boek I Sw. 2024 worden de straffen uit sanctieniveau 2 en 3 gelijkgesteld met een straf van niveau 1 in de zin van het Sw. 2024 en een straf uit sanctieniveau 4 wordt gelijkgesteld met een straf van niveau 3 uit het Sw. 2024 (nieuw art. 101/3 Soc. Sw.).

6. Voor wat betreft de strafuitvoering, ten slotte, werd met nog een andere wet van 30 maart 2026 een tijdelijk wettelijk kader geïntroduceerd voor de uitvoering van de straffen in afwachting van de invoering van een Strafuitvoeringswetboek.22 Doelstelling van deze wet is louter de harmonisatie met zoveel als mogelijk het behoud van de huidige regels inzake strafuitvoering om geen voorafname te doen op beslissingen die zouden worden genomen in het kader van de uitwerking van het Strafuitvoeringswetboek (waarvan de wetgever een inwerkingtreding lijkt te verhopen op 1 juli 2029 aangezien de toepassing van meerdere bepalingen tot die periode wordt beperkt). Gelet op de onnoemelijke lange titel van de wet wordt deze wet in de wandelgangen dan ook terecht aangeduid als de «status quo-wet strafuitvoering». Zo zullen met het oog op dit status quo bijvoorbeeld de probatiecommissies nog tijdelijk hun bevoegdheden behouden en wordt de inwerkingtreding uitgesteld van de toezichtsbevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank op de ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten, het beroepsverbod, het verval van het recht tot sturen en het verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen. Deze status quo-wet strafuitvoering zal een voor de praktijk belangrijke wet zijn, aangezien ze de uitvoering regelt van de andere straffen dan de effectieve gevangenisstraf.

7. Is hiermee de federale wetgevingstsunami ten einde? Nee, er zijn nog enkele golfjes te verwachten. Concreet werd een harmonisatie van het verkeersrecht23 (waarbij men zoveel als mogelijk de huidige situatie wil benaderen, gekoppeld aan enkele aanpassingen) en van de wetten die onder de bevoegdheid van de FOD Binnenlandse Zaken vallen (zoals de GAS-wet en de Voetbalwet)24 reeds goedgekeurd in tweede lezing, zodat deze wetten op korte termijn ook te verwachten zijn in het Belgisch Staatsblad. Pro memorie: het (federaal) fiscaal strafrecht werd reeds bij wet van 16 mei 2024 geharmoniseerd.25 Zo kon het dus ook ...

Na de wetten lijken nu de koninklijke besluiten aan de beurt. Op de ministerraad van 3 april 2026 werd een ontwerp van koninklijk besluit goedgekeurd dat een aantal koninklijke besluiten die onder de bevoegdheid van Justitie vallen, afstemt op het Sw. 2024. Ook hier gaat het voornamelijk om technische aanpassingen, zoals bij de harmonisatiewetten.

8. En de Vlaamse decreten? Momenteel is een ontwerpdecreet hangend dat de Vlaamse Codex Fiscaliteit aanpast in het licht van het Sw. 202426 en werd hier en daar al een kruisverwijzing aangepast.27 Voor het overige zit het legistieke proces in Vlaanderen nog in een embryonale fase. Uit het antwoord op parlementaire vragen blijkt dat aan de verschillende Vlaamse departementen recent een oproep werd gelanceerd om de nodige aanpassingen aan te leveren, die dan zullen worden gebundeld in een verzameldecreet. Daarna moet dus nog het hele wetgevend proces worden doorlopen. Indien deze wijzigingen niet voor 1 september 2026 worden gepubliceerd, moet in de tussentijd worden gebruikgemaakt van de overgangsregeling uit artikel 78 Sw. 2024, die het mogelijk maakt om de bepalingen van Boek I Sw. 2024 toe te passen op wetten (in de materiële zin, en dus ook decreten en ordonnanties) die niet zijn aangepast aan het Sw. 2024.28

In de Duitstalige Gemeenschap is er ook een bewustzijn omtrent de problematiek29, maar dit blijft voorlopig louter anekdotisch. Bij de andere deelstaten lijkt de stilte nog oorverdovender ... De aangehaalde overgangsregeling uit artikel 78 Sw. 2024 lijkt dus ook daar nog enige tijd de norm te zullen zijn.

Federaal regeerakkoord 2025-2029, https://www.belgium.be/sites/default/files/resources/publication/files/Regeerakkoord-Bart_De_Wever_nl.pdf, p. 149 en 155.

2  Art. 252-258 en 260-261 wet van 30 maart 2026 houdende harmonisatie van de geldende wetsbepalingen van Justitie met het Strafwetboek van 29 februari 2024 II, BS 2 april 2026.

3  Wet van 16 maart 2026 tot wijziging van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek en de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek II van het Strafwetboek, BS 25 maart 2026.

4  Zie ook De Herdt J., «Hoe nieuw is het nieuw Strafwetboek? Een overzicht van de voornaamste wijzigingen in Boek I en II Sw. - deel 1», RW 2025-26, (1163) 1175, voetnoten 78, 81, 82 en 84 en 1179, voetnoot 102 alsook De Herdt J., «Hoe nieuw is het nieuw Strafwetboek? Een overzicht van de voornaamste wijzigingen in Boek I en II Sw. - deel 2», RW 2025-26, (1202) 1204, voetnoot 128.

5  GwH 29 januari 2026, nr.14/2026.

6  Zie uitgebreider: De Herdt J., «Hoe nieuw is het nieuw Strafwetboek? Een overzicht van de voornaamste wijzigingen in Boek I en II Sw. - deel 2», RW 2025-26, (1202) 1204-1205, nr. 61.

7  Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG, Pb. L. 30 april 2024.

8  Zoals ook in art. 141quater Sw. 1867 ingevoegd bij wet van 8 februari 2026 betreffende het afnemen van drugstesten in de transitiehuizen en de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit, BS 18 februari 2026.

9  GwH 29 januari 2026, nr. 14/2026.

10  MvT bij Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek en de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2025-2026, 19 november 2025, nr. 56-1160/001, 36.

11  Zie De Herdt J., «Hoe nieuw is het nieuw Strafwetboek? Een overzicht van de voornaamste wijzigingen in Boek I en II Sw. - deel 2», RW 2025-26, (1202) 1211, nr. 82.

12  MvT bij Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek en de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2025-2026, 19 november 2025, nr. 1160/001, 4-5.

13  Wet van 29 januari 2026 houdende diverse dringende en technische bepalingen, BS 16 februari 2026.

14  Wet van 19 december 2025 houdende de strafbaarstelling van de ontsnapping van gedetineerden en van de beschadiging of verduistering van het elektronisch toezichtsmateriaal en betreffende het afnemen van drugstesten in de gevangenis en de herroeping van het elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering, BS 6 januari 2026.

15  Wet van 11 maart 2026 houdende harmonisatie van de wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafvordering en de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis met het Strafwetboek van 29 februari 2024, BS 18 maart 2026.

16  Zie uitgebreider hieromtrent: Careel S., ‘Harmonisatie van het strafprocesrecht met het nieuwe Strafwetboek’, NC 2026, 24.

17  Wet van 16 maart 2026 tot verzwaring van de straffen inzake drugshandel, wapenhandel, criminele organisatie en witwassen, en tot harmonisatie van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, en de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, met het Strafwetboek van 29 februari 2024, BS 26 maart 2026.

18  Wet van 3 maart 2026 houdende harmonisatie van de geldende wetsbepalingen van Justitie met het Strafwetboek van 29 februari 2024, BS 10 maart 2026 en wet van 30 maart 2026 houdende harmonisatie van de geldende wetsbepalingen van Justitie met het Strafwetboek van 29 februari 2024 II, BS 2 april 2026. Volledigheidshalve moet erop worden gewezen dat het opschrift van de wet van 3 maart 2026 in het Belgisch Staatsblad afwijkt van het opschrift zoals aangenomen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waar het opschrift werd vervolledigd met het Romeinse cijfer I, zoals het opschrift van de wet van 30 maart 2026 werd afgesloten met II (KAMER 2025-2026, 26 februari 2026, nr. 56-1182/006).

19  Wet van 19 december 2025 betreffende de verhoging van opdecimes en de verzwaring van de geldboete voor inbreuk op het Sociaal Strafwetboek met een verzwarende factor, BS 30 december 2025. Tot voor kort stonden de opdeciemen op 70, wat resulteerde in een vermenigvuldiging met 8. Door de wet van 19 december 2025 werden de opdeciemen verhoogd tot 90, wat resulteert in een vermenigvuldiging met 10 voor feiten gepleegd vanaf 1 februari 2026.

20  Wet van 16 maart 2026 tot wijziging van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, van het Sociaal Strafwetboek en van verscheidene bepalingen van het sociaal strafrecht, BS 1 april 2026. Deze wet past de opdeciemen aan naar 2,5 vanaf de inwerkingtreding van het Sw. 2024, wat dus neerkomt op een vermenigvuldigingsfactor 1,25.

21  Dit gebeurde reeds bij artikel 24 van de wet van 16 maart 2026 tot wijziging van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek en de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek II van het Strafwetboek, BS 25 maart 2026.

22  Wet van 30 maart 2026 betreffende de regeling van een tijdelijk wettelijk kader inzake de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen en tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en de wet van 29 februari 2024 tot invoering van boek I van het Strafwetboek, met het oog op de inwerkingtreding van het nieuw Strafwetboek, BS 2 april 2026.

23  Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer als gevolg van het nieuwe Strafwetboek en houdende diverse bepalingen en tot wijziging van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, KAMER, 2025-2026, 9 maart 2026, nr. 56-1403/001.

24  Wetsvoorstel houdende harmonisatie van de diverse wetgevingen die onder Binnenlandse Zaken vallen, met de boeken I en II van het Strafwetboek van 29 februari 2024, KAMER, 2025-2026, 6 maart 2026, nr. 56-1404/001.

25  Wet van 16 mei 2024 houdende aanpassing van het bijzonder fiscaal strafrecht aan het nieuw strafwetboek, BS 21 juni 2024.

26  Ontwerp van decreet over de verrekenbaarheid met opcentiemen in geval van federale fiscale regularisatie en tot wijziging van verschillende decreten, wat betreft fiscaliteit en de jobbonus en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen, VL. PARL., 2025-2026, 6 februari 2026, nr. 693/1.

27  Art. 42 en 70 Decreet van 27 februari 2026 houdende diverse bepalingen inzake energie en klimaat, BS 11 maart 2026.

28  Vraag nr. 1796 van Adeline Blancquaert over de kruisverwijzingen naar het nieuwe Strafwetboek in het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht en vraag nr. 1832 van Adeline Blancquaert over de impact van het nieuw Strafwetboek op het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht in Verslag vergadering Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën, Begroting, Justitie en Onroerend Erfgoed, VL. PARL., 24 februari 2026 en Vraag nr. 2812 van Adeline Blancquaert over nalatigheid bij de aanpassing van het jeugdsanctierecht aan het nieuwe Strafwetboek en de oplossing daarvoor in Verslag vergadering Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën, Begroting, Justitie en Onroerend Erfgoed, VL. PARL., 24 maart 2026.

29  Zie bv. Dekretvorschlag zur Abänderung des Dekrets vom 17. Januar 1994 zur Festlegung der Verfahrensweise der im Rat der Deutschsprachigen Gemeinschaft eingesetzten Untersuchungsausschüsse, D. PARL., 2025-2026, 27 februari 2026, nr. 106/2, 5.