Algemene beginselen van bewijs in het bestuursrecht: een analyse van het positief recht en een blik op de toekomst
Dr. Annelien STIJLEMAN
Knowledge manager en researcher bij GSJ-advocaten en vrijwillig wetenschappelijk medewerker bij de Universiteit Antwerpen
Besturen nemen talloze beslissingen die gebaseerd zijn op feiten: vergunningen, tuchtstraffen, benoemingen, studievoortgangsbeslissingen, ... Soms zijn deze feiten gemakkelijk vast te stellen, maar vaak rijzen er bewijsproblemen. Opmerkelijk is dat er in het bestuursrecht geen sprake is van een algemene, systematische aanpak van bewijsgerelateerde vragen, noch in de regelgeving noch in de (bestudeerde) rechtspraak. Deze bijdrage vat de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen samen van het doctoraatsonderzoek dat beoogde deze lacune op te vullen. Dat gebeurde door, aan de hand van een analyse van de rechtspraak van de Raad van State, de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, en via functionele rechtsvergelijking met het Nederlandse, Franse en Duitse bestuursrechtssysteem, de algemene regels en beginselen in kaart te brengen die het bewijs in het bestuursrecht beheersen en zouden moeten beheersen. De bijdrage eindigt met een aantal stellingen en aanbevelingen aan het bestuur, de bestuursrechter(s) en de regelgever(s).
I. Inleiding
A. Bewijs van de feiten in het bestuursrecht: nood aan algemene theorievorming
1. Besturen nemen dagelijks talloze beslissingen. De concrete inhoud van deze beslissingen is heel uiteenlopend en wordt bepaald door de tak van het bijzonder bestuursrecht die de casus of het geschil beheerst. Aan al deze bestuurlijke beslissingen liggen echter steeds bepaalde feiten ten grondslag. Het zijn die feiten die het bestuur ertoe brengen een bepaalde beslissing al dan niet te nemen. Bij een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen bepalen de volgende feiten bijvoorbeeld vaak of een project al dan niet voor vergunning in aanmerking komt: de grootte en de functie van de te bouwen constructie, de eventuele milieu-, visuele en/of mobiliteitshinder die de constructie zou teweegbrengen, de inpasbaarheid van de constructie in de in de omgeving bestaande toestand, ... In een selectieprocedure voor een ambtenaar staat het bewijs van volkomen andere feiten centraal: het diploma waarover de kandidaat beschikt, zijn eerdere werkervaringen, zijn examen- of testresultaten, zijn motivatie, ... Op basis van die feiten zal het bestuur beslissen wie als de meest geschikte kandidaat kan worden gekwalificeerd. In tuchtzaken tegenover ambtenaren maakt het bewijs van de ten laste gelegde feiten de kern uit van de tuchtprocedure. In het onderwijscontentieux is het ultiem te bewijzen feit dat de student de vereiste kennis, vaardigheden en competenties bezit alvorens hij geslaagd kan worden verklaard voor een opleiding(sonderdeel). Deze voorbeelden tonen aan dat het van primordiaal belang is dat het bewijs van die op zich zeer uiteenlopende feiten kan worden geleverd. Bestuurlijke beslissingen die gebaseerd zijn op feiten waarvan het bestaan niet deugdelijk is bewezen, zullen door het toezichthoudende bestuur of de rechter onwettig worden bevonden.
2. Sommige feiten zijn eenvoudig vast te stellen en dus te bewijzen.1 Andere feiten veronderstellen dan weer een zorgvuldig en nauwkeurig onderzoek alvorens het bestuur ze als bewezen kan beschouwen en ze als basis voor een bestuurlijke beslissing kan gebruiken. Het gaat dan vaak om feiten die een zekere appreciatie of interpretatie vergen.
3. In het Belgische bestuursrecht bestaat geen algemene regelgeving die handelt over het bewijsrecht.2 Evenmin maakte het bewijs van de feiten in het bestuursrecht eerder al het voorwerp uit van algemene theorievorming in de Belgische rechtsleer.3,4 De wetenschappelijke aandacht voor het bestuurlijk bewijsrecht blijft tot op heden m.a.w. eerder beperkt.5 Ook in de rechtspraak van de bestuursrechters wordt zelden uitdrukkelijk ingegaan op bewijskwesties. Bestuursrechters kwalificeren geschilpunten zelden als bewijsproblemen. Van een algemene, systematische aanpak van bewijsgerelateerde vragen is dus geen sprake, noch in de regelgeving, noch in de rechtspraak. Bijgevolg is er, wat het bewijs van de feiten in het bestuursrecht betreft, weinig duidelijkheid en rechtszekerheid voor burgers, besturen en (bestuurs)rechters. Ondanks het wetenschappelijke en maatschappelijke belang ervan ontbrak dus lang een algemene theorie over het bewijs van de feiten in het bestuursrecht. Deze bijdrage vat de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen samen van het doctoraatsonderzoek van de auteur, dat deze lacune probeerde te vullen.6
B. Opzet, afbakening en structuur van deze bijdrage
4. Deze bijdrage beoogt een overzicht te geven, op hoofdlijnen, van de algemene beginselen die het bewijs van de feiten in het bestuursrecht naar positief recht beheersen. Deze betreffen zowel het bewijs van de feiten bij de initiële bestuurlijke besluitvorming, de bestuurlijke besluitvorming in beroep, als voor de bestuursrechter. Regelgever(s), burgers, besturen en bestuursrechters kunnen deze algemene theorie als leidraad gebruiken wanneer zij met bewijsproblemen worden geconfronteerd.
De bestuurlijke handhaving maakte geen deel uit van het onderzoek (met uitzondering van het tuchtrecht7). Evenmin onderzocht ik - om redenen van haalbaarheid - in hoeverre het bewijs naar intern, Belgisch bestuursrecht wordt beïnvloed door regels en principes van EU-recht. Uit eerder onderzoek is immers gebleken dat de invloed van het EU-recht op het bewijs in de nationale rechtsstelsels zeer versplinterd en sterk sectoraal gekleurd is.8 De invloed van artikel 6 EVRM op het bestuurlijk bewijsrecht komt wel grondig aan bod, nu de meeste geschillen met besturen vandaag onder het beschermingsbereik van dat artikel vallen en het dus van groot belang is voor het algemeen bestuursrecht.9
5. De vraag naar welke beginselen het bestuurlijk bewijsrecht beheersen valt uiteen in diverse deelvragen. Zowel bij de initiële bestuurlijke besluitvorming, bij de bestuurlijke besluitvorming in beroep als naar aanleiding van een geschil voor de bestuursrechter rijzen vragen naar het «wie, wat en hoe» van het bewijs van de feiten. Allereerst rijst de vraag naar de bewijslast: wie moet in het bestuursrecht het bewijs van feiten leveren?10 Vervolgens zal de vraag naar het voorwerp van het bewijs aan de orde zijn: van welke feiten moet diegene die de bewijslast draagt, het bewijs leveren?11 Het voorwerp van het bewijs is nauw verbonden met de vraag naar de bewijsstandaard: met welke graad van zekerheid moet het bewijs van de feiten worden geleverd?12 Tot slot rijst ook de vraag naar de wijze waarop het bewijs van feiten kan worden geleverd. Welke bewijsmiddelen komen in aanmerking voor het bewijs van feiten en welke bewijswaarde genieten zij?13
6. Om in kaart te brengen welke beginselen naar geldend recht het bestuurlijk bewijsrecht beheersen, steunde het onderzoek vooral op een analyse van de rechtspraak van de Raad van State, nu die de algemene bestuursrechter is maar ook de cassatierechter ten aanzien van de meeste bijzondere bestuursrechters. Daarnaast werd de rechtspraak van twee bijzondere bestuursrechtscolleges bestudeerd: de Raad voor Vergunningsbetwistingen (beperkt tot rechtspraak in de sfeer van het recht van de ruimtelijke ordening14) en de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Het burgerlijk en strafrechtrechtelijk bewijsrecht alsook het Nederlandse15, Franse16 en Duitse17 bestuursrecht vormden een belangrijke inspiratiebron, voornamelijk voor het formuleren van een begrippenkader en voor het normatief deel, namelijk met het oog op het formuleren van voorstellen voor het opvullen van eventuele lacunes in het bestuurlijk bewijsrecht en/of om aanpassingen voor te stellen.18
7. Hierna bespreek ik de uitdagingen bij het formuleren van een algemene theorie over het bestuurlijk bewijsrecht (II.). Vervolgens formuleer ik de principes die het bestuurlijk bewijsrecht vandaag naar positief recht beheersen (III.). Ik eindig met een aantal stellingen en aanbevelingen t.a.v. besturen, de (onderzochte) bestuursrechters en de regelgever(s) (IV.).
II. Uitdagingen bij het formuleren van een theorie over de algemene beginselen van bewijs in het bestuursrecht19
8. Een aantal specifieke kenmerken van het bestuursrecht bemoeilijkt de algemene theorievorming inzake het bewijs.20 Het betreft o.m. de uitzonderingspositie die het bestuur bekleedt (A, B en C), de diversiteit aan procedurestappen (D) en bestuursrechters en het zeer diverse begrippenapparaat dat die laatsten hanteren bij het beantwoorden van bewijsgerelateerde vragen, bijvoorbeeld wat de bewijsstandaard betreft (E). Dat laatste toont meteen ook aan dat bestuursrechters vandaag vaak weinig bewust omgaan met het «bestuurlijke bewijsrecht».
A. Plicht voor het bestuur om te handelen in het algemeen belang
9. Het bestuur moet steeds handelen in het algemeen belang. Dat het bestuur het algemeen belang moet behartigen impliceert ook dat het een aantal specifieke plichten draagt. Zo moet het bestuur de beginselen van behoorlijk bestuur naleven. Het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel vormen de belangrijkste bron van plichten voor het bestuur inzake het bewijs van de feiten.21
B. Belang van het vermoeden van wettigheid
10. Daarnaast is het bestuurlijk handelen ook bekleed met een aantal voorrechten. Een van die voorrechten betreft het vermoeden van wettigheid. Op basis van het vermoeden van wettigheid wordt een bestuurlijke beslissing geacht in overeenstemming te zijn met het recht zonder dat het bestuur vooraf een beroep moet doen op een rechter.22 Het betreft echter een weerlegbaar23 vermoeden, dat dus voor een ander bestuur (in het kader van een bestuurlijk beroep), de burgerlijke rechter24 of de bestuursrechter kan worden betwist.25 Het vermoeden van wettigheid heeft verder tot gevolg dat het louter instellen van een beroep bij een bestuur of een vordering bij een burgerlijke of een bestuursrechter in beginsel geen schorsende werking heeft, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.26 Het vermoeden van deskundigheid dat organen van de onderwijsinstellingen genieten, is een verbijzondering van het vermoeden van wettigheid.27
11. Het vermoeden van wettigheid strekt zich uit tot de feitelijke motieven die ten grondslag liggen aan de bestuurlijke beslissing.28 Ook het onderzoek van het bestuur naar die feitelijke motieven wordt geacht wettig te zijn en op een zorgvuldige en objectieve wijze te zijn gevoerd.29 In principe komt een schending van het vermoeden van wettigheid dan ook neer op een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.
12. Het belang van het vermoeden van wettigheid voor de verdeling van de bewijslast en het bewijs van de feiten mag niet worden overschat. Ik stelde vast dat het vermoeden van wettigheid niet de impact heeft die we er initieel van zouden verwachten. Uit het vermoeden van wettigheid volgt niet dat de bestuurde het bewijs moet leveren van de feiten waaruit de «onwettigheid» van de bestuurlijke beslissing of het voorafgaand onderzoek blijkt.30 Het vermoeden van wettigheid impliceert wel dat de bestuurde het initiatief moet nemen om een bestuurlijke beslissing aan te vechten bij een bestuur of de rechter.31 In die zin verlicht en verzacht het vermoeden van wettigheid de bewijslast voor het bestuur inzake de deugdelijkheid van de bestuurlijke beslissingen. Het louter opstarten van een beroepsprocedure32 of het formuleren van blote beweringen33, het louter verwijzen naar stukken34 of het poneren van een andere mening35 volstaat echter niet om het vermoeden van wettigheid of deskundigheid te ontkrachten. Wat hiervoor wel vereist is, blijkt niet eenduidig uit de onderzochte rechtspraak. In de meeste arresten verwacht de bestuursrechter van de bestuurde precieze, concrete en overtuigende argumenten of gegevens.36 Over welke graad van zekerheid de argumentatie van de bestuurde moet vertonen om het vermoeden van wettigheid of deskundigheid te ontkrachten, bestaat evenmin duidelijkheid.37
C. Traditioneel ongelijke positie tussen bestuur en bestuurde
13. De traditionele ongelijkheid tussen het bestuur, dat het algemeen belang moet behartigen, en de bestuurde, die doorgaans slechts zijn persoonlijk belang nastreeft, is een andere belangrijke eigenschap van het bestuursrecht.38 Die traditioneel ongelijke positie tussen het bestuur en de bestuurde speelt ook op bewijsrechtelijk vlak.39 Zo beschikt een bestuur soms over meer informatie dan een bestuurde40, wat resulteert in informatie-asymmetrie. Daarnaast heeft een bestuur doorgaans ook meer expertise en deskundigheid in huis. Ook op het vlak van onderzoeksmogelijkheden hebben besturen een streepje voor. De regelgever verleent het bestuur vaak uitdrukkelijke onderzoeksbevoegdheden. Besturen kunnen deze onderzoeksbevoegdheden vervolgens aanwenden om duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten die van belang zijn voor de bestuurlijke besluitvorming. Een theorie over de algemene beginselen die het bewijs in het bestuursrecht beheersen of zouden moeten beheersen, moet voldoende rekening houden met deze traditioneel ongelijke positie tussen bestuur en bestuurde.
D. Diversiteit in procedurestappen
14. Een bestuurlijke procedure kent daarnaast (potentieel) verschillende fasen. Ook dat is een belangrijk kenmerk van het bestuursrecht. Ik onderscheid de initiële bestuurlijke procedure, de procedure na het instellen van een bestuurlijk beroep en de procedure voor de bestuursrechter.41 Een theorie inzake de algemene beginselen die het bewijs in het bestuursrecht beheersen, moet al deze fasen omvatten.
E. Gebrek aan aandacht van de bestuursrechters voor de bewijsproblematiek
15. Gelet op de grote diversiteit aan bestuursrechters beperk ik me tot de analyse van de rechtspraak van de Raad van State, de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De Raad van State is als algemene bestuursrechter bevoegd voor beroepen tegen definitieve eenzijdige bestuurlijke rechtshandelingen, tenzij de regelgever een bepaalde materie uitdrukkelijk aan zijn bevoegdheid heeft onttrokken en heeft toegewezen aan een bijzonder bestuursrechtscollege, dan wel aan de gewone hoven en rechtbanken. Als cassatierechter heeft de Raad van State ook het laatste woord wat betreft de invulling van de beginselen van behoorlijk bestuur en van eventuele (andere) bewijsrechtelijke beginselen. Daarnaast onderzoek ik de rechtspraak van twee bijzondere bestuursrechtscolleges. De keuze voor de analyse van de rechtspraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen werd voornamelijk ingegeven vanuit de bijzondere relatie tussen de betrokken partijen in het hogeronderwijscontentieux. In het hogeronderwijscontentieux is er vaak sprake van een sterk interpersoonlijk aspect.42 Het is dan ook interessant om te onderzoeken of de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen rekening houdt met de specifieke kenmerken van de betrokken partijen bij het beantwoorden van bewijsgerelateerde vragen. De keuze voor de analyse van de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen steunt op het gegeven dat aan (omgevings)vergunningsprocedures vaak een groot aantal feitelijke beoordelingen voorafgaat.43 Het rechtspraakonderzoek van de Raad voor Vergunningsbetwistingen blijft beperkt tot het recht van de ruimtelijke ordening.44
16. De bestudeerde bestuursrechters kwalificeren discussies over feiten zelden expliciet als bewijsproblemen en in het algemeen vond ik weinig expliciete referenties terug naar algemene principes van bestuurlijk bewijsrecht. De bestudeerde bestuursrechters zijn m.a.w. niet bewust bezig met het bestuurlijk bewijsrecht. Zij hanteren zelden het begrip «bewijs» (of een afgeleide daarvan) als trefwoord en/of relevante zoekterm. Dit leidt tot een heel uiteenlopende terminologie en een divers begrippenapparaat. Daarnaast bieden besturen en bestuursrechters traditioneel weinig inzicht in hun achterliggend bewijsoordeel. Welke bewijswaarde zij bijvoorbeeld hechten aan bepaalde bewijsmiddelen, blijft doorgaans onderbelicht.45 Hetzelfde geldt voor de redenen waarom zij oordelen dat bepaalde beweringen bijvoorbeeld al dan niet aannemelijk worden gemaakt. Het gebrek aan aandacht van de bestuursrechters voor vragen inzake het bewijs van de feiten bemoeilijkte in belangrijke mate de zoektocht naar algemene beginselen die het bewijs beheersen. Toch vormde hun rechtspraak de belangrijkste bron van informatie om algemene beginselen uit te ontwaren die het bewijs van de feiten in het bestuursrecht beheersen, gelet op het gebrek aan algemene regelgeving en algemene theorievorming.46
17. Ik ging daarbij ook na of de bestudeerde bestuursrechters de vragen naar het «wie, wat en hoe» van het bestuurlijk bewijsrecht al dan niet verschillend beantwoorden. Ik stelde vast dat de rechtspraak van deze bestuursrechtscolleges inzake het bewijs van de feiten in belangrijke mate gelijkloopt. De diversiteit aan bestuursrechters leidt met andere woorden niet tot significante uiteenlopende benaderingen van het bestuurlijk bewijsrecht. Binnen de Raad van State stel ik bovendien geen opvallende verschillen vast tussen de rechtspraak van de Franstalige kamers en de Nederlandstalige kamers.
III. Bewijs van de feiten in het bestuursrecht naar positief recht
A. Bewijslast
Met de bewijslast beantwoord ik de vraag naar wie verantwoordelijk is om het bewijs van bepaalde feiten in het bestuursrecht te leveren.47 Deze vraag speelt zowel in de initiële bestuurlijke procedure, de bestuurlijke beroepsfase als de fase voor de bestuursrechter.
1° Initiële bestuurlijke procedure
a. Zorgvuldigheidsbeginsel en materiëlemotiveringsbeginsel staan centraal bij het feitenonderzoek
18. Het bestuur moet steeds het bewijs kunnen leveren van de deugdelijkheid, volledigheid en juistheid van de feiten waarop het zijn beslissing steunt. Dit vloeit voort uit het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. In de initiële bestuurlijke procedure stelt het bestuur de relevante feiten voor het eerst vast. Het bestuur kan vervolgens op basis van die feiten een beslissing nemen. In de initiële bestuurlijke procedure staan de feitenverzameling en de feitencontrole centraal. Daar de Raad van State als cassatierechter optreedt ten aanzien van de beslissingen van de bijzondere bestuursrechtscolleges, vullen de bestudeerde bestuursrechters beide beginselen, wat de feitenvinding en de feitenvaststelling betreft, nagenoeg op dezelfde manier in. Wel concludeer ik dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in zijn rechtspraak meer aandacht besteedt aan de precaire en zwakkere positie waarin een student zich doorgaans bevindt en dus meer oog heeft voor de ongelijke positie van de bestuurde ten aanzien van het bestuur. Daarnaast blijkt uit de rechtspraakanalyse dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen - bij gebrek aan regelgeving ter zake - zich tegelijkertijd zeer soepel opstelt ten aanzien van een bestuur dat nalaat het administratief dossier tijdig te bezorgen.48
19. Een zorgvuldig feitenonderzoek omvat enerzijds een verzamelplicht en anderzijds een verificatie- en onderzoeksplicht.
20. De verzamelplicht definieer ik als de plicht om de relevante feitelijke informatie en stukken te verzamelen waarop het bestuur vervolgens zijn beslissing kan steunen. Gelet op de afwezigheid van een geschil is in de initiële bestuurlijke besluitvormingsfase nog geen sprake van een echte bewijslast. Wie de verzamelplicht draagt, is afhankelijk van de aard van de bestuurlijke beslissing. Ik maak een onderscheid tussen beslissingen op aanvraag, ambtshalve beslissingen en beslissingen na een oproep door het bestuur.
21. Bij beslissingen op aanvraag, zoals vergunningen, draagt de bestuurde in principe de verzamelplicht.49 De bestuurde wil van het bestuur een bepaald voordeel verkrijgen. Het is in beginsel dan ook zijn taak om de feitelijke informatie te verzamelen waaruit blijkt dat de voorwaarden om de beslissing op aanvraag te verkrijgen, ook effectief zijn vervuld. Dit geldt ook bij beslissingen na een oproep door het bestuur, zoals benoemingen, bevorderingen of overheidsopdrachten.50 Ook hier vraagt de bestuurde aan het bestuur om een bepaald voordeel te verlenen. Bij beslissingen na een oproep door het bestuur neemt het bestuur echter initieel het initiatief en stuurt het op een bestuurlijke beslissing aan. Het bestuur is m.a.w. vragende partij en heeft er zelf ook baat bij dat een bestuurlijke beslissing wordt genomen. Dat het bestuur ook zelf vragende partij is en een voordeel haalt uit de bestuurlijke beslissing, verantwoordt en verklaart een extra inspanning van het bestuur om mee de relevante feiten te verzamelen. Bovendien moet het bestuur vooraf bepalen welke feitelijke informatie de bestuurde moet verstrekken en welke feiten dus moeten worden bewezen.51 Bij ambtshalve beslissingen, zoals tuchtstraffen en de ambtshalve in- of uitschrijving van een bestuurde in of uit het bevolkingsregister, draagt het bestuur in principe de verzamelplicht.52 Het bestuur initieert het besluitvormingsproces en wil ten aanzien van de bestuurde ambtshalve een bepaalde beslissing nemen. De bestuurde heeft met de start van de besluitvormingsprocedure in beginsel niets te maken. Bij ambtshalve beslissingen van bestraffende aard volgt de verdeling van de verzamelplicht uit het vermoeden van onschuld.53 Het vermoeden impliceert ook dat van een bestuurde geen medewerking mag worden verwacht bij het verzamelen van de relevante feitelijke informatie.54 Bij niet-bestraffende ambtshalve beslissingen mag de bestuurde de (zorgvuldige) feitenverzameling door het bestuur in beginsel niet verhinderen.55
22. Hoewel het bestuur de feiten in principe zelf moet verzamelen, mag/kan het de verzamelplicht ook uitbesteden.56 Het uitbesteden van de verzamelplicht, bijvoorbeeld door adviezen in te winnen, kan zelfs noodzakelijk zijn om met kennis van zaken te kunnen oordelen.57
23. De verdeling van de verzamelplicht in de bestuurlijke besluitvormingsfase sluit in belangrijke mate aan bij de basisregel die in het burgerlijk bewijsrecht de bewijslastverdeling bepaalt.58 Op grond van artikel 8.4, eerste lid BW moet de partij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. De partij die zich voor de rechter op een bepaald rechtsgevolg beroept, moet dus de feiten bewijzen die dat rechtsgevolg activeren (cf. het adagium «actori incumbit probatio»). Op grond van artikel 8.4, tweede lid BW moet hij die beweert bevrijd te zijn, op zijn beurt de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen (cf. het adagium «reus in excipiendo fit actor»).59 Artikel 8.4 BW kan echter niet één op één worden toegepast, gelet op de eigenheid van het bestuursrecht. In de initiële bestuurlijke besluitvormingsfase is van een rechterlijke tussenkomst immers nog geen sprake. Daarnaast draagt het bestuur steeds de eindverantwoordelijkheid voor de beslissingen die het treft, ongeacht de aard van de bestuurlijke beslissing.
24. Wie de verzamelplicht draagt, draagt in principe ook het bewijsrisico.60 Volstaat de verzamelde feitelijke informatie niet, dan zal de partij die de verzamelplicht draagt, hiervan dus de (nadelige) gevolgen ondervinden.
25. Eerder benadrukte ik dat de traditioneel ongelijke positie tussen bestuurde en bestuur ook speelt op bewijsrechtelijk vlak. Dit resulteert in informatie-asymmetrie, veelal in het voordeel van het bestuur. Voor de bestuurde is het bijgevolg vaak moeilijker om aan zijn verzamelplicht te voldoen. In deel IV doe ik een aantal voorstellen om deze traditioneel ongelijke positie van de bestuurde te compenseren.
b. Verificatie- en onderzoeksplicht voor het bestuur ongeacht de aard van de bestuurlijke beslissing
26. Ongeacht de aard van de bestuurlijke beslissing rust op het bestuur steeds een verificatie- en onderzoeksplicht. Dit volgt uit het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.61 Het bestuur moet de verzamelde feiten en stukken steeds aan een deugdelijk en zorgvuldig onderzoek onderwerpen.62 Pas na een gedegen onderzoek kan het bestuur de feiten waarop het een beslissing wil steunen, op zorgvuldige wijze vaststellen.63 De verificatie- en onderzoeksplicht geldt ook wanneer het bestuur (een deel van) de feitenverzameling heeft uitbesteed, omdat het bijvoorbeeld de vereiste kennis en/of technische expertise ontbeert. Het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel vormen dan ook de belangrijkste bron van plichten voor het bestuur inzake het bewijs van de feiten waarop het zijn beslissing steunt.64 Ook in de andere bestudeerde rechtsstelsels geldt een verificatie- en onderzoeksplicht voor het bestuur. Wat de taakverdeling inzake de feitenverzameling in de bestuurlijke besluitvormingsprocedure betreft, verschillen de bestudeerde rechtsstelsels bijgevolg niet fundamenteel van elkaar. In het Belgische bestuursrecht vloeit de onderzoeks- en verificatieplicht echter voort uit de invulling door de rechter van het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Ook in het Franse bestuursrecht bepaalt de bestuursrechtspraak de verantwoordelijkheden van de partijen inzake de feitenverzameling.65 In het Duitse en het Nederlandse bestuursrecht is de onderzoeksplicht voor het bestuur uitdrukkelijk regelgevend verankerd66, hoewel ook in het Nederlandse bestuursrecht het zorgvuldigheidsbeginsel een belangrijke sturende rol speelt.67
c. Dossierplicht voor het bestuur ongeacht de aard van de bestuurlijke beslissing
27. Uit het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel volgt dat het bestuur steeds de eindverantwoordelijkheid draagt voor de beslissingen die het treft. Dit impliceert dat het bestuur ook steeds de juistheid, volledigheid en deugdelijkheid moet kunnen bewijzen van de feiten waarop een beslissing steunt wanneer hierover discussie rijst. Het bestuur kan dit bewijs leveren aan de hand van de (motivering van de) bestuurlijke beslissing68 of het administratief dossier69. Hieruit leid ik een belangrijke dossierplicht af voor het bestuur. Enkel via een zorgvuldig samengesteld administratief dossier kan het bestuur in een eventuele latere procedure bewijzen dat het zich heeft gekweten van zijn taak tot zorgvuldige feitenverzameling en feitenonderzoek.70 Het belang van het administratief dossier als bewijsmiddel blijkt ook uit de gevolgen die de bestudeerde bestuursrechters ingevolge de toepasselijke regelgeving moeten hechten aan het niet-, laattijdig of onvolledig neerleggen ervan.71 In een procedure voor de Raad van State heeft de niet- of laattijdige neerlegging tot gevolg dat het wettelijk vermoeden uit artikel 21, lid 3 RvS-Wet in werking treedt. Op grond daarvan beschouwt de Raad van State de feiten, zoals aangehaald door de verzoekende partij, als bewezen, tenzij de feiten kennelijk onjuist zouden zijn. Ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen past dit vermoeden toe bij de niet-neerlegging van het administratief dossier.72 Bij de laattijdige neerlegging treedt het vermoeden echter pas in werking wanneer de griffier van de Raad voor Vergunningsbetwistingen het bestuur uitdrukkelijk heeft verzocht het administratief dossier alsnog te bezorgen en het bestuur hieraan geen gevolg geeft binnen de door de griffier bepaalde termijn.73 Bezorgt het bestuur een onvolledig administratief dossier, dan wenden de referendarissen, auditeurs en/of bestuursrechters in principe hun onderzoeksbevoegdheden aan om het administratief dossier alsnog te vervolledigen, zeker wanneer stukken ontbreken die noodzakelijk zijn voor de beslechting van het geschil.74 Niettemin blijft het gebruik van die onderzoeksbevoegdheden doorgaans onder de radar, aangezien de arresten zelden uitdrukkelijk vermelden welke onderzoeksbevoegdheden desgevallend werden aangewend en door wie.
2° Bestuurlijke beroepsfase
28. De bestuurlijke beroepsfase impliceert het ontstaan van een geschil en/of onenigheid tussen het bestuur dat de initiële bestuurlijke beslissing heeft genomen, en de bestuurde die zich tegen deze bestuurlijke beslissing verzet. Uit het vermoeden van wettigheid volgt dat de bestuurde in principe als eerste aan zet is.75 De bestuurde moet in beginsel aangeven waarom hij het oneens is met de feiten die ten grondslag liggen aan de bestuurlijke beslissing. Het vermoeden van wettigheid impliceert dus een aanvoerings- en onderbouwingslast voor de bestuurde. Het bestuurlijk beroepsorgaan is een orgaan van actief bestuur. Het kan zich dus over alle aspecten van de zaak uitspreken.76 Het bestuurlijk beroepsorgaan kan ook het feitenonderzoek overdoen en de feiten vaststellen.77 De bestuurlijke beroepsfase vormt in die zin een tweede kans voor het bestuur om zijn verzamelplicht en onderzoeks- en verificatieplicht op een zorgvuldige wijze uit te oefenen. Zo een tweede feitenonderzoek bevordert de deugdelijkheid en de kwaliteit van de bestuurlijke besluitvorming.78 Dat een bestuurlijk beroepsorgaan zijn beslissing niet in de plaats kan stellen (dit is het geval voor bestuurlijke beroepen zonder devolutieve werking), doet hieraan geen afbreuk. De omvang van het rechtsherstel dat een bestuurlijk beroepsorgaan kan bieden, staat immers los van zijn bevoegdheid om het feitenonderzoek en de feitenvaststelling over te doen.79 De vraag rijst of het bestuurlijk beroepsorgaan ook verplicht is het feitenonderzoek over te doen wanneer de bestuurde hierover geen bezwaren heeft gemaakt. Als orgaan van actief bestuur is het bestuurlijk beroepsorgaan ook gebonden door het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.80 In de bestuurlijke beroepsfase werken de plichten uit de initiële bestuurlijke besluitvormingsfase dan ook door. Hieruit afleiden dat het bestuur altijd en per definitie het feitenonderzoek en de feitenvaststelling moet overdoen, zelfs wanneer de bestuurde niet expliciet wijst op problemen inzake de feitenvinding door het initiële bestuur, is m.i. te verregaand. Het bestuurlijk beroepsorgaan zou m.i. echter wél ambtshalve moeten overgaan tot een eigen feitenonderzoek wanneer op basis van een eerste nazicht voor iedereen duidelijk is dat de feitenvinding door het initiële bestuur hiaten of onnauwkeurigheden bevat.
29. Wat de «overige feiten» betreft, draagt de bestuurde in de bestuurlijke beroepsfase wel de bewijslast.81 Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan feiten waaruit blijkt dat het bestuur of een lid ervan zich tijdens de bestuurlijke besluitvormingsfase partijdig zou hebben opgesteld. Bij bestuurlijke beroepen met een devolutieve werking kan het bestuurlijk beroepsorgaan eventuele problemen over die «overige feiten» zelf rechtzetten. In die zin beschikken dergelijke bestuurlijke beroepen ook over een belangrijke herstelfunctie.82
3° Fase voor de bestuursrechter
30. In geval van blijvende onenigheid kan een bestuurde een procedure aanhangig maken bij de bestuursrechter. Ook in de fase voor de bestuursrechter is het onderscheid tussen de feiten waarop de bestuurlijke beslissing steunt en de «overige feiten» van belang.
31. Zoals eerder benadrukt, draagt het bestuur finaal de bewijslast inzake de deugdelijkheid, volledigheid en juistheid van de beslissingen die het treft. Het vermoeden van wettigheid verzacht en verlicht die bewijslast, maar zorgt niet voor een omkering ervan in het nadeel van de bestuurde. Een dergelijke omkering van de bewijslast zou immers haaks staan op de plichten die het bestuur draagt in de bestuurlijke fasen voorafgaand aan de fase voor de bestuursrechter. Uit het vermoeden van wettigheid volgt ook in de bestuursrechtelijke fase wel een aanvoerings- en onderbouwingslast voor de bestuurde wanneer hij de feiten waarop de bestuurlijke beslissing steunt, betwist.83 De bestuurde moet een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoeren en aan de hand van precieze en concrete gegevens argumenteren waarom hij het oneens is met de feiten waarop de bestuurlijke beslissing steunt.84 Hierin onderscheidt het Belgische bestuursrecht zich van het Duitse bestuursrecht. Het recht op effectieve rechtsbescherming, zoals vervat in artikel 19(4) Grundgesetz, verzet zich uitdrukkelijk tegen het verlenen van een vermoeden van wettigheid aan bestuurlijke beslissingen. Rekening houdend met het principe van het ex officio-onderzoek, dat ook geldt voor de bestuursrechter, wordt in de fase voor de bestuursrechter op bewijsrechtelijk vlak relatief weinig van de bestuurde verwacht.
32. Het bestuur loopt finaal ook het bewijsrisico wanneer de deugdelijkheid van de feiten waarop het zijn beslissing heeft gebaseerd - en bij uitbreiding het zorgvuldig onderzoek daarnaar - niet is komen vast te staan. Het bestuur zal zijn beslissing dan immers geschorst, vernietigd of buiten toepassing gelaten zien.
33. Voert een bestuurde in zijn verzoekschrift «overige feiten» aan, dan wordt op het vlak van het bewijs méér van hem verwacht. Hier is sprake van een effectieve bewijslast voor de bestuurde. Het gaat bijvoorbeeld over feiten die aanleiding kunnen geven tot een schending van het onpartijdigheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betreft een toepassing van het bewijslastprincipe uit het burgerlijk bewijsrecht, zoals vervat in artikel 8.4 BW en artikel 870 Ger.W. Slaagt de bestuurde niet in zijn bewijslast, dan wordt de bestuurlijke beslissing niet geschorst of vernietigd. De bestuurde draagt dus ook het bewijsrisico wanneer de «overige feiten» niet zijn komen vast te staan. Uit het rechtspraakonderzoek blijkt dat de bestuurde er zelden in slaagt het bewijs van de «overige feiten» te leveren. In deel IV doe ik een aantal aanbevelingen om tegemoet te komen aan deze zware bewijslast voor de bestuurde.85 Slaagt de bestuurde er uitzonderlijk in de «overige feiten» te bewijzen, dan impliceert dit bovendien niet per definitie de vernietiging of de schorsing van de bestreden beslissing. De bestuursrechter moet immers uitmaken of de feiten al dan niet juridisch kunnen worden gekwalificeerd als een schending van het aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur. Dit is doorgaans afhankelijk van een heel aantal randvoorwaarden.86 Gelet op de zware bewijslast voor de bestuurde inzake de «overige feiten» zie ik ruimte voor een omkering van de bewijslast wanneer zijn argumentatie een voldoende graad van zekerheid vertoont.87
34. De rechtspraakanalyse toont verder aan dat de bestudeerde bestuursrechters zich traditioneel en in theorie eerder terughoudend opstellen wat het feitenonderzoek en de feitenvaststelling betreft.88 Hierin onderscheidt het Belgische bestuursrecht zich van de overige bestudeerde rechtssystemen. Zowel in het Nederlandse89, Franse90 als Duitse91 bestuursrecht geldt als uitgangspunt immers een actieve bestuursrechter die waar nodig zelf de feiten onderzoekt en vaststelt. Mogelijke verklaringen voor deze terughoudendheid van de bestudeerde bestuursrechters m.b.t. het feitenonderzoek en de feitenvaststelling zijn o.m. het principe van de scheiding der machten, de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het bestuur, de beperkte herzieningsbevoegdheid van de bestuursrechters, het gebrek aan een omstandig wettelijk kader, een gebrek aan de vereiste technische deskundigheid en/of expertise en de druk om binnen een redelijke termijn een uitspraak te doen (en het gegeven dat het aanwenden van onderzoeksbevoegdheden procesverlengend werkt). Ik argumenteer echter dat de terughoudende opstelling van de bestuursrechters zich zou moeten beperken tot de kwalificatie en/of waardering van de feiten en het bepalen van de gevolgen die eruit voortvloeien. Wat het effectieve onderzoek naar en de vaststelling van de feiten betreft, beschikt het bestuur m.i. niet over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid.92 Daarenboven verantwoorden het inquisitoriale karakter en de nood aan een meer finale geschilbeslechting m.i. een bestuursrechter die zelf actief de feiten onderzoekt en vaststelt.93 Bovendien blijkt uit het onderzoek dat de terughoudende opstelling van de bestuursrechters niet altijd verenigbaar is met de vereiste van toegang tot een rechter oordelend met volle rechtsmacht in de zin van artikel 6 EVRM. Uit de rechtspraak blijkt immers dat het EHRM verregaande eisen stelt inzake het rechterlijk toezicht op de feiten en ook van de bestuursrechter een actieve houding verwacht.94 Op grond van artikel 6 EVRM zal een bestuursrechter in sommige gevallen méér moeten doen dan concluderen dat de feiten onzorgvuldig zijn vastgesteld om het vervolgens aan het bestuur over te laten zijn huiswerk opnieuw te maken. Soms komt het wel degelijk aan de bestuursrechter toe om zijn onderzoeksbevoegdheden aan te wenden en de feiten zelf te onderzoeken en vast te stellen. In het licht van artikel 6 EVRM moet de bestuursrechter o.m. aandacht hebben voor de wijze waarop de bestuurlijke procedure is verlopen.95 De bestuursrechter moet nagaan of het bestuur de procedurele waarborgen lopende de bestuurlijke besluitvormingsfase wel voldoende heeft geëerbiedigd. Daarbij mag de bestuursrechter niet uit het oog verliezen dat de relatie tussen het bestuur en de burger in beginsel gestoeld is op ongelijkheid, ook wat de bewijsvoering en de vaststelling van de feiten betreft. Het louter «terugsturen» van het feitenonderzoek naar het bestuur zal om die reden soms onverenigbaar zijn met de vereiste van «volle rechtsmacht». Om de wapengelijkheid tussen de partijen te garanderen, kan het frequenter aanwenden van de onderzoeksmogelijkheden waarover de bestudeerde bestuursrechters beschikken, nodig zijn. In deel IV ga ik hier dieper op in en formuleer ik op dit punt een aantal aanbevelingen voor de bestuursrechters.96
35. Een logisch gevolg van deze terughoudende opstelling is dat de bestuursrechters zelden gebruik maken van de onderzoeksbevoegdheden waarover zij beschikken. Opvallend genoeg verschilt het Belgische bestuursrecht hierin niet van de andere bestudeerde rechtsstelsels. Ondanks een fundamenteel verschillend uitgangspunt inzake hun bevoegdheid wat het feitenonderzoek en de feitenvaststelling betreft, blijkt dat ook de Nederlandse97, Duitse98 en Franse99 bestuursrechters hun onderzoeksbevoegdheden eerder zelden aanwenden. Wat België betreft, kan het beperkte gebruik van de onderzoeksbevoegdheden mogelijk ook worden verklaard door het vooronderzoek door de referendarissen respectievelijk de auditeurs bij de bestudeerde bestuursrechters. Dit vooronderzoek speelt een belangrijke rol en neemt een centrale plaats in binnen de bestuursrechtelijke procedure. De rol die de referendarissen en de auditeurs inzake het feitenonderzoek op zich nemen en de mate waarin zij daarbij eventueel gebruik maken van hun onderzoeksbevoegdheden, zijn echter niet transparant. De arresten van de bestudeerde bestuursrechters bevatten hierover doorgaans geen informatie. Dat de rechtspraak van de bestudeerde bestuursrechters weinig voorbeelden biedt waarin de onderzoeksbevoegdheden effectief worden aangewend, betekent dus niet noodzakelijk dat er geen gebruik van wordt gemaakt. Of en door wie bepaalde onderzoeksbevoegdheden worden aangewend, wordt echter zelden geëxpliciteerd in het uiteindelijke arrest.
36. Uit verschillende arresten leid ik echter af dat de bestudeerde bestuursrechters zich mogelijk meer mengen in de feitenvinding dan zij in theorie laten uitschijnen. Bestuursrechters vernietigen een bestuurlijke beslissing immers wel degelijk op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel of het materiëlemotiveringsbeginsel wanneer zij een hiaat in de feitenvinding door het bestuur ontdekken. Dit veronderstelt minstens impliciet een eigen onderzoek naar de feiten.100
B. Voorwerp van het bewijs
1° Het voorwerp van het bewijs kan in het bestuursrecht niet op algemene wijze worden bepaald
37. Het voorwerp van het bewijs betreft dus de vraag welke feiten nu juist moeten worden bewezen.
38. Enkel wanneer een bestuur over alle relevante feitelijke informatie beschikt, kan het met kennis van zaken een beslissing nemen. Dit vloeit voort uit het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.101 Over welke feitelijke informatie het bestuur precies moet beschikken, is in de initiële bestuurlijke besluitvormingsfase dermate afhankelijk van de aard van de bestuurlijke beslissing dat ik hierover moeilijk algemene uitspraken kan doen. Het voorwerp van het bewijs is bovendien afhankelijk van de aard van de bestuurlijke beslissing en de specifieke omstandigheden van de zaak. De vraag naar «wat» de bestuurde of het bestuur precies moet bewijzen in de initiële bestuurlijke fase, kan bijgevolg niet op algemene wijze worden beantwoord. Ook de regelgeving geeft zelden duidelijk aan welke feitelijke informatie precies moet worden aangereikt. Hierdoor is het voor een bestuur vaak niet helder waarvan het precies het bewijs moet leveren.
39. Ook in de fase voor de bestuursrechter kan het voorwerp van het bewijs niet op algemene wijze worden bepaald. Het voorwerp van het bewijs is immers afhankelijk van de schending die de bestuurde aanvoert. Daarnaast spelen ook in deze fase de precieze omstandigheden van de zaak een bepalende rol.
2° Wettelijke vermoedens kunnen het voorwerp van het bewijs bepalen
40. Wettelijke vermoedens kunnen het voorwerp van het bewijs bepalen. Bij een wettelijk vermoeden bepaalt de wet dat uit het bewijs van bepaalde feiten het bewijs van een ander feit moet worden afgeleid.102 De partij in wier voordeel het wettelijk vermoeden speelt, moet niet meer alle elementen bewijzen die haar recht ondersteunen, maar slechts enkele ervan of andere elementen. In die zin verlichten de wettelijke vermoedens de bewijslast. Ik denk hierbij aan de vermoedens van vergunning uit het recht van de ruimtelijke ordening.103 Ook het vermoeden van de juistheid van het feitenrelaas van de verzoekende partij, wanneer het bestuur nalaat het administratief dossier (tijdig) te bezorgen in een procedure voor de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen, kwalificeer ik als een wettelijk vermoeden dat in het voordeel speelt van de bestuurde.104
3° Feiten moeten in de fase voor de bestuursrechter maar worden bewezen voor zover ze worden betwist
41. Betwist een bestuurde de feiten die ten grondslag liggen aan de bestuurlijke beslissing en het onderzoek daarnaar niet uitdrukkelijk in zijn verzoekschrift, dan blijft het vermoeden van wettigheid onverkort gelden. Het bestuur moet in dat geval niet het bewijs van de deugdelijkheid van zijn beslissing leveren. Die deugdelijkheid wordt immers vermoed.
42. Betwist de bestuurde de juistheid van de feiten waarop de bestuurlijke beslissing steunt wel in zijn verzoekschrift, dan kan het bestuur geen passieve en afwachtende houding aannemen. Het bestuur moet in dat geval op zijn beurt het feitenrelaas, zoals uiteengezet door de bestuurde, betwisten. Dit leid ik af uit de gevolgen die de RvS-Wet en het DBRC-Procedurebesluit hechten aan de niet-neerlegging van het administratief dossier door het bestuur.105 Laat het bestuur na het administratief dossier (tijdig) te bezorgen, dan worden de feiten, zoals uiteengezet door de verzoekende partij in haar verzoekschrift, immers voor waar gehouden, tenzij ze kennelijk onjuist zouden zijn. Die laatste voorwaarde maakt dat de bestuursrechter de feiten, zoals uiteengezet door de bestuurde, wel steeds aan een marginale toetsing moet onderwerpen. Hierin onderscheidt het bestuursrecht zich van het burgerlijk recht. Uit voormelde artikelen vloeit bovendien voort dat er al sprake is van voldoende betwisting zodra het bestuur het administratief dossier bezorgt. Het vermoeden van de juistheid van het feitenrelaas van de bestuurde, wanneer het bestuur nalaat het administratief dossier te bezorgen, verzacht een al te strenge toepassing van het vermoeden van wettigheid.
43. De bestuurde moet ook de «overige feiten» die hij aanvoert maar bewijzen voor zover het bestuur ze betwist. Hiervoor is m.i. méér vereist dan het louter neerleggen van het administratief dossier. Het administratief dossier bevat immers zelden een weerslag van die «overige feiten». Wat het bestuur precies moet doen, blijkt echter niet duidelijk uit de bestudeerde rechtspraak.
44. Net als in het burgerlijk recht kent het principe dat enkel betwiste feiten moeten worden bewezen, ook in het bestuursrecht bepaalde grenzen. Wat de feiten betreft die ten grondslag liggen aan de bestuurlijke beslissing, moet de bestuursrechter het feitenrelaas van de bestuurde minstens aan een marginale controle onderwerpen bij gebrek aan betwisting door het bestuur. Ook de bestuursrechter kan bovendien ingrijpen wanneer de openbare orde in het gedrang komt, en dit door ambtshalve middelen of excepties op te werpen.106
45. Ik stel vast dat de vereiste van betwisting ook geldt in het Franse rechtsstelsel.107 In het Nederlandse108 en Duitse109 bestuursrecht geldt als (theoretisch) uitgangspunt dat de bestuursrechter niet gebonden is door de feiten zoals voorgesteld door de partijen, wanneer deze niet worden betwist. Ondanks dit verschillende uitgangspunt blijkt uit de praktijk echter dat ook in die rechtsstelsels de bestuursrechters een minimum aan betwisting vereisen vooraleer bepaalde feiten moeten worden bewezen.110
C. Bewijsstandaard
1° Over de bewijsstandaard bestaat in het bestuursrecht grote onduidelijkheid
46. Wanneer we weten wie de bewijslast draagt en welke feiten moeten worden bewezen, rijst de vraag naar de graad van zekerheid die dat bewijs moet vertonen. Dit is een belangrijke vraag. Pas wanneer de bewijsstandaard wordt bereikt, slaagt de partij die de bewijslast draagt, ook effectief in haar bewijslast. Op de vraag welke bewijsstandaard(en) in het bestuursrecht geld(t)(en), kan geen duidelijk antwoord worden gegeven. Over de bewijsstandaard heerst in het bestuursrecht immers grote onduidelijkheid. De bestuursrechters hanteren in hun rechtspraak een bonte verzameling aan «bewijsstandaarden».111 Zij verduidelijken niet waarom voor een bepaalde bewijsstandaard wordt gekozen, noch passen zij de bewijsstandaarden op een consequente wijze toe. Zij lijken vaak eerder op basis van hun intuïtie te oordelen, zonder dat aan de variaties in de bewijsstandaard een duidelijke theorie ten grondslag lijkt te liggen. Soms gebruiken de bestuursrechters in hetzelfde arrest ook verschillende bewijsstandaarden door elkaar.112 Van een eenduidig en duidelijk begrippenkader of een eenvormige terminologie is ook geen sprake.113 Dit zorgt voor rechtsonzekerheid en toont aan dat bestuursrechters vandaag niet bewust bezig lijken te zijn met de bewijsstandaard. Hierdoor is het onmogelijk om de uiteenlopende benaderingen van de bestuursrechters te verantwoorden. Ook de rechtsleer wijdt traditioneel geen aandacht aan de bewijsstandaard in het bestuursrecht.114 Op de vraag met welke graad van zekerheid de feiten in het bestuursrecht moeten worden geleverd, kan ik dan ook geen eenduidig antwoord formuleren.
2° Quasi onmogelijk om in het bestuursrecht tot één algemene bewijsstandaard te komen
47. De eigenheid van het bestuursrecht maakt het quasi onmogelijk om tot één algemene bewijsstandaard te komen die geldt in alle bestuursrechtelijke materies, ongeacht het type bestuurlijke beslissing en ongeacht de bestuurlijke fase waarin we ons bevinden. Daarnaast blijft de bewijsstandaard steeds een relatief begrip waarvan de invulling afhankelijk is van een persoonlijk aanvoelen en dat daardoor moeilijk kan worden geobjectiveerd. Het relatieve karakter van de bewijsstandaard blijkt ook uit de overige bestudeerde rechtsstelsels. Daaruit leid ik immers af dat een algemeen aanvaarde bewijsstandaard, die hetzij regelgevend is verankerd115, hetzij jurisprudentieel werd ontwikkeld116, in de praktijk evenmin per definitie tot duidelijkheid leidt. De invulling ervan blijft afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak en van het bestuur dat en/of de bestuursrechter die zich erover moet uitspreken. In deel IV onderneem ik echter alsnog een poging om wat de bewijsstandaard betreft tot meer standaardisering te komen.117
D. Bewijsmiddelen en de bewijswaardering
1° In het bestuursrecht geldt in principe het vrije bewijsstelsel
48. De bewijsmiddelen zijn de middelen aan de hand waarvan de partij die de bewijslast draagt, het bewijs van de feiten kan leveren, overeenkomstig de geldende bewijsstandaard. De bewijsmiddelen vullen met andere woorden de wijze/manier in waarop het bewijs van bepaalde feiten kan of moet worden geleverd.
49. In het bestuursrecht geldt in principe het vrije bewijsstelsel.118 Hoewel er weinig rechtspraak is die dit uitdrukkelijk bevestigt119, betreft het m.i. een algemeen aanvaard uitgangspunt. Het bewijs kan in het bestuursrecht in beginsel met alle middelen van recht worden bewezen. Slechts in uitzonderlijke gevallen bepaalt de bestuurlijke regelgeving expliciet hoe het bewijs van bepaalde feiten moet worden geleverd.120 In dat geval geldt een gereglementeerd bewijsstelsel.121 Andere bewijsmiddelen zijn dan ontoelaatbaar. In uitzonderlijke gevallen lijkt ook de rechter aan te geven hoe het bewijs van bepaalde feiten moet worden geleverd.122 Een gereglementeerd bewijsstelsel heeft het voordeel van de duidelijkheid, maar leidt ook tot bewijsnood wanneer de partij die het bewijs moet leveren, het uitdrukkelijk voorgeschreven bewijsmiddel niet kan bemachtigen. In die zin kan een gereglementeerd bewijsstelsel leiden tot een versterking van de traditioneel ongelijke positie van de bestuurde ten aanzien van het bestuur. Er moet dan ook omzichtig mee worden omgesprongen. Het vrije bewijsstelsel geldt in principe zowel in de bestuurlijke besluitvormingsfase123 als in de fase voor de bestuursrechter124.
50. Soms wil het bestuur gebruik maken van bewijs dat het op onrechtmatige wijze heeft verkregen. Zowel in het straf-, het burgerlijk recht als in het fiscaal recht bepalen de Antigoon-criteria of onrechtmatig verkregen bewijs al dan niet in rechte kan worden gebruikt. Die criteria worden echter telkens aangepast aan de strafrechtelijke, burgerlijke of fiscale context. In het tuchtrecht hanteert de Raad van State de Antigoon-criteria uit het strafrecht om te bepalen of de tuchtoverheid onrechtmatig verkregen bewijs al dan niet mag gebruiken als bewijs van de tuchtfeiten en de schuld van de tuchtrechtelijk vervolgde.125 Ik stel echter vast dat de Raad van State geen aandacht besteedt aan het doel van de norm die het bestuur bij de bewijsvergaring schendt.126 Dit is m.i. problematisch wanneer de norm fundamentele rechten en vrijheden beoogt te beschermen. Een dergelijke houding versterkt in belangrijke mate de traditioneel ongelijke positie tussen het bestuur en de bestuurde en vereist aanpassing.
Het vrije bewijsstelsel biedt een grote vrijheid aan de partijen. De waarheidsvinding staat centraal en situaties van bewijsnood worden tot een minimum beperkt. Het leidt echter ook tot rechtsonzekerheid en onduidelijkheid. Deze rechtsonzekerheid en onduidelijkheid wordt in het bestuursrecht versterkt doordat zowel besturen als bestuursrechters weinig inzicht bieden in hun achterliggende oordeel over de bewijsvoering. Zij beperken zich vaak tot de stelling dat bepaalde feiten «al dan niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt». Hieruit kan moeilijk worden afgeleid aan welke voorwaarden bewijsmiddelen moeten voldoen en welke bewijswaarde besturen en/of de bestuursrechter eraan hechten.
2° In het bestuursrecht geldt in principe de vrije bewijswaardering
51. De bewijswaardering is het sluitstuk van de bewijsvoering.127 Aan de hand van de verzamelde bewijsmiddelen moet het orgaan dat bevoegd is voor de bewijswaardering, oordelen of de relevante feiten al dan niet bewezen zijn. In het bestuursrecht staan het bestuur en/of de bestuursrechter in voor de waardering van de bewijsmiddelen.
52. In het bestuursrecht geldt in beginsel de vrije bewijswaardering.128 Besturen en bestuursrechters kunnen in beginsel dus vrij de bewijswaarde van de bewijsmiddelen beoordelen. Het bestuursrecht onderscheidt zich op dit punt niet van het strafrecht of het burgerlijk recht.129 Ook in het Duitse130, Nederlandse131 en Franse132 bestuursrecht hanteert men de vrije bewijswaardering als uitgangspunt.
53. Slechts in uitzonderlijke gevallen verleent de regelgever een bijzondere bewijswaarde aan bepaalde bewijsmiddelen. De beoordelingsbevoegdheid van het bestuur of de bestuursrechter is in dat geval gebonden. Als voorbeeld besprak ik de processen-verbaal met een wettelijke bewijswaarde.133 Dergelijke processen-verbaal verlichten de bewijslast voor het bestuur. Het bestuur kan voor het bewijs van de feiten immers volstaan met een verwijzing naar het proces-verbaal in kwestie. De wettelijke bewijswaarde beperkt zich echter tot de materiële en zintuiglijke vaststellingen van de verbalisant.134 Daarnaast zijn de tuchtoverheid en de bestuursrechter ook gebonden door het oordeel van de strafrechter over het al dan niet bewezen zijn van de feiten en de schuldbekwaamheid van de tuchtrechtelijk vervolgde.135 Over die aspecten beschikken ze dus niet (langer) over enige beoordelingsvrijheid.
Het bewijs van bepaalde feiten kan niet worden geleverd aan de hand van ontoelaatbare, ongeoorloofde of valse bewijsmiddelen.136 Het bestuur of de bestuursrechter moet deze dan ook niet op hun bewijswaarde beoordelen.
54. Het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel doen bij de bewijswaardering door het bestuur steeds dienst als grenswachters. Zij omringen de bewijswaardering (en ruimer ook de volledige bewijsvoeringsprocedure) met de nodige waarborgen op inhoudelijk en procedureel vlak. De zorgvuldige en correcte feitenvinding veronderstelt ook een gedegen en zorgvuldige controle van de bewijswaarde van de bewijsmiddelen die voorliggen. Het is immers op basis van die bewijsmiddelen dat het bestuur moet beoordelen of de feiten al dan niet voldoende bewezen zijn. Een fout in de waardering van de bewijsmiddelen leidt dan ook tot een gebrekkige motivering van de beslissing.
55. In het vernietigingscontentieux kennen de bestuursrechters het bestuur traditioneel een grote beoordelingsvrijheid toe inzake het waarderen van de bewijsmiddelen waaruit de juistheid van de feiten die ten grondslag liggen aan de bestuurlijke beslissing blijkt.137 Ook dit vloeit m.i. voort uit de beperkte bevoegdheid die de bestuursrechters traditioneel voor zichzelf zien wat het feitenonderzoek en de feitenvaststelling betreft. Eerder benadrukte ik echter dat de controle van de bestuursrechter wat het onderzoek naar en het bewijs van de feiten betreft volledig moet zijn. De bestuursrechter moet zelf nagaan of de feiten waarop een bestuurlijke beslissing steunt, effectief als bewezen kunnen worden beschouwd wanneer hierover tussen de partijen discussie rijst. Dit impliceert dat de bestuursrechter ook de bewijswaardering door het bestuur moet controleren. Pas wanneer de feiten zorgvuldig zijn vastgesteld en dus bewezen zijn, kan het bestuur zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid uitoefenen en bepalen welke gevolgen aan de bewezen feiten moeten worden gehecht. Het is aan die discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het bestuur dat de bestuursrechter niet mag raken. Het beantwoorden van de vraag of bepaalde feiten al dan niet bewezen zijn, en dus of de beschikbare bewijsmiddelen een voldoende hoge bewijswaarde bezitten, gaat niet gepaard met een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Ook de bestuursrechter moet zich daar dus over uitspreken en zijn oordeel over de bewijswaarde van een bewijsmiddel desgevallend in de plaats stellen van het oordeel van het bestuur.
56. Uit de bestudeerde rechtspraak blijkt dat de controle van de bestuursrechters op de bewijswaardering door het bestuur verregaander is dan zij soms zelf doen uitschijnen door te verwijzen naar hun beperkte bevoegdheid ter zake. Om te kunnen beoordelen of het bestuur uit de verzamelde bewijsmiddelen het bewijs van bepaalde feiten kon afleiden, moet de bestuursrechter immers effectief kennisnemen van die bewijsmiddelen en ook zelf een oordeel vellen over hun bewijswaarde.138 Deze controle gebeurt echter zelden expliciet. Bestuursrechters maken hun oordeel over de bewijswaardering dan ook zelden inzichtelijk. Bestuursrechters kwalificeren problemen over de bewijswaardering als een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of het materiëlemotiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Een probleem inzake de bewijswaardering, m.n. te veel of te weinig bewijswaarde hechten aan bepaalde bewijsmiddelen, leidt dan tot een onzorgvuldigheid in de feitenvinding en heeft tot gevolg dat een bestuurlijke beslissing niet meer steunt op feiten die vaststaand en naar behoren bewezen zijn.139
IV. Bewijs in het bestuursrecht de lege ferenda: stellingen en aanbevelingen
57. De vraag rijst hoe de gebreken en lacunes die het intern bestuurlijk bewijsrecht vertoont, kunnen worden ingevuld en/of verbeterd in het licht van een aantal evaluatiecriteria: (het recht op) een effectieve rechtsbescherming van de bestuurde tegen het bestuur, de compensatie van de traditionele ongelijkheid tussen het bestuur en de bestuurde en het garanderen van de wapengelijkheid, het recht op een zinvol contact met het bestuur140, het recht om zich te vergissen141 en de proceseconomie. Bepaalde van deze evaluatiecriteria ontleen ik aan hogere rechtsregels. Zo koppel ik het recht op een effectieve rechtsbescherming van de bestuurde tegen het bestuur, de compensatie van de traditionele ongelijkheid tussen het bestuur en de bestuurde en het garanderen van de wapengelijkheid, aan artikel 6 EVRM, dat het recht op een eerlijk proces garandeert. De andere evaluatiecriteria kwalificeer ik als doelstellingen die het bestuurs(proces)recht m.i. moet nastreven. Het gaat in dat geval dus (nog) niet om hard recht. Wel zouden het recht op een zinvol contact met het bestuur, het recht om zich te vergissen en de proceseconomie m.i. minstens als principes van good governance moeten worden beschouwd.
A. Besturen en de bestudeerde bestuursrechters moeten meer aandacht besteden aan de traditioneel ongelijke positie van de bestuurde ten aanzien van het bestuur
58. Uit het onderzoek blijkt dat zowel het bestuur als de bestudeerde bestuursrechters niet altijd voldoende aandacht besteden aan de positie van de bestuurde bij het beantwoorden van bewijsgerelateerde vragen. Hierin onderscheidt het Belgische bestuursrecht zich van de andere bestudeerde bestuursrechtssystemen. In Duitsland is de aandacht voor de ongelijke positie van de bestuurde ten aanzien van het bestuur diepgeworteld in het bestuursrecht. Hier geldt immers als uitgangspunt het ex officio-onderzoek op grond waarvan het bestuur en de bestuursrechter de grootste verantwoordelijkheid dragen inzake het feitenonderzoek en de feitenverzameling. De medewerkingsplicht voor de bestuurde aan de feitenverzameling is hieraan ondergeschikt.142 Ook uit het feit dat bestuurlijke beslissingen in het Duitse bestuursrecht geen vermoeden van wettigheid genieten, volgt dat van de bestuurde op bewijsrechtelijk vlak weinig wordt verwacht.143 Ook de Franse bestuursrechter houdt volgens Expert-Foulquier in belangrijke mate rekening met de bewijsgeschiktheid voor de bewijslastverdeling. Zo is het onmogelijk om de bewijslast op een partij te leggen wanneer de andere partij het bewijs in handen heeft.144 In het Nederlandse bestuursrecht omvat artikel 3:2 Awb ook de plicht voor het bestuur om de burger te begeleiden bij het voldoen aan zijn plichten inzake de bewijsvoering.145 Het wetsvoorstel tot het invoeren van een «burgerlus» in de procedure voor de bestuursrechter, getuigt van een toenemende aandacht voor de ongelijkheid tussen het bestuur en de bestuurde op het vlak van het leveren van bewijs.146 Ook Belgische besturen en bestuursrechters moeten meer aandacht besteden aan de ongelijkheid tussen de bestuurde en het bestuur op bewijsrechtelijk vlak. Dit kan gebeuren door een redelijke invulling van de verzamelplicht voor de bestuurde (1°), maar ook door een bewijsvoorlichtingsplicht voor het bestuur (2°) en de bestuursrechter (3°).
1° De verzamelplicht voor de bestuurde moet redelijk worden ingevuld
59. Eerder wees ik erop dat de traditioneel ongelijke positie tussen bestuurde en bestuur ook speelt bij het verzamelen van de relevante feitelijke informatie. Ik stel vast dat het voor een bestuurde niet altijd eenvoudig is om aan zijn verzamelplicht te voldoen. Bij wijze van tegemoetkoming stel ik voor om de verzamelplicht van de bestuurde in alle bestuursrechtelijke materies redelijk in te vullen. Dit betekent dat de bestuurde enkel die feitelijke informatie moet aanleveren waarover hij redelijkerwijze kan beschikken. In de rechtspraak van de Raad van State vind ik weinig sporen terug van de redelijke invulling van de verzamelplicht voor de bestuurde. In de rechtspraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen vind ik dan weer wel aanwijzingen waaruit de redelijke invulling van de verzamelplicht voor de student blijkt.147 Dit verschil wordt m.i. voornamelijk ingegeven vanuit de bijzondere positie waarin een bestuurde zich in een procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bevindt. Het gaat doorgaans immers over een jonge student. Wat de redelijke invulling van de verzamelplicht betreft, kan ook inspiratie worden geput uit het Nederlandse bestuursrecht. Artikel 4:2 (2) Awb bepaalt immers uitdrukkelijk dat de bestuurde bij een beslissing op aanvraag enkel de gegevens moet verschaffen waarover hij redelijkerwijze kan beschikken.148 Ook het Duitse bestuursrecht omvat ondanks het principe van het ex officio-onderzoek en de grote verantwoordelijkheid voor het bestuur bij het verzamelen van de relevante feitelijke informatie ook een uitdrukkelijke medewerkingsplicht voor de bestuurde. § 26 (2) VwVfG beperkt de medewerkingsplicht voor de bestuurde echter tot de feitelijke informatie die hem «bekend» is en waarover hij beschikt.149 Een redelijke invulling van de verzamelplicht voor de bestuurde neemt niet weg dat het wel aan de bestuurde toekomt om in de eerste plaats een afdoende gestoffeerd aanvraagdossier samen te stellen en in te dienen voor zover hij redelijkerwijze over de mogelijkheden beschikt om dat te doen. Rekening houden met de bewijsgeschiktheid van de partijen impliceert bovendien in sommige gevallen ook dat de bestuurde de relevante feitelijke informatie moet verzamelen, wanneer hij hiertoe het beste in staat is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij persoonlijke informatie.
2° Besturen moeten aan bewijsvoorlichting doen en de bestuurde actief bijstand verlenen bij het uitoefenen van zijn verzamelplicht
60. Besturen moeten de bestuurde effectieve bijstand verlenen bij het uitoefenen van zijn verzamelplicht.150 Hiervoor put ik inspiratie uit het Nederlandse en het Duitse bestuursrecht. De Nederlandse bestuursrechters leiden uit artikel 3:2 Awb ook de plicht af voor het bestuur om de bestuurde actief bij te staan bij de bewijsvoering. Zo moet het bestuur hen o.m. informeren over hun verzamelplicht, hoe zij hieraan kunnen voldoen en hun hiertoe ook effectief de kans geven.151 In het Duitse bestuursrecht vloeit dit m.i. voort uit het principe van het ex officio-onderzoek.
61. De bestudeerde bestuursrechters erkennen deze plicht niet uitdrukkelijk in hun rechtspraak. In de rechtspraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen vind ik echter wel sporen van een dergelijke plicht terug.152 Het bestuur moet aangeven welke feitelijke informatie het nodig heeft van de bestuurde en hoe hij aan zijn verzamelplicht kan voldoen. De wetgever zou van die bewijsvoorlichting m.i. een rechtsplicht moeten maken. Besturen moeten duidelijker aangeven wat moet worden bewezen en welke bewijsmiddelen zij in het kader van dat bewijs van een bestuurde verwachten. Het is daarbij m.i. ook van belang dat het bestuur en de bestuursrechter voldoende aandacht besteden aan de bewijsgeschiktheid van de partijen en eventuele situaties van bewijsnood. Is een bestuurde niet in staat een welbepaald feit te bewijzen en is dit niet aan zijn eigen gedrag te wijten, dan moet het bestuur of de bestuursrechter hier rekening mee houden en hem desgevallend de mogelijkheid bieden het bewijs op een andere manier te leveren. Het formuleren van bewijsrichtlijnen door het bestuur, als vormen van soft law, biedt hier interessante mogelijkheden. In die bewijsrichtlijnen kunnen besturen aangeven welke bewijsmiddelen de bestuurde in een specifieke bestuursrechtelijke materie kan aanleveren om het bewijs van bepaalde feiten te leveren. Het bestuur verduidelijkt dan wat moet worden bewezen en hoe bepaalde feiten kunnen worden bewezen. Dit zal voornamelijk van belang zijn bij feiten die vanuit hun aard moeilijk te bewijzen zijn.153 Ook moet het bestuur aangeven wanneer bepaalde feitelijke informatie ontoereikend is en de bestuurde desgevallend de mogelijkheid geven om alsnog aan zijn verzamelplicht te voldoen dan wel bepaalde vergissingen recht te zetten.154
3° Bestudeerde bestuursrechters moeten aan bewijsvoorlichting doen en de bestuurde actief bijstand verlenen
62. Ook de bestudeerde bestuursrechters moeten aan bewijsvoorlichting doen en verduidelijken welke bewijsmiddelen zij van een bestuurde verwachten. In het kader daarvan zie ik soelaas in het organiseren van een zitting in een vroeg stadium van de procedure als er nog onduidelijkheid over bepaalde feiten en het bewijs daarvan zou bestaan. Op deze zitting kunnen referendarissen, auditeurs of bestuursrechters aangeven over welke feiten nog onduidelijkheid bestaat, actief vragen stellen, de partijen inlichten over hun bewijspositie en desgevallend aangeven welke bewijsmiddelen zij nog verwachten. Een dergelijke zitting moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden georganiseerd, zodat partijen nog de kans hebben om desgevallend bijkomend bewijs te bezorgen. In een procedure voor de Raad van State wordt de zitting idealiter georganiseerd vooraleer het auditoraatsverslag wordt opgemaakt. Naar aanleiding van eventuele verduidelijkingen op deze zitting kunnen de bestuursrechters ook zelf bepalen of zij hun eigen onderzoeksbevoegdheden zullen aanwenden en zo ja, welke. Hiervoor put ik inspiratie uit de andere bestudeerde rechtsstelsels. Sinds de Nieuwe Zaaksbehandeling kent het Nederlandse bestuursrecht immers een zogenaamde «regiezitting» waarin o.m. de bewijsvoorlichting door de bestuursrechter centraal staat. Ook het Nederlandse wetsvoorstel tot het invoeren van een zogenaamde «burgerlus» verhoogt de mogelijkheden van de bestuursrechter om aan bewijsvoorlichting te doen.155 Via deze «burgerlus» kan de Nederlandse bestuursrechter de bestuurde via een tussenuitspraak in de mogelijkheid stellen om zijn stellingen alsnog voldoende aannemelijk te maken aan de hand van bijkomende bewijsmiddelen of bijkomende argumentatie. In het Franse bestuursrecht voerde het decreet van 23 januari 2023 in de CJA een nieuw hoofdstuk V «les procédures orales d’instruction» in.156 De Franse regelgever erkent zo het belang van de mondelinge toelichting en beoogt het gebruik ervan te versterken. In het Duitse bestuursrecht geldt mondelinge bewijsvoering voor de bestuursrechter als uitgangspunt.157
B. Bestudeerde bestuursrechters moeten zich actiever opstellen inzake het feitenonderzoek en de feitenvaststelling
63. Uit de rechtspraakanalyse blijkt dat de bestudeerde bestuursrechters zich in theorie en traditioneel eerder terughoudend opstellen inzake het feitenonderzoek en de feitenvaststelling. Wat het effectieve onderzoek naar en de vaststelling van de feiten betreft, beschikt het bestuur m.i. echter niet over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zodat van terughoudendheid geen sprake hoeft te zijn.158 Bovendien stel ik vast dat de bestudeerde bestuursrechters wel degelijk beschikken over de nodige tools om aan een actief feitenonderzoek te doen. Zo kunnen de bestudeerde bestuursrechters briefwisseling voeren en bescheiden en inlichtingen doen overleggen159, getuigen (partijen en alle andere personen) horen160, een plaatsbezoek organiseren161 en een deskundige aanstellen162. De wetgever lijkt hier dus alleszins niet zelf gewild te hebben dat de bestuursrechter zich op dit vlak afzijdig zou houden. De bestudeerde bestuursrechters moeten zelf nagaan of de feiten waarop een bestuurlijke beslissing steunt, effectief als bewezen kunnen worden beschouwd wanneer hierover tussen de partijen discussie bestaat.
Ik ijver met andere woorden voor een bestuursrechter die zich wat het feitenonderzoek betreft, actief opstelt en frequenter gebruik maakt van de onderzoeksbevoegdheden waarover hij beschikt.163 Dit kadert in de idee van een bestuursrechter die tegelijkertijd ook een feitenrechter is.164
C. Besturen en bestuursrechters moeten meer aandacht besteden aan de bewijsstandaard
64. Ik stelde vast dat er over de bewijsstandaard in het bestuursrecht grote onduidelijkheid bestaat. De bestudeerde bestuursrechters zijn vandaag niet bewust met de bewijsstandaard bezig. Het lijkt evenwel niet mogelijk, noch wenselijk om in het bestuursrecht tot één algemene bewijsstandaard te komen.165
65. Ondanks zijn relatieve karakter heeft de bewijsstandaard wel een belangrijke impact op de bestuurlijke én rechterlijke motiveringsplicht. Besturen en bestuursrechters moeten dan ook duidelijk motiveren waarom een bepaalde bewijsstandaard al dan niet is bereikt. Bovendien vormt het ook voor de bestuurde een belangrijke aanwijzing. Besturen en bestuursrechters moeten m.i. dan ook meer aandacht besteden aan de bewijsstandaard. Voor een voorstel over welke bewijsstandaard wanneer zou moeten gelden, verwijs ik naar het proefschrift.166
D. Aanbevelingen aan de regelgever: naar een codificatie van het bestuurlijk bewijsrecht?
66. Een eventuele codificatie van het bestuurlijk bewijsrecht zorgt voor eenheid en uniformiteit.167 Daarnaast verhoogt het de kenbaarheid en toegankelijkheid van het bestuurlijk bewijsrecht en de rechtszekerheid en rechtsbescherming van de bestuurde.168 De codificatie van het bestuurlijk bewijsrecht gaat mogelijk echter ook gepaard met nadelen, waaronder het risico op verstarring.169 Om eventuele verstarring te vermijden, is de ruime formulering van de regels van groot belang.170 Die ruime en abstracte invulling leidt echter op zijn beurt mogelijk tot een gebrek aan precisie en onduidelijkheid.171
67. De vraag naar de codificatie van het bestuurlijk bewijsrecht roept in het Belgische bestuursrecht meteen een aantal vragen op. In de eerste plaats is er vandaag geen algemene bestuursrechtelijke regelgeving voorhanden waarin de bepalingen kunnen worden opgenomen. Daarnaast bestaat er ook grote onduidelijkheid over de regelgevende bevoegdheid inzake het bestuurlijk bewijsrecht, in het bijzonder wat de bestuurlijke procedure betreft. Deze bevoegdheidsvraag blijft verder echter buiten beschouwing.172
68. In deze bijdrage bespreek ik die elementen waarvoor codificatie m.i. het nuttigste is.173 Het betreft m.n. het codificeren van de plichten inzake de feitenverzameling in de bestuurlijke besluitvormingsfase en de verantwoordelijkheden van de bestuursrechters inzake het feitenonderzoek.
69. Wat het codificeren van de plichten inzake de feitenverzameling in de bestuurlijke besluitvormingsfase betreft, put ik inspiratie uit het Duitse en het Nederlandse bestuursrecht, waar de taakverdeling inzake de feitenverzameling in de bestuurlijke besluitvormingsfase in belangrijke mate regelgevend verankerd is. Ik stel allereerst de volgende bepaling voor: «Het bestuur draagt steeds de eindverantwoordelijkheid voor de zorgvuldigheid en de deugdelijkheid van de beslissingen die het treft. Het bestuur moet er zich van vergewissen over alle relevante feitelijke informatie te beschikken en deze op een zorgvuldige wijze onderzoeken, zodat het met kennis van zaken een beslissing kan nemen.»
In deze bepaling ligt de verificatie- en onderzoeksplicht voor het bestuur vervat. Hiermee sluit ik aan bij artikel 3:2 van de Nederlandse Awb, dat uitdrukkelijk bepaalt dat «het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart». Ook in het Duitse bestuursrecht is de «Untersuchungsgrundsatz» voor het bestuur verankerd in Sectie 24(1) en (2) Verwaltungsverfahrensgesetz. De voorgestelde bepaling omvat meteen ook de plicht voor het bestuur om over «alle relevante feitelijke informatie» te beschikken.
Dat het bestuur er finaal voor moet zorgen over alle relevante feitelijke informatie te beschikken, impliceert niet dat het steeds zelf de verzamelplicht draagt. Het is van belang dat de verantwoordelijkheid inzake de feitenverzameling voor de bestuurde bij beslissingen op aanvraag wordt benadrukt. De verzamelplicht voor de bestuurde moet echter redelijk worden ingevuld. Ik stel dan ook volgende bepaling voor:
«Bij beslissingen op aanvraag moet de bestuurde in de eerste plaats de relevante feitelijke informatie verzamelen waarover hij redelijkerwijze kan beschikken. Het bestuur staat de bestuurde op constructieve wijze bij. Het bestuur moet verduidelijken welke feitelijke informatie het van de bestuurde verwacht en aan de hand van welke bewijsmiddelen die feitelijke informatie kan worden bewezen. Het bestuur moet aangeven wanneer bepaalde feitelijke informatie ontoereikend is en de bestuurde in de mogelijkheid stellen om alsnog aan zijn verzamelplicht te voldoen dan wel bepaalde vergissingen recht te zetten.»
Door de redelijke invulling van de verzamelplicht voor de bestuurde wordt in belangrijke mate tegemoetgekomen aan de traditioneel ongelijke positie waarin de bestuurde zich ten aanzien van het bestuur bevindt en worden situaties van bewijsnood vermeden. De voorgestelde bepaling benadrukt ook de plicht voor het bestuur om de bestuurde actief bij te staan bij het uitoefenen van zijn verzamelplicht.174 Wat ambtshalve beslissingen betreft, stel ik de volgende bepaling voor:
«Bij ambtshalve beslissingen, m.u.v. ambtshalve beslissingen van bestraffende aard, mag de bestuurde de zorgvuldige feitenvinding door het bestuur niet verhinderen en/of bemoeilijken.»175
70. Om het actief feitenonderzoek door de bestuursrechters te stimuleren moet m.i. in de bestaande regelgeving die de rechtspleging voor het respectieve bestuursrechtscollege bepaalt, worden opgenomen wat volgt: «Bestuursrechters kunnen een volledige controle uitoefenen inzake de feiten. Zij kunnen het feitenonderzoek overdoen en moeten in het licht daarvan actief gebruik maken van de onderzoeksbevoegdheden waarover zij beschikken.»
1 Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het bewijs van de hoogte van een bepaalde constructie, of het bewijs van een geboortedatum. In bepaalde materies, zoals het vreemdelingenrecht, kunnen ook hierover belangrijke bewijsproblemen rijzen.
2 Er bestaat wel sectorale regelgeving die bijvoorbeeld de bewijslast regelt: zie bijvoorbeeld art. 15 Omgevingsvergunningsbesluit.
3 De rechtsleer ter zake is dan ook beperkt; zie wel: M.F. Debaedts, «La preuve dans le contentieux administratif Belge», rapport voor het derde colloquium van ACA Europe, http://www.aca-europe.eu/images/media_kit/colloquia/1972/belgium101_fr.pdf.
4 In de rechtsleer vind ik wel een bespreking van beginselen die een impact hebben op bewijsgerelateerde vragen zoals bv. het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel (zie de bijdragen in I. Opdebeek en M. Van Damme (eds.), Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, die Keure, 2006, 491 p.; I. Opdebeek en A. Coolsaet, Algemene beginselen van ambtenarentuchtrecht, Brugge, die Keure, 2011, 674 p.).
5 M. Leroy, Contentieux administratif (5e ed.), Limal, Anthemis, 2011, 1010 p; R. Stevens en K. Didden, Raad van State afdeling bestuursrechtspraak - Het procesverloop, Brugge, die Keure, 2018, 811 p.
6 A. Stijleman, Bewijs in het bestuursrecht. Naar een theorie over algemene beginselen van bewijs in het bestuursrecht, Brugge, die Keure, 2026, 542 p.
7 Gelet op het historische belang van het tuchtrecht voor de ontwikkeling van de algemene principes en leerstukken in het bestuursrecht. De rechtspraak van de Raad van State over het tuchtrecht is bovendien zeer uitgebreid en rijk. Verder is hierover ook heel wat rechtsleer ter beschikking.
8 S. De Somer en A. Stijleman, «The «Europeanization» of the rules and principles on proof in domestic administrative law», REALaw 2024/1, 135-160.
9 Voor een uitgebreide verantwoording van de afbakening van het onderzoek verwijs ik naar het proefschrift: Deel I, Hoofdstuk 2, II.
10 Infra IV, A en Deel 3 van het proefschrift.
11 Infra IV, B en Deel 4, Hoofdstuk 1 van het proefschrift.
12 Infra IV, C en Deel 4, Hoofdstuk 2 van het proefschrift.
13 Infra IV, D en Deel 5 van het proefschrift.
14 De keuze voor de analyse van de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen steunt op het gegeven dat aan (omgevings)vergunningsprocedures een groot aantal feitelijke beoordelingen voorafgaan. Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, blijft het rechtspraakonderzoek beperkt tot het aspect van de ruimtelijke ordening. In het domein van de ruimtelijke ordening rijzen immers vaak geschillen over feiten. Het milieurecht kent bovendien een belangrijke invloed van specifieke beginselen en regels van EU-recht. De materie van de ruimtelijke ordening is daarentegen in sterke mate Vlaams gekleurd. Deze afbakening droeg bij tot de haalbaarheid van het onderzoek.
15 Allereerst zal worden vergeleken met het Nederlandse rechtssysteem. In tegenstelling tot het Belgische bestuursrecht beschikt Nederland wel over een «Algemene wet bestuursrecht» (Awb). Hoewel de Nederlandse Awb hier geen apart hoofdstuk aan wijdt, bevat ze wel een aantal bepalingen die relevant zijn voor het bewijs in het bestuursrecht, zowel in de bestuurlijke besluitvormingsfase als in de fase voor de bestuursrechter. Zo bepaalt art. 3:2 Awb dat het bestuur bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Art. 4:2 Awb bepaalt verder dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor een beslissing op aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Daarmee samenhangend bepaalt art. 4:5 Awb dat de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten wanneer de belanghebbende onvoldoende gegevens heeft aangeleverd. Bovendien is er in Nederland al fundamenteel onderzoek gevoerd naar het bewijs in het bestuursrecht. De rechtspraak van de Nederlandse bestuursrechters speelt ook een belangrijke sturende rol.
16 Deze keuze wordt in de eerste plaats ingegeven door de historische banden tussen het Belgische en het Franse bestuursrecht. Daarnaast kent Frankrijk een van de meest ontwikkelde bestuursrechtelijke rechtssystemen. Bovendien werd ook in Frankrijk al relevant doctoraal onderzoek gevoerd over het bewijs in het bestuursrecht en is over dit onderwerp ook interessante rechtspraak beschikbaar. Ook het Franse rechtssysteem beschikt over algemene bestuursrechtelijke regelgeving. De rechtspraak van de Franse bestuursrechters speelt nochtans ook een belangrijke sturende rol.
17 Ook het Duitse rechtssysteem kent algemene bestuursrechtelijke regelgeving. Dit vormt de belangrijkste bron van regels en principes inzake het bewijs. De rechtspraak van de Duitse (bestuurs)rechters vervult een eerder ondergeschikte rol. Het Duitse rechtssysteem is vanuit rechtsvergelijkend oogpunt dan ook interessant om na te gaan hoe een gereguleerd bewijsrecht in het bestuursrecht werkt en of het invoeren hiervan ook in het Belgisch rechtssysteem te overwegen valt. Bovendien genieten bestuurlijke beslissingen in het Duitse bestuursrechtssysteem geen vermoeden van wettigheid. In het Duitse bestuursrecht geldt verder het principe van het ex officio-onderzoek als uitgangspunt. Het ex officio-onderzoek impliceert een grote verantwoordelijkheid voor besturen en bestuursrechters wat het onderzoek naar de feiten en het verzamelen van bewijs betreft. Deze verantwoordelijkheid veronderstelt vanzelfsprekend een actieve houding van zowel het bestuur als de bestuursrechters inzake het feitenonderzoek en de feitenvaststelling. De regelgeving omvat echter ook een uitdrukkelijke medewerkingsplicht voor de bestuurde bij het verzamelen van feitelijke informatie waarover hij beschikt. Deze medewerkingsplicht geldt veelal wanneer de bestuurde het bestuur verzoekt een bepaald voordeel te verschaffen en het bestuur moeilijk over de vereiste feitelijke informatie kan beschikken. Ook op dit punt kan het Duitse rechtssysteem mogelijk inspiratie bieden voor een algemeen bewijsrechtelijk kader in het Belgische bestuursrecht.
18 Voor een uitgebreide bespreking van de keuze voor deze rechtsstelsels verwijs ik naar Deel 1, Hoofdstuk 3, III van het proefschrift.
19 Deze keuze wordt in de eerste plaats ingegeven door de historische banden tussen het Belgische en het Franse bestuursrecht. Daarnaast kent Frankrijk een van de meest ontwikkelde bestuursrechtelijke rechtssystemen. Bovendien werd ook in Frankrijk al relevant doctoraal onderzoek gevoerd over het bewijs in het bestuursrecht en is over dit onderwerp ook interessante rechtspraak beschikbaar. Ook het Franse rechtssysteem beschikt over algemene bestuursrechtelijke regelgeving. De rechtspraak van de Franse bestuursrechters speelt nochtans ook een belangrijke sturende rol.
20 Zie hierover uitgebreid: Deel 2, Hoofdstuk 2 en Deel 7, Hoofdstuk 3, A) en B) van het proefschrift.
21 Infra III, A, 1°, a; en Deel 7, Hoofdstuk 5, I en II, A), § 1 van het proefschrift.
22 M-A. Flamme, Droit administratif, Bruxelles, Bruylant, 1989, 8-9; P. Goffaux, L’inexistence des privilèges de l’administration et le pouvoir d’exécution forcée, Brussel, Bruylant, 2002, 382 p.; P. Goffaux, E. Slautsky en J. Sohier (eds.), Les grand arrêts du droit administratif, Brussel, Larcier, 2021, 288-289.
23 RvS 2 februari 2021, nr. 249.684, GmbH Texport; zie ook: M. Nihoul, Les privilèges du préalable et de l’exécution d’office: pour une relecture civile et judiciaire à l’aide du droit commun de l’exécution, Brugge, die Keure, 2001, 362-363: «Une présomption de légalité protégerait l’acte administratif jusqu’à son annulation. Certes, elle peut être renversée - elle est réfragable -, mais uniquement dans les conditions et selon les recours organisés.».
24 Via een beroep op art. 159 Gw.
25 A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2021, 6-8; zie ook: RvS 28 september 2021, nr. 251.644, David.
26 Zie ook: I. Opdebeek, S. De Somer en L. Todts, Algemeen Bestuursrecht. Grondslagen en beginselen, Brugge, die Keure, 2024, 76-77; P. Lewalle en L. Donnay, Contentieux administratif, Brussel, Larcier, 2002, 448.
27 Dit vermoeden van deskundigheid is, wat het lager en secundair onderwijs betreft, sinds 1 september 2023 decretaal verankerd (art. 54ter van het decreet basisonderwijs; art. 115/6 van de Codex Secundair Onderwijs; zie ook Omzendbrief van 18 maart 2024 inzake het vermoeden van deskundigheid en tussenkomst in juridische kosten, NO/2024/01). Voor het hoger onderwijs vloeit dit vermoeden voort uit de rechtspraak (zie bv.: R.Stvb. 4 november 2019, nr. 2019/605; R.Stvb. 23 september 2021, nr. 2021/314; R.Stvb. 13 juni 2022, nr. 7.616, nr. 2022/0114; R.Stvb. 16 juni 2022, nr. 7.617, 2022/0137).
28 RvS 28 juni 2018, nr. 241.982; RvS 26 november 2020, nr. 249.054.
29 RvS 24 januari 2005, nr. 139.697; RvS 17 januari 2014, nr. 226.120; RvS 19 oktober 2021, nr. 251.876; RvS 10 oktober 2022, nr. 254.718.
30 Zie o.m.: RvS 27 januari 1967, nr. 12.187; RvS 16 juni 1998, nr. 74.292; RvS 16 juni 2008, nr. 184.254; RvS 25 februari 2020, nr. 247.138; RvVb 18 november 2021, nr. A/2122/0211; F. Caillol, «Privilège du préalable» in P. Goffaux, E. Slautsky en J. Sohier (eds.), Les grands arrêts du droit administratif, Brussel, Larcier, 2021, 287-292; zie hierover uitgebreid: Deel 2, Hoofdstuk 2, C) van het proefschrift.
31 RvS 4 december 2014, nr. 229.458; RvS 29 juni 2017, nr. 238.712; RvS 4 december 2017, nr. 240.067; RvS 30 juni 2021, nr. 251.158; RvS 1 april 2022, nr. 253.448; D. Renders, Droit administratif général, Brussel, Larcier, 2018, 402; F. Caillol, «Privilège du préalable» in P. Goffaux, E. Slautsky en J. Sohier (eds.), Les grands arrêts du droit administratif, Brussel, Larcier, 2021, 289.
32 RvS 4 december 2014, nr. 229.458; RvS 26 januari 2016, nr. 233.623.
33 Zie o.m. RvS 24 januari 2005, nr. 139.697; RvS 14 november 2007, nr. 176.822; R.Stvb. 2 december 2019, nr. 2019/685; R.Stvb. 25 april 2019, nr. 2019/073; R.Stvb. 10 september 2019, nr. 2019/295; R.Stvb. 21 augustus 2020, nr. 2020/225; R.Stvb. 7 januari 2021, nr. 2021/958; RvVb nr. A/2122/0348; RvVb 15 februari 2024, nr. A/2324/0456; RvVb 15 februari, nr. A/2324/0463.
34 RvS 28 juni 2018, nr. 241.982.
35 Zie o.m.: RvS 18 mei 2022, nr. 253.788, X: of er een andere zienswijze op nahouden; RvS 10 oktober 2022, nr. 254.718, Vermaeren; R.Stvb. 28 april 2021, nr. 6.601, nr. 2021/130; R.Stvb. 13 november 2017, nr. 2017/528; R.Stvb. 27 juni 2018, nr. 2018/152; RvVb 24 juli 2018, nr. A/1718/1135; RvVb nr. A/2122/0348; RvVb 15 februari 2024, nr. A/2324/0466; RvVb 27 juni 2024, nr. A/2324/0860; RvVb 18 juli 2024, nr. A/2324/0924.
36 Zie o.m. RvS 21 november 2013, nr. 225.552; RvS 22 mei 2018, nr. 241.562; RvS 10 maart 2021, nr. 250.059, x; RvS 10 september 2020, nr. 248.244, X; RvS 9 september 2021, nr. 521.440, X; RvS 8 februari 2022, nr. 252.917; R.Stvb. 1 april 2019, nr. 2019/089; R.Stvb. 21 augustus 2020, nr. 2020/217; R.Stvb. 4 mei 2022, nr. 7.487, 2022/0109; R.Stvb. 6 maart 2024, nr. 2324/0240; R.Stvb. 6 maart 2024, nr. 2324/0242; R.Stvb. 15 mei 2024, nr. 2324/0341.
37 Zie bijvoorbeeld: RvS 19 oktober 2021, nr. 251.876. In voormeld arrest wordt ook de bewijsstandaard van het «aannemelijk maken» gehanteerd. De Raad van State oordeelt finaal immers: «verzoeker maakt niet aannemelijk dat kamer van beroep de aangegeven beginselen heeft geschonden»; RvS 25 november 2021, nr. 252.221, Devos; RvVb 9 november 2023, nr. A/2324/0150; zie hierover uitgebreid: Deel 2, Hoofdstuk 2, II, C), § 2, 4), c. van het proefschrift.
38 I. Opdebeek, S. De Somer en L. Todts, Algemeen bestuursrecht. Grondslagen en beginselen, Brugge, die Keure, 2024, 25; A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2021, 5; M. DE Jonckheere en G. Debersaques, Inleiding tot het recht 2021, Brugge, die Keure, 2021, 8 en 147; H. Buch, «La preuve en droit administratif Belge» in La Preuve Recueils de la société Jean Bodin pour l’histoire comparative des institutions, Editions de la librairie encyclopedique Bruxelles, Brussel, 1963, 295; wat het Duitse bestuursrecht betreft wijst ook P. Wirtz hierop: P. Wirtz, Beweislasten im Verwaltungsrecht, Tübingen, Mohr Siebeck, Beiträge zum Verwaltungsrecht, 2024, 43-44.».
39 H. Buch, «La preuve en droit administratif Belge» in La Preuve Recueils de la société Jean Bodin pour l’histoire comparative des institutions, Editions de la librairie encyclopédique Bruxelles, Brussel, 1963, 295.
40 Met uitzondering van informatie van persoonlijke aard.
41 Zie hierover uitgebreid: Deel 2, Hoofdstuk 2, III van het proefschrift.
42 De bestuurde is doorgaans een (jonge) student die veelal over weinig ervaring en kennis beschikt en zich daardoor in een zwakkere positie bevindt. Het betrokken bestuur, een docent/begeleider/onderwijsverstrekker van een hogeronderwijsinstelling, is daarentegen iemand die handelt vanuit een grote deskundigheid, ervaring en expertise. Zijn persoonlijke inspanningen en opvattingen zullen de bestuurlijke beslissing bovendien in belangrijke mate kleuren. De relatie tussen de student en de docent/begeleider/onderwijsverstrekker is vaak langdurig en wordt in vele gevallen ook gekenmerkt door een zeer intensieve samenwerking. Rijst er een geschil binnen het hogeronderwijscontentieux, dan komen deze twee individuen, de docent/begeleider/onderwijsverstrekker enerzijds en de student anderzijds, rechtstreeks tegenover elkaar te staan.
43 Bv. bij de beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening overeenkomstig art. 4.3.1, § 1 VCRO.
44 De keuze voor de analyse van de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen steunt op het gegeven dat aan (omgevings)vergunningsprocedures een groot aantal feitelijke beoordelingen voorafgaan. Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, blijft het rechtspraakonderzoek beperkt tot het aspect van de ruimtelijke ordening. In het domein van de ruimtelijke ordening rijzen immers vaak geschillen over feiten. Het milieurecht kent bovendien een belangrijke invloed van specifieke beginselen en regels van EU-recht. De materie van de ruimtelijke ordening is daarentegen in sterke mate Vlaams gekleurd. Deze afbakening droeg bij tot de haalbaarheid van het onderzoek.
45 Zie hierover uitgebreid: Deel 6, Hoofdstuk 1, II, B) en Hoofdstuk 4, VI van het proefschrift.
46 Voor het rechtspraakonderzoek heb ik dan ook gewerkt met een lijst van trefwoorden: (begin van) bewijs (en afgeleiden daarvan: bewezen/bewijst/bewijzen); bewijslast; overtuigen (en afgeleiden daarvan: overtuigen/overtuigt); aantonen (en afgeleiden daarvan: toont aan/aangetoond); feiten(vaststelling/vinding); bewijsmiddel/bewijsstuk/overtuigingsstuk/stavingstuk; bewijswaarde(ring); aannemelijk (maken); geloofwaardig; bewijsvoering; (getuigen)verklaring; vermoeden; valsheid; betwist; betrouwbaar; waarheid; waarachtigheid; determinerend; werkelijkheid; twijfel; de verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur (onpartijdigheidsbeginsel, materiëlemotiveringsplicht, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, hoorplicht, rechten van verdediging). Deze trefwoorden heb ik telkens ingegeven in de respectieve zoekmotor van de bestuursrechtscolleges die ik heb onderzocht. Ik hanteerde eenzelfde lijst met Franstalige trefwoorden voor de rechtspraak van de Franstalige kamers van de Raad van State.
47 Zie voor een uitgebreide bespreking: Deel 3 van het proefschrift.
48 Zie bv. R.Stvb. 21 april 2015, nr. 2015/031; zie in dezelfde zin: R.Stvb. 20 september 2018, nr. 2018/222.
49 Zie bv. RvS 2 december 2021, nr. 252.289; RvVb 12 januari 2023, nr. A/2223/0392.
50 Zie hierover uitgebreid: C. De Coninck, «De op de deelnemers aan een overheidsopdracht rustende zorgvuldigheidsplicht: bidders beware!» (noot onder RvS 27 april 2020, nr. 247.451), T. Aann. 2020, 358-373; RvS 27 april 2020, nr. 247.451; M. De Groot, «Algemene beginselen van behoorlijk bestuur en behoorlijk burgerschap bij het formele onderzoek van de voorstellen bij overheidsopdrachten», TBP 2014, 4-21; RvS 9 juli 2019, nr. 245.124; RvS 26 mei 2020, nr. 247.628, Moreau; RvS 9 februari 2021, nr. 249.788; RvS 4 juli 2022, nr. 254.217.
51 Zie bv. RvS 3 december 2019, nr. 246.266; RvS 26 mei 2020, nr. 247.628.
52 Bij een intrekking van het recht om een wapen voorhanden te hebben, zal het bestuur bijvoorbeeld de feiten moeten verzamelen waaruit blijkt dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren (zie bijvoorbeeld RvS 10 april 2020, nr. 247.391); RvS 3 maart 2020, nr. 247.199; RvS 22 november 2012, nr. 221.453: In de tuchtzaak van de verzoekster moet het bestuur het bewijs van de feiten leveren; RvS 23 juni 2011, nr. 214.055; RvS 8 februari 2016, nr. 233.770; RvS 22 februari 2019, nr. 243.793; RvS 9 juni 2020, nr. 247.732; RvS 8 april 2022, nr. 253.481; zie hierover ook: I. Opdebeek en A. Coolsaet, Algemene beginselen van ambtenarentuchtrecht, Brugge, die Keure, 2011, 348.
53 RvS 26 juni 2018, nr. 241.900; RvS 30 januari 2013, nr. 222.302; RvS 21 april 2021, nr. 250.368; R.Stvb. 3 augustus 2020, nr. 2020/175; R.Stvb. 30 augustus 2021, nr. 6.851, nr. 2021/266; R.Stvb. 14 september 2021, nr. 2021/292.
54 RvS 27 september 2016, nr. 235.856; RvS 11 januari 2019, nr. 243.382.
55 RvS 11 juni 2021, nr. 250.873; RvS 5 maart 2024, nr. 259.026; RvS 23 februari 2021, nr. 249.869, Baele.
56 Zie hierover uitgebreid: S. Denys, Advisering in het bestuursrecht, Brugge, die Keure, 2013, 120; I. Opdebeek, S. De Somer en S. Denys, «Algemene beginselen inzake deskundigenadvisering aan bestuur en bestuursrechter,» in I. Opdebeek, S. Denys, S. De Somer, R. Koenraad, P. Traest, B. Keulen, K. Swinnen en M. Voulon, Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland: preadviezen 2017, Den Haag, Boom juridische Uitgevers, 2017, 24-25; RvS 23 december 2011, nr. 217.023, VZW Hoste-Sabbattini Mimetheater: het bestuur gaf hier aan dat zijn eigen expertise zich niet uitstrekte tot het mimetheater; RvS 15 maart 2024, nr. 259.146; R.Stvb. 4 december 2014, nr. 2014/457; R.Stvb. 28 september 2016, nr. 3.137, nr. 2016/296.
57 Zie bijvoorbeeld: RvS 6 juli 2023, nr. 257.072.
58 Art. 8.4 BW en art. 870 Ger.W.
59 In het verlengde van art. 8.4 BW ligt art. 870 Ger.W., dat bepaalt dat iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert. Het betreft een veralgemening van de regels vervat in art. 8.4 BW.
60 Ik definieer het «bewijsrisico» als «het risico dat iemand loopt om, wanneer bepaalde feiten niet op voldoende wijze zijn komen vast te staan, hiervan het nadeel te ondervinden.».
61 R.Stvb. 17 december 2018, nr. 2018/551; R.Stvb. 9 december 2016, nr. 3.387, nr. 2016/569; R.Stvb. 1 maart 2017, nr. 2017/053; R.Stvb. 21 december 2017, nr. 2017/641; R.Stvb. 23 november 2020, nr. 2020/734; R.Stvb. 6 september 2021, nr. 6.868, nr. 2021/30; RvVb 27 november 2018, nr. A/1819/0336; RvVb 5 februari 2019, nr. A/1819/0587; RvVb 18 november 2021, nr. A/2122/0211; RvVb 19 augustus 2021, nr. A/2021/1288; RvVb 13 juni 2024, nr. A/2324/0821; RvVb 10 oktober 2024, nr. A/2425/0096.
62 RvS 18 oktober 2017, nr. 239.425; RvS 3 april 2023, nr. 256.199; RvVb 19 augustus 2021, nr. A/2021/1288; RvVb 16 december 2021, nr. A/2122/0294; RvVb 20 januari 2022, nr. A/2122/0386; RvVb 18 juli 2024, nr. A/2324/0924; RvVb nr. A/2324/0724; RvVb 13 juni 2024, nr. A/2324/0821.
63 RvS 30 april 2014, nr. 227.245; RvS 26 april 2022, nr. 253.566; RvS 9 maart 2023, nr. 255.993; RvS 26 juni 2023, nr. 256.929; RvS 6 juli 2023, nr. 257.072; RvS 21 december 2023, nr. 258.287; RvVb 12 september 2017, nr. A/1718/0029; RvVb 19 augustus 2021, nr. A/2021/1288; RvVb 18 juli 2024, nr. A/2324/0924; RvVb 13 juni 2024, nr. A/2324/0821.
64 Zie bv. ook: RvS 30 januari 2013, nr. 222.302; zie ook: RvS 22 november 2012, nr. 221.475; RvS 10 oktober 2016, nr. 236.034; RvS 30 maart 2018, nr. 241.181; RvS 29 mei 2018, nr. 241.646; RvS 12 juni 2018, nr. 241.758; RvS 26 juni 2018, nr. 224.136; RvS 28 juni 2018, nr. 241.983; RvS 2 juli 2018, nr. 242.046, X; RvS 11 januari 2019, nr. 243.381; RvS 29 januari 2019, nr. 243.534; RvS 9 juli 2019, nr. 245.123, X; RvS 6 november 2024, nr. 261.299.
65 C. Expert-Foulquier, «Proof of facts in administrative law in France: many ad hoc and ex post rules of evidence, but for how long?», REALaw 2024/1, 54 en verwijzingen aldaar.
66 Sectie 24(1) en (2) VwVfG; art. 3.2 Awb.
67 Y. E. Schuurmans, «Proof in Dutch Administrative Law», REALaw 2024/1, 111.
68 R.Stvb. 3 december 2021, nr. 2021/971.
69 RvS 8 september 2008, nr. 186.088; RvS 28 mei 2014, nr. 227.598; RvS 16 maart 2021, nr. 250.112; R.Stvb. 25 augustus 2015, nr. 2015/172; R.Stvb. 24 april 2018, nr. 2018/097; R.Stvb. 12 september 2019, nr. 2019/273; R.Stvb. 21 maart 2022, nr. 7.303, nr. 2021/1197.
70 RvS 17 januari 2011, nr. 210.436; RvS 12 mei 2017, nr. 238.181; RvS 20 juni 2017, nr. 238.586; RvS 6 oktober 2020, nr. 248.469; RvS 16 september 2022, nr. 254.522.
71 M.u.v. de regelgeving inzake de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.
72 Artt. 59 § 2; 62, lid 4; 74, § 2 DBRC-Procedurebesluit.
73 Op voorwaarde dat de feiten, zoals aangehaald door de verzoekende partij, niet kennelijk onjuist zijn; zie artt. 59, § 2, lid 3; 62, lid 3; 74, § 2, lid 2 DBRC-Procedurebesluit; zie ook: RvVb 24 augustus 2023, nr. A/2223/1196; Zie hierover ook: T. Bruyninckx en B. Foret, «Raad voor Vergunningsbetwistingen rechtspleging», OGP 2024, Vl.Bbis.10 - 41 -Vl.Bbis.10-, 63, 71, 95.
74 RvS 25 oktober 2000, nr. 90.451; RvS 19 februari 2025, nr. 262.405; RvS 20 januari 2015, nr. 229.873; overeenkomstig art. 23 RvS-Wet; A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2021, 1511-1.
75 Supra II, B.
76 Zie hierover ook: J. Goris, Georganiseerde bestuurlijke beroepen: naar een algemene theorievorming, Brugge, die Keure, 2012, 58.
77 Zie o.m. RvS 1 oktober 2015, nr. 232.403; zie bv. RvVb 1 oktober 2020, nr. A/2021/0092; RvVb 25 maart 2021, nr. A/2021/0777; RvVb 21 maart 2024, nr. A/2324/0566; RvVb 12 januari 2023, nr. A/2223/0392.
78 A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme en J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2021, 1018; J. Goris, Georganiseerde bestuurlijke beroepen: naar een algemene theorievorming, Brugge, die Keure, 2012, 171.
79 Zie hierover ook: J. Goris, Georganiseerde bestuurlijke beroepen: naar een algemene theorievorming, Brugge, die Keure, 2012, 565 e.v.
80 Zie bv. RvS 4 oktober 2022, nr. 254.667, X: dit kan bijvoorbeeld impliceren dat de beroepscommissie zich moet laten inlichten door de vakleerkrachten. Doet de beroepscommissie dit niet, dan neemt zij een beslissing op basis van een onvolledig dossier; zie ook: RvS 25 november 2004, nr. 137.642, Ingrosso; RvS 23 februari 2006, nr. 155.470; RvVb 18 juli 2024, nr. A/2324/0924; zie hierover ook: J. Goris, Georganiseerde bestuurlijke beroepen: naar een algemene theorievorming, Brugge, die Keure, 2012, 617.
81 «Overige feiten» definieer ik als feiten die zich lopende de bestuurlijke besluitvormingsfase hebben voorgedaan, maar waarop de bestuurlijke beslissing als dusdanig niet steunt. Het kan bijvoorbeeld gaan over de discussie over de vraag of iemand in het licht van de hoorplicht effectief werd gehoord. Vragen over het bewijs van «overige feiten» kunnen zich echter ook manifesteren naar aanleiding van procedurele discussies (bv. inzake het belang). Deze «overige feiten» onderscheid ik van de feiten die ten grondslag liggen aan de bestuurlijke beslissing of nog de feitelijke motieven van een beslissing.
82 J. Goris, Georganiseerde bestuurlijke beroepen: naar een algemene theorievorming, Brugge, die Keure, 2012, 172.
83 Supra II, B.
84 Zie o.m. RvS 18 oktober 2017, nr. 239.425, De Backer e.a.; RvVb 18 juli 2024, nr. A/2324/0924; RvVb 18 juni 2019, nr. A/1819/1109: een vaag betoog of loutere opportuniteitskritiek volstaat hiertoe niet. Het volstaat evenmin om als verzoekende partij bijvoorbeeld louter aan te voeren dat de voorkomende beplantingen en hoogstammige bomen niet op een correcte wijze zijn aangeduid op de plannen.
85 Infra IV.
86 Zie voor de randvoorwaarden van het onpartijdigheidsbeginsel: S. De Somer, «Het onpartijdigheidsbeginsel» in A. Coolsaet en S. De Somer (eds.), Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, die Keure, 2025, (483) 509-520.
87 Zie hierover uitgebreid: Deel 3, Hoofdstuk 3, IV van het proefschrift.
88 Zie bv. RvS 8 mei 2006, nr. 158.429; RvS 15 juli 2008, nr. 185.404; RvS 16 januari 2012, nr. 217.223; RvS 25 oktober 2018, nr. 242.806; RvS 15 mei 2014, nr. 227.421; RvS 28 maart 2017, nr. 237.799; RvS 4 mei 2017, nr. 238.080; RvS 3 maart 2020, nr. 247.195; R.Stvb. 14 november 2013, nr. 2013/345; R.Stvb. 22 september 2017, nr. 2017/258; R.Stvb. 19 november 2018, nr. 2018/585; R.Stvb. 12 september 2019, nr. 2019/273; R.Stvb. 27 oktober 2021, nr. 2021/796; R.Stvb. 14 maart 2022, nr. 7.285, 2022/0036; R.Stvb. 11 april 2022, nr. 7.376, 2022/0083; RvVb 22 oktober 2020, nr. A/2020/0189.
89 PG Awb II, 175; zie hierover ook: D. A. Verburg, Bestuursrechtspraak in balans: bejegening, beslechting en bewijs, Den Haag, Boom Juridisch Uitgevers, 2019, 166; zie ook: art. 8:69, lid 3 Awb (mogelijkheid voor Nederlandse bestuursrechters om de feiten op eigen initiatief aan te vullen); L.M. koenraad, Bewijzen in het bestuursrecht, Nijmegen, Ars Aequi Libri, 2023, 71-72.
90 Waarbij de «contrôle entier of «contrôle normal» en dus een verregaandere feitencontrole als uitgangspunt geldt (CE 14 januari 2016, nr. 59619, Camino); hiertegenover staat de «contrôle restreint» waarbij de bestuursrechter enkel nagaat of het bestuur in zijn beoordeling een manifeste fout heeft begaan; Y. Gaudement, Droit administratif, Parijs, LGDJ, 2024, 175-177; S. De Somer, «The Built and the Beautiful: esthetische regulering in de ruimtelijke ordening en de rol van de rechter», RW 2017-18, 1331.
91 86(1) VwGO; § 99(i) VwGO; 19(4) Grundgesetz; K. Reiling, «Proof in Administrative Law: the German Perspective», REALaw 2024/1, 90; P. Wirtz, Beweislasten im Verwaltungsrecht, Tübingen, Mohr Siebeck, Beiträge zum Verwaltungsrecht, 2024, 22-24.
92 Zie hierover uitgebreid: Deel 3, hoofdstuk 4, I, D), § 2, 2) van het proefschrift.
93 Zie hierover uitgebreid: Deel 3, Hoofdstuk 4, III, A) en C) van het proefschrift.
94 Zie bv. EHRM 8 oktober 2015, nr. 77212/12, Koroá¹§ec/Slovenië (plicht tot het aanstellen van een deskundige) en EHRM 15 maart 2016, nr. 39966/09, Gillissen/Nederland (plicht tot het horen van getuigen); zie voor een uitgebreide bespreking: Deel 3, Hoofdstuk 4, III, B) van het proefschrift.
95 EHRM 22 november 1995, nr. 19178/91, Bryan/Verenigd Koninkrijk, § 45; EHRM 21 juli 2011, nrs. 32181/04 en 35122/05, Sigma Radio LTD/Cyprus, § 154; EHRM 6 november 2018, nrs. 55391/13, 57728/13 en 74041/13, Ramos Nunes De Carvalho e Sa/Portugal, §§ 179-180; «the manner in which that decision was arrived at, in particular, the procedural guarantees available in the proceedings before the administrative body.».
96 Infra Deel IV, B.
97 Dit bleek ook uit een empirisch onderzoek uit 2006 dat werd verricht op vraag van de Nederlandse minister van justitie om na te gaan of het bewijsrecht moest worden opgenomen in de Awb; T. Barkhuyzen, L.J.A. Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2007, 70: Barkhuyzen en Damen hebben het over «de marginaal toetsende achteroverleuner»; R.J.N. Schlössels, «Een vrij een kenbare bewijsleer?» in R.J.N. Schlössels, Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter?, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2009, VAR-Reeks 142, 12; 27; 36; 66; Y.E. Schuurmans, «Proof in Dutch Administrative Law», REALaw 2024/1, 114, 120-121; B. Schueler, «De Awb-rechter na 25 jaar: een karakterschets», TREMA 2019, (https://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/382545/De_Awb_rechter.pdf?sequence=1).
98 P. Wirtz, Beweislasten im Verwaltungsrecht, Tübingen, Mohr Siebeck, Beiträge zum Verwaltungsrecht, 2024, 174; 192; 195; 196.
99 C. Expert-Foulquier, «Proof of facts in administrative law in France: many ad hoc and ex post rules of evidence, but for how long?», REALaw 2024/1, 62; CE 1 mei 1936, Couëspel du Mesnil, Lebon 485. CE 26 november 2012, nr. 354108, Brigitte Cordière; in het Franse bestuursrecht stelt de Conseil d’Etat zich, in tegenstelling tot de lagere administratieve rechtbanken, wel actiever op wat het feitenonderzoek betreft (CE 1 oktober 2014, nr. 346560, Erden).
100 Zie bv. RvS 17 januari 2013, nr. 222.099, De Coninck; RvS 15 januari 2020, nr. 246.624, Van Den Heuvel; RvS 28 oktober 2021, nr. 251.993; RvVb 19 mei 2015, nr. A/2015/0302; R.Stvb. 19 januari 2021, nr. 6.205, 2020/867; zie hierover ook: S. De Somer, «The built and the beautiful: esthetische regulering in de ruimtelijke ordening en de rol van de rechter», RW 2017-18, 1330.
101 RvS 29 januari 2009, nr. 115.183, Shegaj; RvS 31 mei 2011, nr. 213.591; RvS 16 mei 2014, nr. 227.423; RvS 26 juni 2023, nr. 256.929; RvS 6 november 2024, nr. 261.299; R.Stvb. 1 december 2015, nr. 2015/490; R.Stvb. 6 september 2021, nr. 6.868, nr. 2021/301; RvVb 9 augustus 2016, nr. A/1516/1410; RvVb 12 september 2017, nr. A/1718/0029; RvVb 5 februari 2019, nr. A/1819/0587; RvVb 18 juni 2019, nr. A/1819/1109; RvVb 25 april 2024, nr. A/2324/0679.
102 Art. 8.7 BW; bv. het vermoeden van vaderschap in het burgerlijk recht. Uit het feit dat een man getrouwd is met een vrouw die bevalt van een kind, leidt men automatisch af dat die man de vader is van dat kind.
103 Artt. 5.1.3 en 4.2.14 VCRO.
104 Art. 21, lid 3 RvS-Wet; artt. 59, § 2, lid 3; 62, lid 3 en 74, § 2 DBRC-Procedurebesluit; wat de RvVb betreft is dit vermoeden echter opgenomen in het DBRC-Procedurebesluit; Het DBRC-Procedurebesluit bevat geen gelijkaardige bepaling voor de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen; op voorwaarden dat de feiten niet kennelijk onjuist zijn.
105 Art. 21, lid 3 RvS-Wet; artt. 59, § 2, lid 3; 62, lid 3 en 74, § 2 DBRC-Procedurebesluit.
106 Zie hierover uitgebreid: A. Wirtgen, Middelen en het ambtshalve aanvoeren van middelen in het bijzonder, Brugge, die Keure, 2014, nrs. 342-343, 362-365; Art. 46; 89 DBRC-Procedurebesluit; A. Wirtgen, «De ontvankelijkheid van de middelen van openbare orde in het beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State: naar het einde van de «voorkeursbehandeling»?», TBP 2018/6, 339-355; art. 89 DBRC-Procedurebesluit (RvVb); art. 112/22 DBRC-Procedurebesluit (R.Stvb.); RvVb 2 december 2021, nr A/2122/0246.
107 C. Expert-Foulquier, «Proof of facts in administrative law in France: many ad hoc and ex post rules of evidence: but for how long?», REALaw 2024/1, 64; zie bv. CAA Lyon, 12 januari 2022, nr. 19LYo3573.
108 Y.E. Schuurmans, «Aannemelijkheid in het bestuursrecht», RM Themis 2023, 263.
109 P. Wirtz, Beweislasten im Verwaltungsrecht, Tübingen, Mohr Siebeck, Beiträge zum Verwaltungsrecht, 2024, 233; 192-193.
110 Ibid., 193; L.M. Koenraad, Bewijzen in het bestuursrecht, Nijmegen, Ars Aequi Libri, 2023, 67-68.
111 Zie voor een uitgebreide bespreking: Deel 4, Hoofdstuk 2, I van het proefschrift.
112 Zie bv. RvS 27 februari 2020, nr. 247.162, Gielis; RvS 5 maart 2021, nr. 249.976, X; R.Stvb. 6 oktober 2015, nr. 2015/251; R.Stvb. 30 augustus 2016, nr. 2016/225; R.Stvb. 13 september 2018, nr. 2018/221; R.Stvb. 18 november 2019, nr. 2019/665. R.Stvb. 9 april 2019, nr. 2019/072; RvVb 18 juli 2024, nr. A/2324/0924; bijvoorbeeld «twijfel zaaien», «(naar redelijkheid) aannemelijk maken», «op geloofwaardige wijze inroepen», «bewijzen naar genoegen van recht», «aantonen», ...
113 Beslissingen over het terugvorderen van het leerkrediet vormen hierop een uitzondering. De overmacht moet daar worden bewezen «naar genoegen van recht». De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen hanteert deze bewijsstandaard op consequente wijze; zie bv. R.Stvb. 30 september 2014, nr. 2014/054; R.Stvb. 12 maart 2016, nr. 2016/063.
114 Ook in het burgerlijk recht is de aandacht voor de bewijsstandaard traditioneel echter gering (W. Vandenbussche, Bewijs en onrechtmatige daad, Antwerpen, Intersentia, 2017, 32 en verwijzingen aldaar).
115 Zoals in Duitsland, althans wat de fase voor de bestuursrechter betreft: «overtuiging van de rechter», Überzeugungsgewissheit; § 108(1), lid 1 VwGO; P. Wirtz, Beweislasten im Verwaltungsrecht, Tübingen, Mohr Siebeck, Beiträge zum Verwaltungsrecht, 2024, 36-37.
116 Zoals in Nederland: «aannemelijkheidsmaatstaf» (Y.E. Schuurmans, «Aannemelijkheid in het bestuursrecht», RM Themis 2023, 259-267; Y.E. Schuurmans, «Proof in Dutch Administrative Law», REALaw 2024/1, 123-125); en Frankrijk: «intime conviction» in hoofde van de bestuursrechter (C. Expert-Foulquier, «Proof of facts in administrative law in France: many ad hoc and ex post rules of evidence: but for how long?», REALaw 2024/1, 65; 67; opinie van Commissaire du Gouvernement Letourneur in CE 28 mei 1954, Barel, Lebon 311).
117 Infra Deel IV, C.
118 Zie hierover ook: M.F. Debaedts, «Het bewijs in geschillen van bestuur naar Belgisch recht», rapport voor het derde colloquium van ACA Europe, 129, http://aca europe.eu/colloquia/1972/belgium-1_nl.pdf.; L. Renoy, «Les modes de preuve en droit administratif. Questions choisies dans le cadre du contentieux devant le Conseil d’Etat», Le Pli juridique 2019, 39; R.Stvb. 7 februari 2022, nr. 7.207, 2021/1203.
119 Uitzonderingen: RvS 9 oktober 2012, nr. 220.919; RvS 23 mei 2014, nr. 227.532; RvS 10 oktober 2016, nr. 236.034; RvS 30 maart 2018, nr. 241.181; RvS 18 december 2018, nr. 243.268; RvS 11 januari 2019, nr. 243.381; RvS 3 maart 2020, nr. 247.195; RvVb 1 juli 2021, nr. A/2021/1150; RvVb 5 augustus 2021, nr. A/2021/1242; RvVb 10 november 2022, nr. A/2223/0227; RvVb 15 februari 2024, nr. A/2324/0456; R.Stvb. 7 februari 2022, nr. 7.207, 2021/1203.
120 Bv. het tegenbewijs inzake het vermoeden van vergunning: tegenbewijs tegen weerlegbaar vermoeden van vergunning kan enkel worden geleverd via een proces-verbaal of niet-anoniem bezwaarschrift, opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of het plaatsen van de constructie (artt. 4.2.14, § 2 en 5.1.3, § 2 VCRO).
121 RvS 6 december 2019, nr. 246.337; RvS 26 mei 2014, nr. 227.532.
122 Bijvoorbeeld inzake notulen van collegiale organen; Raad van State oordeelt dat beslissingen van een collegiaal orgaan moeten worden bewezen door een vermelding in de notulen van de vergadering van dat collegiaal orgaan (RvS 17 mei 2010, nr. 203.929; RvS 14 februari 2011, nr. 211.206; RvS 25 februari 2013, nr. 222.608; RvS 21 oktober 2014, nr. 228.823).
123 RvS 8 maart 2010, nr. 201.604; RvS 9 oktober 2012, nr. 220.919.
124 RvS 6 december 2019, nr. 246.337.
125 RvS 9 juli 2007, nr. 173.322, Geldof; A. Gjurova, «Onrechtmatig verkregen bewijs in administratief tuchtrecht: de stille intrede van Antigoon», noot onder RvS 29 juni 2017, nr. 238.717, RW 2017-18, 1546-1548.
126 RvS 30 maart 2018, nr. 241.181, Renaers; RvS 24 april 2020, nr. 247.450, X.
127 Zie hierover ook: R.J.N. Schlössels, «Een vrije en kenbare bewijsleer?» in R.J.N. Schlössels e.a. (eds.), Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter?, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2009, VAR-Reeks 142, 2009, 22.
128 In tuchtzaken wordt dit principe in de bestuurlijke besluitvormingsfase uitdrukkelijk erkend (RvS 28 maart 2017, nr. 237.799; RvS 3 maart 2020, nr. 247.195; RvS 25 november 2021, nr. 252.222; RvS 1 april 2022, nr. 253.448; RvS 14 december 2023, nr. 258.222); hetzelfde geldt voor registratiebeslissingen (RvVb 20 december 2016, nr. A/1617/0437, Marynen; RvVb 19 september 2017, nr. A/1718/0069; RvVb 10 november 2022, nr. A/2223/0227; RvVb 2 december 2021, nr. A/2021/0246; RvVb 15 februari 2024, nr. A/2324/0456; RvVb 27 juni 2024, nr. A/2324/0869; RvVb 25 juli 2024, nr. A/2324/0955) en het beoordelen van getuigenverklaringen (RvVb 23 december 2023, nr. A/2324/0292); voor het overige geldt het principe van de vrije bewijswaardering m.i. als algemeen aanvaard uitgangspunt.
129 MvT wetsontwerp houdende invoeging van boek 8 «Bewijs» in het nieuw Burgerlijk Wetboek, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3349/001, 10-11 met uitzondering van een geschrift, bekentenis of eed. Die laatste beschikken volgens de MvT in tegenstelling tot getuigenissen, vermoedens, kopieën, ... over wettelijke bewijswaarde. De rechter moet het als dusdanig aanvaarden, behoudens een op toegelaten wijze geleverd tegenbewijs; D. De Wolf, Handboek Correctioneel procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, (243) 245.
130 Grundsatz der freien Beweiswürdigung; K. Reiling, «Proof in administrative law: the German Perspective», REALaw 2024/1, 103; R. Engel en M. Pfau, «§ 24» in T. Mann, C. Sennekamp en M. Uechtritz (eds.), Verwaltungsverfahrensgesetz, Nomos, 2019; P. Wirtz, Beweislasten im Verwaltungsrecht, Tübingen, Mohr Siebeck, Beiträge zum Verwaltungsrecht, 2024, 32-34.
131 Y.E. Schuurmans, «Proof in Dutch administrative law», REALaw 2024/1, 126.
132 C. Expert-Foulquier, «Proof of facts in administrative law in France: many ad hoc and ex post rules of evidence, but for how long?», REALaw 2024/1, 51; 66.
133 Bv. processen-verbaal met bewijswaarde tot het bewijs van het tegendeel; het Agentschap Natuur en Bos, overeenkomstig art. 16.3.25 DABM; de toezichthouders overeenkomstig het decreet betreffende het landbouw- en visserijbeleid; een weginspecteur overeenkomstig art. 16, lid 3 van het decreet bijzonder wegtransport; de wooninspecteurs in het kader Vlaamse Codex Wonen van 2021.
134 RvS 29 april 2014, nr. 227.191, Bresseleers; RvS 10 juli 2018, nr. 242.089, Janssens; zie ook: I. De Troyer en L. Vandenberghe, Handboek fiscale procedure btw, Antwerpen, Intersentia, 2021, 92, nr. 144; RvS 17 januari 2013, nr. 222.099 met verwijzing naar ontwerp van decreet 21 december 2007 tot aanvulling van het milieubeleidsdecreet met een titel XVI «Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen».
135 RvS 22 november 2012, nr. 221.475; RvS 9 december 2014, nr. 229.485; RvS 26 juni 2018, nr. 241.900.
136 Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan vervalste stukken of bewijs verkregen door een schending van het geheim van het strafonderzoek of het beroepsgeheim.
137 RvS 17 juni 2002, nr. 107.903; RvS 4 mei 2017, nr. 238.080; RvS 3 maart 2020, nr. 247.195; RvS 15 december 2021, nr. 252.424; RvS 10 oktober 2022, nr. 254.718; RvS 1 april 2022, nr. 253.448; RvS 20 april 2022, nr. 253.528; RvS 14 december 2023, nr. 258.222; RvVb 27 november 2018, nr. A/1718/0353; oordeelt de bestuursrechter met volle rechtsmacht, dan stelt hij uitdrukkelijk over de bevoegdheid te beschikken om de bewijswaarde van de bewijsmiddelen vrij te beoordelen (RvS 20 november 2012, nr. 221.428; RvS 21 februari 2013, nr. 222.580; RvS 6 juni 2013, nr. 223.765; RvS 24 januari 2014, nr. 222.234; RvS 4 mei 2017, nr. 238.100; RvS 31 januari 2019, nr. 13.167; RvS 4 februari 2022, nr. 252.889: RvS 26 september 2024, nr. 260.817).
138 Zie bv. RvVb 27 augustus 2019, nr. A/1819/1341; RvVb 4 juli 2017, nr. A/1617/1025 (waarbij de Raad oordeelt dat: «de luchtfoto die genomen werd in de periode tussen 1979 en 1990 inderdaad niet scherp is, maar de tweede constructie lijkt inderdaad kleiner dan ze in de huidige toestand is. [...]»; RvVb 27 juni 2017, nr. A/1617/0999.
139 Zie hierover ook: RvVb 21 december 2023, nr. A/2324/0292; RvS 5 december 2000, nr. 91.357; RvS 5 januari 2012, nr. 217.120; RvS 28 januari 2013, nr. 221.938; RvS 18 december 2013, nr. 225.875; RvS 22 februari 2022, nr. 253.054; RvS 8 december 2022, nr. 255.212; RvS 23 november 2023, nr. 257.992; RvS 29 augustus 2016, nr. 235.644; en zal de beslissing in kwestie desgevallend door de bevoegde bestuursrechter worden vernietigd; RvS 26 november 2019, nr. 246.182.
140 Wat het recht op een zinvol contact met het bestuur betreft, is er wel wat in beweging. In Nederland gaan er stemmen op om dit recht uitdrukkelijk te erkennen, o.m. naar aanleiding van de Kinderopvangstoeslagenaffaire (https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@112661/w04-18-0230/). Ook het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb omvat een aantal voorstellen gericht op het «passend contact met de overheid». Ik koppel het recht op een zinvol contact met het bestuur ook aan het dienstbaarheidsbeginsel; voor een uitgebreide bespreking verwijs ik naar het proefschrift.
141 Het recht om zich te vergissen is op zichzelf (nog) geen algemeen rechtsbeginsel, al verkrijgt het steeds meer aandacht. Zo ijvert minister Crevits voor het decretaal verankeren van «een recht op vergissing» bij kleine, onopzettelijke fouten inzake administratieve aanvragen. De Vlaamse Regering keurde haar visienota «ter verankering van de manier waarop een klantvriendelijke en dienstbare overheid op een billijke manier zal omgaan met vergissingen van burgers» goed op vrijdag 14 november 2025. Voor een uitgebreide bespreking van «het recht om zich te vergissen» verwijs ik naar het proefschrift.
142 Deze Mitwirkungsobliegenheit zoals vervat in § 26 VwfG geldt in hoofdzaak bij beslissingen die de bestuurde een voordeel verschaffen en wanneer het bestuur moeilijk over de relevante feitelijke informatie kan beschikken. Sectorale regelgeving kan ook een Mitwirkungspflicht voorschrijven waarvan de niet-naleving kan worden bestraft met een bestuurlijke geldboete.
143 K. Reiling, «Proof in Administrative Law: the German Perspective», REALaw 2024/1, 93-94; Dit neemt niet weg dat er wel belangrijke medewerkingsplichten voor de bestuurde gelden.
144 C. Expert-Foulquier, «Proof of facts in administrative law in France: many ad hoc and ex post rules of evidence, but for how long?», REALaw 2024/1, 56.
145 ABRvS 14 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX8542; CRvB 27 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1900; ABRvS 26 Augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2057; Y.E. Schuurmans, «Proof in Dutch administrative law», REALaw 2024/1, 118; Y.E. Schuurmans, «De eigen aard van het bestuursrechtelijk bewijsrecht» in RJN Schlossels, Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter, Den Haag, Boom juridische uitgevers, VAR Reeks 142, 2009, 144; Dit uitgangspunt wordt in het Nederlandse bestuursrecht gerelativeerd door art. 4:2, tweede lid Awb,.
146 Artt. 8:51e t.e.m. 8:51g Awb voorzien in de mogelijkheid voor de bestuursrechter; de manier waarop de bestuursrechter moet meedelen dat de burgerlus wordt toegepast, is neergelegd in art. 8:80 lid 1, b Awb; zie hierover uitgebreid: MvT wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb, Kamerstukken II 2022/23, 29279, nr. 763, bijlage 107495, 18-21; in de memorie van toelichting heeft men het over een «burgerlijke lus». Naar aanleiding van opmerkingen van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State werd dit gewijzigd naar de «burgerlus».
147 Zie bv. R.Stvb. 24 november 2017, nr. 2017/547; R.Stvb. 6 december 2017, nr. 2017/533; R.Stvb. 4 december 2018, nr. 2018/460; R.Stvb. 12 november 2019, nr. 2019/574; R.Stvb. 15 januari 2019, nr. 2018/595; R.Stvb. 30 augustus 2019, nr. 2019/301; R.Stvb. 4 december 2020, nr. 6.125, nr. 2020/771; R.Stvb. 5 februari 2021, nr. 6.290, nr. 2020/884; R.Stvb. 3 december 2021, nr. 2021/984R.Stvb. 26 juli 2018, nr. 2018/151; R.Stvb. 4 januari 2019, nr. 2018/662; R.Stvb. 14 maart 2019, nr. 2019/006; R.Stvb. 1 april 2019, nr. 2019/084.
148 Art. 4:2 (2) Awb; Y.E. Schuurmans, «Proof in Dutch Administrative Law», REALaw 2024/1, 119.
149 K. Reiling, «Proof in administrative law: the German perspective», REALaw 2024/1, 86; P. Wirtz, Beweislasten im Verwaltungsrecht, Tübingen, Mohr Siebeck, Beiträge zum Verwaltungsrecht, 2024, 158.
150 Dit speelt dus voornamelijk bij beslissingen op aanvraag. Wat ambtshalve beslissingen betreft, is het bestuur immers zelf verantwoordelijk voor het verzamelen van de relevante feiten.
151 Dit uitgangspunt wordt in het Nederlandse bestuursrecht gerelativeerd door art. 4:2, tweede lid Awb,.
152 Zie bv. R.Stvb. 16 januari 2017, nr. 2016/674.
153 Het bestuur mag deze bewijsrichtlijnen echter niet als bindende rechtsnormen hanteren. Afwijkingen moeten steeds mogelijk zijn, rekening houdend met de specifieke omstandigheden en de bewijsgeschiktheid van de betrokken partijen.
154 Hiervoor put ik inspiratie uit het Franse bestuursrecht. Art. L114-5 CRPA bepaalt immers uitdrukkelijk de plicht voor het bestuur om aan te geven dat een beslissing op aanvraag niet volledig is. Vervolgens moet het bestuur de bestuurde een termijn toekennen om de aanvraag te vervolledigen.
155 Voorstel van de Wet versterking waarborgfunctie Awb, Kamerstukken II 2022/23, 29279 ((https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29279-763.html); L.M. Koenraad en Y.E. Schuurmans, «De burger en zijn dode mus: een beschouwing over de noodzaak om de burgerlus materieel te duiden» in BJ Van Ettekoven, F.A.G. Groothuijse, D. Korsse e.a. (eds.), Evenwichtig bestuursrecht, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2024, 97-107.
156 Décret n° 2023-10 du 9 janvier 2023 relatif aux procédures orales d’instruction devant le juge administratif: JO, 10 janv. 2023.
157 96(1), lid 1 VwGO.
158 Supra III, A, 3°.
159 Art. 23 RvS-Wet; art. 16 Procedurereglement; art. 12 DBRC-Procedurebesluit; art. 31/3 DBRC-Decreet.
160 Art. 25, lid 2 RvS-Wet; art. 25 Procedurereglement; art. 16, lid 3 DBRC-Decreet; artt. 83 en 84 DBRC-Procedurebesluit; art. 59/2 en 85, § 1, 3° DBRC-Procedurebesluit; art. 16, lid 3 DBRC-Decreet; art. 112/10 DBRC-Procedurebesluit; art. 112/16, § 1, 1° DBRC-Procedurebesluit.
161 In deze mogelijkheid is echter enkel voorzien voor de Raad van State (art. 19 Procedurereglement). Er is niet voorzien in een decretale grondslag op basis waarvan de Raad voor Vergunningsbetwistingen of de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen kan overgaan tot een plaatsbezoek.
162 Artt. 20-24 Procedurereglement; art. 16, lid 3 DBRC-Decreet; artt. 112/11-112/15 DBRC-Procedurebesluit.
163 Het arrest moet dan wel een weerslag bevatten van de onderzoeksbevoegdheden die zijn aangewend en door wie. Dit kadert m.i. in de rechterlijke motiveringsplicht en komt de transparantie ten goede.
164 Zie hierover ook: S. De Somer, «Beginselen van Behendig en Bestendig Bestuursrecht: een agenda voor de overheid, de bestuursrechtspraak en het academisch onderzoek en onderwijs in het bestuursrecht», RW 2025, 1087.
165 Supra III, C, 2°.
166 Zie hierover uitgebreid: Deel 4, Hoofdstuk 2, IV van het proefschrift.
167 S. Denys, Advisering in het bestuursrecht, Brugge, die Keure, 2013, 507.
168 J. Goris, Georganiseerde bestuurlijke beroepen: naar een algemene theorievorming, Brugge, die Keure, 2012, 794; S. Denys, 507-508; I. Opdebeek en S. De Somer, «Codificatie van het algemeen bestuursrecht: motieven en aandachtspunten» in A. Wirtgen (ed.), Liber Amicorum Marnix Van Damme, Brugge, die Keure, 2021, 253-254.
169 S. Denys, Advisering in het bestuursrecht, Brugge, die Keure, 2013, 508.
170 Ibid.
171 J. Goris, Georganiseerde bestuurlijke beroepen: naar een algemene theorievorming, Brugge, die Keure, 2012, 796.
172 Zie hierover uitgebreid: Deel 7, Hoofdstuk 6, VI, A), § 2, 1), b van het proefschrift.
173 Het proefschrift bevat nog meer aanbevelingen tot codificatie. Voor een uitgebreide bespreking verwijs ik naar Deel 7, Hoofdstuk 6, VI van het proefschrift.
174 Supra IV, A, 2°.
175 Supra IV, A, 1°.