Omschrijving
Hoe huwelijksvoordelen herkennen
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1243
Auteur(s)
E. Vyncke
Trefwoorden

HUWELIJKSVERMOGENSRECHT

ERFRECHT

Bijkomende informatie

Hoe huwelijksvoordelen herkennen

Dr. Els VYNCKE

In het Belgisch familiaal vermogensrecht bestaat er geen eensgezindheid over de afbakening van het concept «huwelijksvoordelen». Zowel voor de langstlevende echtgeno(o)t(e) als voor de kinderen van een erflater kan deze planningstechniek nochtans verregaande gevolgen hebben: van optimale beveiliging enerzijds tot soms een quasi-totale en definitieve onterving anderzijds. In deze bijdrage wordt een stand van zaken gegeven, om vervolgens de waargenomen pijnpunten met een zelfontwikkelde theorie te beantwoorden.

I. Inleiding

1. Kort gesitueerd - De rechtsfiguur van de «huwelijksvoordelen» houdt in dat het Burgerlijk Wetboek bepaalde huwelijksvermogensrechtelijke verkrijgingen principieel niet als schenkingen aanmerkt.1 Tezelfdertijd worden deze verkrijgingen onder bepaalde omstandigheden toch gelijkgesteld met schenkingen.2 Deze wettelijke kwalificaties hebben belangrijke gevolgen wanneer de kinderen3 hun erfrechtelijke reserve willen inroepen tegen de huwelijksvermogensrechtelijke toebedelingen vanwege hun overleden ouder aan hun (stief)ouder. Hun reserve kunnen zij immers enkel inroepen tegen vermogensverkrijgingen die als gift kwalificeren, terwijl er geen reservebescherming is tegen andere vermogensverkrijgingen.4 Bijgevolg blijven huwelijksvoordelen dus principieel buiten het bereik van de reservataire aanspraken van de gemeenschappelijke kinderen en de niet-gemeenschappelijke kinderen (de stiefkinderen).

2. Controversiële kwestie - Wie enigszins vertrouwd is met het familiaal vermogensrecht, weet dat dit leerstuk de gemoederen beroert. Zo zijn huwelijksvoordelen volgens sommige rechtsgeleerden een belangrijk ingrediënt in een giftige cocktail die de wetgever aan stiefkinderen voorschotelt.5 Waarom die beeldspraak? Omdat het gebruik van deze planningstechniek tot de definitieve onterving van kinderen kan leiden. In de mate dat bij het eerste overlijden het huwelijksvoordeel niet als een gift kwalificeert, blijft de vermogensverkrijging buiten het bereik van de kinderen. Waar gemeenschappelijke kinderen van het echtpaar dat «overgeheveld» vermogen nog via erfenis kunnen verkrijgen, wanneer hun langstlevende ouder sterft,6 zijn niet-gemeenschappelijke kinderen het overgeheveld vermogen kwijt. Bij het latere overlijden van hun stiefouder kunnen zij immers geen wettelijke erfaanspraken laten gelden. Vandaar worden huwelijksvoordelen in het bijzonder voor niet-gemeenschappelijke kinderen als onwenselijk beschouwd. Volgens de critici is het daarbij slechts een druppel op een hete plaat dat de wet een huwelijksvoordeel sneller met een schenking gelijkstelt wanneer het over de reservebescherming van stiefkinderen gaat, dan wanneer gemeenschappelijke kinderen zulke vermogensverkrijgingen willen aanvechten (zie infra over de «plafonds»).

Een eerste element in deze controverse is ideologisch van aard: behoort het wel dat afspraken tussen echtgenoten zo in het nadeel van de kinderen kunnen spelen?7 Een tweede element is juridisch-technisch van aard. De wetgeving is te beknopt om het juridisch concept volledig af te bakenen. Daardoor zijn er verschillende opvattingen over welke bedingen wel en niet een huwelijksvoordeel uitmaken, met civiele en fiscale discussies tot gevolg. Civielrechtelijk gaat het voornamelijk over de vraag wanneer de wettelijke kwalificaties precies van toepassing zijn. Fiscaalrechtelijk is de centrale vraag of dergelijke vermogensverkrijgingen belastbaar zijn.8

3. Inhoud van deze bijdrage - De ideologische discussie is mijns inziens meer een zaak van de politiek dan van de rechtswetenschap. Vandaar zal deze bijdrage enkel ingaan op de juridisch-technische discussie, en dit op civielrechtelijk vlak. Het fiscaal recht volgt immers de civielrechtelijke kwalificatie.9 Nadat eerst verschillende opvattingen over de afbakening van het concept «huwelijksvoordelen» worden behandeld, wordt daarna de theorie uit mijn proefschrift uiteengezet.10

II. Bediscussieerde vragen

4. Definitie - Een wettelijke of unaniem aanvaarde definitie van huwelijksvoordelen ontbreekt in het Belgische recht.11 Daardoor bestaan er grijze zones met andere juridische concepten. In de praktijk is het niet steeds evident om een clausule in een huwelijksovereenkomst of in een notariële akte te kwalificeren wanneer daardoor vermogen wordt toebedeeld aan een echtgenoot. Een dergelijke clausule zou een huwelijksvoordeel kunnen zijn, maar ook een contractuele erfstelling of zelfs een goederenrechtelijke overeenkomst van aanwas.12 De rechtsgevolgen verschillen op belangrijke punten, bijvoorbeeld over de vraag wanneer de vermogensverkrijging in kwestie kan worden aangevochten op grond van de erfrechtelijke reserve van de afstammelingen. De rechtszekerheid is dus gebaat met een definitie die toelaat om dergelijke clausules op consistente wijze te kwalificeren.

5. Verdere discussiepunten - Er is daarnaast geen eensgezindheid over de volgende toepassingsvragen13:

- Kan een huwelijksvoordeel in elk huwelijksstelsel voorkomen, bijvoorbeeld ook in een stelsel van scheiding van goederen zonder toevoeging van een beperkt gemeenschappelijk vermogen?

- Kunnen enkel bepaalde vermogensbestanddelen het voorwerp van een huwelijksvoordeel zijn, bijvoorbeeld enkel bestanddelen uit een gemeenschappelijk vermogen of enkel aanwinsten die de echtgenoten tijdens hun huwelijk onder bezwarende titel verworven hebben?

- Wat zijn de omstandigheden die aan kinderen toelaten om een huwelijksvoordeel met een schenking gelijk te stellen? Deze vraag gaat over de wettelijk geformuleerde grenzen, de zogenaamde «plafonds» van artikel 2.3.57 en 2.3.58 BW, die op grond van artikel 2.3.64 BW naar analogie moeten worden toegepast in stelsels van scheiding van goederen. Wanneer deze plafonds overschreden worden, wordt het huwelijksvoordeel voor het meerdere gelijkgesteld met een schenking, waardoor dit meerdere (ook «surplus» genoemd) vatbaar is voor de erfrechtelijke verrekening zoals bepaald in de artikelen 4.150-4.157 BW. Daarbij wordt dit surplus opgenomen in de rekenboedel en wordt het aangerekend op het beschikbaar deel, wat aanleiding kan geven tot een inkortingsvordering.

- Hoe en op welk ogenblik moeten huwelijksvoordelen gewaardeerd worden op basis van deze erfrechtelijke verrekening?

III. Aanknopingspunten in de wet

6. Burgerlijk Wetboek - Reeds sinds de Code Napoléon van kracht was, gelden er in België wetsbepalingen die sommige vermogensverkrijgingen tussen echtgenoten aanmerken als voordelen die principieel niet aan de regels van schenkingen onderworpen zijn.14 Van daaruit is het juridisch concept «huwelijksvoordeel» ontwikkeld.15 Een echte definitie hiervan is in het Burgerlijk Wetboek niet terug te vinden,16 al nemen heel wat rechtsgeleerden aan dat de definitie op heden wel indirect in verschillende wetsbepalingen opgenomen is.17

Op heden zijn de kernbepalingen waarop dit concept steunt, terug te vinden in de ondertitel van het Burgerlijk Wetboek over het huwelijksvermogensrecht, binnen het hoofdstuk over conventionele gemeenschapsstelsels. Dat hoofdstuk bevat met name enkele voorbeelden van huwelijksvoordelen,18 alsook een onvolledige handleiding over de erfrechtelijke verrekening ervan19 en twee regels over het verval van huwelijksvoordelen.20 Daarnaast staat sinds 2018 ook een sibillijnse instructie in het hoofdstuk over stelsels van scheiding van goederen. Deze houdt in dat er in scheidingsstelsels een analogische toepassing is van de regels over de erfrechtelijke verrekening en het verval uit het hoofdstuk over conventionele gemeenschapsstelsels.21 Hoe dat concreet moet gebeuren, wordt echter niet uitgewerkt door de wetgever.

IV. Aanknopingspunten in de rechtspraak

7. Bestaan en kwalificatie - Het bestaan van huwelijksvoordelen wordt bevestigd door de Belgische rechtscolleges, waaronder ook het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie.22 De wettelijke kwalificatie, waardoor de vermogenstoebedeling principieel niet als een schenking aanzien wordt, wordt door het Grondwettelijk Hof als een onweerlegbaar vermoeden aangemerkt.23 Anders gezegd geldt er een objectieve wettelijke kwalificatie waardoor tegenbewijs over een animus donandi niet ontvankelijk is. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat wanneer de wettelijke plafonds overschreden zijn, een huwelijksvoordeel enkel vatbaar is voor inkorting, maar nog steeds géén gift uitmaakt.24 Het is dus enkel in de context van de reservebescherming dat een dergelijk «onvolkomen»25 huwelijksvoordeel als een schenking te beschouwen is.

8. Vaak gehanteerde definitie, maar ... - In de rechtspraak, bijvoorbeeld die van het Grondwettelijk Hof, wordt weleens gebruik gemaakt van Casmans definitie van huwelijksvoordelen.26 Deze stelt dat huwelijksvoordelen voordelen/verrijkingen zijn die ontstaan uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling van het huwelijksvermogensstelsel.27 Desalniettemin komt bijvoorbeeld in een cassatiearrest uit 2017 een andere, ruimere definitie voor, namelijk les profits qu’un des époux peut tirer de son régime matrimonial.28 De vaststelling dat onder andere het Grondwettelijk Hof deze definitie gebruikt, verantwoordt echter niet zonder meer dat dit dé definitie van huwelijksvoordelen is, zeker gelet op het beperkte aantal uitspraken waarover het gaat.29

V. Uiteenlopende doctrinaire opvattingen

9. Breed gedragen definitie ... - Casmans definitie van huwelijksvoordelen wordt in de rechtsleer regelmatig overgenomen.30 Deze formulering is tevens terug te vinden in de wet, namelijk in de artikelen 2.3.57-2.3.60 van het Burgerlijk Wetboek, zonder dat dit als een wettelijke definitie van huwelijksvoordelen wordt aangemerkt.31

10. ... echter andere opvattingen over de toepassing ervan - Niettegenstaande Casmans definitie vaak wordt overgenomen, wordt deze op uiteenlopende manieren toegepast, zoals hierna wordt uitgewerkt. Het gevolg is dat er geen eensgezindheid bestaat over het toepassingsgebied van de huwelijksvoordelen, noch over de rol die het concept aanwinsten daarbij speelt of hoe de erfrechtelijke verrekening van huwelijksvoordelen concreet berekend moet worden. In wat volgt, worden de verschillende opvattingen over die eerste twee vragen in drie strekkingen gegroepeerd, maar in feite heeft quasi elke auteur een opvatting die op belangrijke vlakken verschilt van die van andere auteurs. De discussie over de berekening wordt hier geïntroduceerd, en wordt in een volgende bijdrage verder uitgediept.32

11. Vereenvoudigd voorbeeld - Om aan te tonen welke moeilijkheden er in de huidige status quaestionis zijn, worden de verschillende opvattingen toegepast op een voorbeeld dat zich in de praktijk niet zou voordoen, namelijk een notariële akte die qua inhoud enkel de volgende zinnen bevat: «De partijen verklaren het stelsel van scheiding van goederen aan te nemen. Zij verklaren dat bij het vooroverlijden van echtgenoot A het huis te Anderlecht in volle eigendom toekomt aan echtgenoot B.» Dit voorbeeld wordt nadien gebruikt om te verklaren welke meerwaarde mijn theorie over huwelijksvoordelen aan de rechtswetenschap kan bieden.

A. Voordeel uit een bestemmingsgebonden gemeen vermogen

12. Strengste opvatting - Volgens deze opvatting, onder meer aangehangen door Demortier, Renchon en Sauvage33, beperken huwelijksvoordelen zich tot verkrijgingen uit de verdeling van een doelvermogen met een gemeenschappelijke bestemming (namelijk het huwelijk). Wat gemeenschapsstelsels betreft, werkt de wet immers enkel huwelijksvoordelen uit inzake vermogensbestanddelen die tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, waardoor er volgens deze strekking in scheidingsstelsels enkel huwelijksvoordelen kunnen voorkomen inzake vermogensbestanddelen die tot een vergelijkbaar vermogen behoren. Meer bepaald menen zij dat het voorwerp van een huwelijksvoordeel moet behoren tot een gemeen vermogen dat de volgende kenmerken heeft.34 Het gemeen vermogen:

- maakt een universaliteit uit, die beantwoordt aan de regels van zaakvervanging en waarin de activa corresponderen met passiva;

- moet geïntegreerd zijn in het huwelijksvermogensstelsel;

- moet een bestemmingsgebonden35 vermogen zijn, waardoor de verdeling enkel mogelijk is bij de ontbinding van het stelsel.

Zodoende kunnen in stelsels van scheiding van goederen huwelijksvoordelen bedongen worden via de toevoeging van een beperkte huwgemeenschap. Over de kwalificatie van een regeling inzake onverdeelde goederen, het wettelijk uitgewerkt verrekenbeding of een conventioneel aangepast verrekenbeding zijn deze auteurs het echter niet eens.36

13. Toegepast op het voorbeeld - Wanneer deze strekking gevolgd wordt, is de essentiële kwalificatievraag tot welk soort vermogen het huis behoort dat aan echtgenoot B wordt toegekend. Enkel als het huis deel uitmaakt van een beperkt gemeenschappelijk vermogen, is het duidelijk dat dit beding een huwelijksvoordeel kan opleveren voor echtgenoot B. Indien het huis echter exclusief of onverdeeld tot het eigen vermogen van echtgenoot A behoort, moet de praktijkjurist uitmaken of het huis deel uitmaakte van een bestemmingsgebonden vermogen.

14. Moeilijkheden - Het is geen eenvoudige opgave om uit te maken of er sprake was van een bestemmingsgebonden vermogen, aangezien ook dit concept niet wettelijk gedefinieerd is.37 Een bijkomende kritiek op deze stelling is dat ze restrictief is, terwijl de wetgever in 2018 juist meer mogelijkheden wilde geven aan echtgenoten om solidariteit in te bouwen in stelsels van scheiding van goederen.38

B. Voordeel betreffende aanwinsten

15. Intermediaire opvatting - Volgens meerdere auteurs kan een vermogensverkrijging slechts een huwelijksvoordeel uitmaken indien ze voortvloeit uit een huwelijksvermogensrechtelijke regeling betreffende aanwinsten.39 De in de wet uitgewerkte huwelijksvoordelen worden volgens deze strekking gekenmerkt doordat ze aanwinsten toekennen, en dus niet door het gegeven dat het om de toekenning van gemeenschappelijke vermogensbestanddelen gaat.40 Om het begrip aanwinsten af te bakenen, wordt de definitie van Casman als uitgangspunt genomen: «[...] alle inkomsten die de echtgenoten (zowel uit arbeid als uit vermogen) tijdens het huwelijk verwerven, hetgeen daarop gespaard is, en hetgeen daarmee verworven is41 Dit zijn namelijk de vermogensbestanddelen die in het wettelijk stelsel tot het gemeenschappelijk vermogen behoren.42

Zeer bondig samengevat voert deze strekking aan dat wanneer het over stelsels van scheiding van goederen gaat, een beding in een huwelijksovereenkomst een huwelijksvoordeel kan opleveren op voorwaarde dat het aanwinsten als voorwerp heeft. Binnen deze strekking is er evenmin een eenduidig antwoord op de vraag of onverdeelde goederen of vermogensbestanddelen die exclusief tot een eigen vermogen behoren, het voorwerp van een huwelijksvoordeel kunnen zijn. Dit komt doordat de auteurs verschillende bijkomende vereisten stellen om van een aanwinst te kunnen spreken, of omdat zij inzake het huwelijksstelsel zelf bijkomende vereisten stellen (zie infra).

16. Toegepast op het voorbeeld - Volgens deze strekking is het noodzakelijk dat het huis van echtgenoot A als een aanwinst kwalificeert om de verkrijging ervan door echtgenoot B bij het vooroverlijden van A als een huwelijksvoordeel te kunnen kwalificeren. Deze kwalificatievraag is echter niet altijd eenvoudig te beantwoorden.

17. Moeilijkheden - In de praktijk is het mogelijk dat het voorwerp van de huwelijksvermogensrechtelijke regeling volledig gefinancierd is met beroepsinkomsten die tijdens het huwelijk gespaard werden. Evenwel komt het zeker voor dat vermogensbestanddelen niet voor de volle 100% onder Casmans definitie van aanwinsten te brengen zijn, omdat ze bijvoorbeeld deels gefinancierd zijn met geërfde gelden. Tevens is het merkwaardig om de hele theorie van huwelijksvoordelen op te hangen aan aanwinsten als voorwerp, aangezien dit in de wettelijke regels inzake gemeenschapsstelsels niet eens het geval is. In gemeenschapsstelsels is het immers ontegensprekelijk mogelijk om een huwelijksvoordeel te bedingen inzake goederen die werden ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen (i.e. niet-aanwinsten).43 Zoals dadelijk wordt uiteengezet, hangt het van auteur tot auteur af hoe hiermee wordt omgegaan.

18. De Page en De Stefani - Volgens deze auteurs kan een conventionele afwijking op de zuivere scheiding van goederen als huwelijksvoordeel kwalificeren als het voorwerp ervan onder de noemer aanwinsten te brengen is.44 Dit kan ook wanneer het onverdeelde of eigen goederen van de eerststervende echtgenoot betreft.45

Hun principiële aanbeveling is daarbij om in de context van scheidingstelsels een restrictieve invulling van het begrip aanwinsten te hanteren, namelijk vermogensbestanddelen die tijdens het stelsel onder bezwarende titel verkregen zijn en volledig gefinancierd werden met (overgespaarde) beroepsinkomsten.46 Evenwel schrijven zij dat echtgenoten met een «ad hoc-beding» in hun huwelijksovereenkomst een ruimere definitie van aanwinsten van toepassing kunnen verklaren.47 Een zo ruim mogelijke conventionele invulling zou dan inhouden dat «alle goederen die tijdens het stelsel onder bezwarende titel verkregen werden» aanwinsten uitmaken.48 Weliswaar waarschuwen ze ervoor dat de rechtspraak een dergelijke verruiming mogelijk niet zal aanvaarden.49

Toegepast op het vereenvoudigd voorbeeld: de echtgenoten zijn afgeweken van de zuivere scheiding van goederen door het huis in Anderlecht aan B te laten toekomen. De kwalificatie van dit beding als huwelijksvoordeel rust op de kwalificatie van het huis als aanwinst. Restrictief opgevat moet het huis dan tijdens het huwelijk volledig met beroepsinkomsten verworven zijn. Op voorwaarde van een conventionele verruiming van het aanwinstenbegrip is de oorsprong van de geïnvesteerde gelden echter niet langer belangrijk.

19. Van Molle - Van Molle gaat uit van de restrictieve invulling van aanwinsten, maar voegt een voorwaarde toe.50 Een verwerving onder bezwarende titel tijdens het huwelijk bekostigd met beroepsinkomsten is volgens hem pas een aanwinst, indien de echtgenoten in hun huwelijksovereenkomst een correctie op de zuivere scheiding van goederen51 bedongen hadden. Er bestaan volgens hem immers geen aanwinsten in een zuiver scheidingsstelsel.52

In een scheidingsstelsel kunnen voor hem echter ook niet-aanwinsten het voorwerp van een huwelijksvoordeel uitmaken. Dat is evenwel enkel het geval indien het voorwerp van de vermogensafspraak welbepaalde goederen betreft (ut singuli). Dan kan het voorwerp van een huwelijksvoordeel zowel uit aanwinsten als niet-aanwinsten bestaan, die zowel onverdeeld als exclusief eigen kunnen zijn.53 Wordt het voorwerp van de huwelijksvermogensrechtelijke regeling daarentegen ad generali beschreven (een categorie van goederen), dan is het voor Van Molle vereist dat dit aanwinsten zijn die bovendien tussen de echtgenoten in onverdeeldheid zijn om tot een kwalificatie als huwelijksvoordeel te kunnen besluiten.54

In het vereenvoudigd voorbeeld wordt het huis in Anderlecht ut singuli aangemerkt. Vandaar is het niet relevant of dit nu een aanwinst is of niet. Echtgenoot B verkrijgt het als huwelijksvoordeel, omdat deze verkrijging voortvloeit uit een beding uit de huwelijksovereenkomst dat qua samenstelling, werking, vereffening of verdeling afwijkt van het stelsel van zuivere scheiding van goederen (zoals uitgewerkt in het Burgerlijk Wetboek).

20. Taymans - Taymans op zijn beurt meent dat in scheidingsstelsels enkel aanwinsten zoals gedefinieerd door Casman het voorwerp kunnen zijn van een huwelijksvoordeel, en legt nog een extra vereiste aan het stelsel op.55 Hij stelt dat als echtgenoten onverdeelde goederen of exclusief eigen goederen het voorwerp van een huwelijksvoordeel willen maken, zij in hun huwelijksovereenkomst een solidariteitsmechanisme moeten inbouwen dat zowel bij overlijden als bij echtscheiding doorwerkt.56 Dit mechanisme moet een verrekening van de vermogens bewerkstelligen,57 in de zin dat de minstverdienende echtgenoot deelt in de aanwinsten van de andere echtgenoot, ook wanneer de minstverdienende echtgenoot deze vermogensbestanddelen niet direct meegefinancierd heeft.58

In het voorbeeld kan in een scheidingsstelsel bedongen worden dat B het huis van A als huwelijksvoordeel verkrijgt, indien dit huis met overgespaarde beroepsinkomsten van A gekocht werd én er een solidariteitsmechanisme geldt dat ook bij echtscheiding uitwerking krijgt. Het huis kan bijvoorbeeld in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen («TIGV») zijn ingebracht dat bij ontbinding door echtscheiding bij helften verdeeld wordt en bij ontbinding door overlijden verblijft aan de langstlevende echtgenoot. Alternatief zou dit huis onverdeeld kunnen worden gemaakt - waardoor B ook bij een echtscheiding deels eigenaar is - om vervolgens als huwelijksvoordeel te bedingen dat B het onverdeelde aandeel van A verkrijgt bij het vooroverlijden van A.59

C. Voordeel uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het huwelijksstelsel

21. Meest ruime definitie - De voortrekkers van deze stelling zijn Casman en Verbeke.60 Huwelijksvoordelen zijn volgens hen voordelen die een huwelijksovereenkomst toekent en die uit (de combinatie van bedingen inzake) de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het huwelijksstelsel kunnen worden verkregen.61 Hierbij verduidelijken ze dat er twee vereisten gelden opdat er sprake is van een huwelijksvoordeel:

- 1. Het voordeel moet door de huwelijksovereenkomst ontstaan;

- 2. Het voordeel moet huwelijksvermogensrechtelijk zijn verkregen, dat wil zeggen uit de samenstelling, de werking, de vereffening of verdeling van het stelsel, zijnde in een gemeenschapsstelsel de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of in een scheiding van goederen, de verdeling van onverdeeldheden, doelvermogens, een TIGV, verrekenbedingen, toekenningsbedingen, etc.62

Er wordt verduidelijkt dat het niet volstaat dat de regeling is opgenomen in een huwelijksovereenkomst; ze moet geïntegreerd zijn in het huwelijksstelsel.63 Daartoe suggereren deze auteurs om een coherente passiefregeling uit te werken, al geldt dit niet als een vereiste om tot de kwalificatie van huwelijksvoordeel te kunnen besluiten.64

Deze kwalificatie hangt dus niet af van het voorwerp.65 Het is essentieel hoe de vermogensafspraak is opgebouwd: het beding moet immers de werking, vereffening, verrekening of verdeling van de vermogens van de echtgenoten regelen binnen het door hen gekozen huwelijksstelsel om een huwelijksvoordeel te zijn.66

22. Toegepast op het voorbeeld - In het voorbeeld verklaren de echtgenoten in hun huwelijksovereenkomst dat bij het vooroverlijden van A diens huis te Anderlecht zal toekomen aan B. Dit beding is gestript van alle mogelijke kwalificaties die de partijen zelf aan deze vermogenstoebedeling zouden kunnen geven. Indien het huis deel zou uitmaken van een beperkt gemeenschappelijk vermogen of een TIGV, kan er wellicht vermoed worden dat deze regeling kadert in de verdeling daarvan. Vermoedelijk gaat het om een huwelijksvoordeel. Ook indien het huis onverdeeld of exclusief tot het eigen vermogen van echtgenoot A behoort, zou het beding volgens deze doctrinaire strekking in theorie als huwelijksvoordeel kunnen kwalificeren, namelijk respectievelijk als een verblijvingsbeding of toekenningsbeding.67 Doordat de echtgenoten deze regeling echter (te) summier hebben uitgewerkt, en niet hebben aangegeven hoe ze deze regeling als een onderdeel van hun huwelijksstelsel zien, lijkt het erop dat deze strekking de kwalificatie als huwelijksvoordeel zou afwijzen.68 Het lijkt mij dat de toekenning van het huis in Anderlecht als contractuele erfstelling zou kwalificeren, hoewel Casman en Verbeke - onterecht69 - weigerachtig staan tegenover de rechtsgeldigheid van contractuele erfstellingen bedongen onder bijzondere titel.70,71

23. Moeilijkheden - Hoewel deze strekking al veel vragen beantwoordt, laat ze niet toe om in alle gevallen een huwelijksvoordeel te onderscheiden van bijvoorbeeld een contractuele erfstelling. Dit komt doordat er veel afhangt van de formulering van de vermogensafspraak: er moet verduidelijkt worden hoe het beding geïntegreerd is in het stelsel.72 Het louter opnemen van een passiefregeling lijkt niet voldoende om de kwalificatie als contractuele erfstelling uit te sluiten.73 De vraag rijst of het voor de kwalificatie als huwelijksvoordeel in casu een verschil had uitgemaakt indien de echtgenoten A en B gewoonweg expliciet hadden verklaard dat het huis in Anderlecht als huwelijksvoordeel aan B zou toekomen.74

VI. Eigen theoretische afbakening

24. Inleiding - In mijn proefschrift75 werd een definitie ontwikkeld die toelaat om huwelijksvoordelen te onderscheiden van andere vermogensafspraken tussen echtgenoten, zoals contractuele erfstellingen of bedingen van aanwas. Met deze definitie kan een huwelijksvoordeel herkend worden aan zijn voorwerp. Dit voorwerp is echter niet beperkt tot gemene goederen of aanwinsten. Daarnaast is de kwalificatie als huwelijksvoordeel niet afhankelijk van stijlformules.

25. Overzicht - Deze definitie en haar verschillende onderdelen worden hierna eerst kort voorgesteld en toegepast op het voorbeeld (A). De deelelementen worden daarna (in een andere volgorde) verder uitgediept, waarbij de verschillen en gelijkenissen met de hoger beschreven opvattingen over huwelijksvoordelen aan bod komen (B). Vervolgens wordt het onderscheid met een contractuele erfstelling en een beding van aanwas behandeld (C) en worden mijn stellingen over de erfrechtelijke verrekening geïntroduceerd (D).76

A. Hoe huwelijksvoordelen herkennen: definitie in het kort

26. Ontwikkelde definitie - Huwelijksvoordelen zijn vermogensverrijkingen van een eigen vermogen die voortvloeien uit een structurele keuze voor solidariteit, gemaakt door de echtgenoten77 samen.

27. Structurele keuze voor solidariteit - Huwelijksvoordelen zijn een uiting van solidariteit bij een echtpaar.78 Het gaat om de bereidheid van beide echtgenoten om hun middelen te herverdelen,79 waarbij ze die bereidheid geconcretiseerd hebben in hun huwelijksovereenkomst. Met name hebben ze drie parameters inzake de vermogenstoebedeling vastgelegd. Het gaat ten eerste over afspraken over de middelen die zij voor hun solidariteit willen aanmerken (het voorwerp), ten tweede over de mate waarin zij daaromtrent solidair willen zijn (de sleutel),80 en ten slotte gaat het over de omstandigheden waaronder zij solidair willen zijn (de situatie). Om van een structurele keuze te kunnen spreken, moeten deze verschillende parameters verankerd zijn in een huwelijksovereenkomst, vóór de vermogensverrijking in kwestie tot stand komt. Het is daarbij niet vereist dat ook in geval van echtscheiding voor solidariteit wordt gekozen.

28. Gezamenlijk gemaakte keuze - Om van een gezamenlijke solidariteitskeuze te kunnen spreken, dus een keuze uitgaande van de beide echtgenoten, wordt hier verdedigd dat de beide echtgenoten aan hen toebehorende (tegenwoordige en/of toekomstige)81 vermogensbestanddelen moeten aanmerken als voorwerp van de solidariteitsregeling. Er wordt evenwel niet vereist dat deze aanmerkingen gelijkwaardig zijn, noch dat het huwelijksvoordeel wederkerig bedongen is.

29. Verrijking van een eigen vermogen - Een huwelijksvoordeel komt enkel tot stand wanneer een eigen vermogen van een echtgenoot goederen verkrijgt die voorheen niet tot dat eigen vermogen behoorden. Zo kunnen kinderen bij de verblijving van het gemeenschappelijk vermogen geen reservataire aanspraken maken inzake de goederen die de langstlevende echtgeno(o)t(e) zélf in de gemeenschap had ingebracht.82 Anders verwoord bestaat een huwelijksvoordeel enkel uit vermogensbestanddelen die niet binnen het eigen vermogen van de verrijkte echtgeno(o)t(e) tot stand gekomen zijn.

30. Al eens toegepast op het voorbeeld - Als het huis in Anderlecht exclusief tot het eigen vermogen van A behoort, is de regeling in het voorbeeld geen huwelijksvoordeel, maar een contractuele erfstelling ten gunste van B. Het eigen vermogen van B wordt immers verrijkt ten gevolge van een keuze die A alleen heeft gemaakt. Om de sleutel van de herverdeling toe te passen, wordt het vermogen van echtgenoot B namelijk niet in aanmerking genomen. Het voorwerp van deze regeling betreft dus slechts het eigen vermogen van A.

Als daarentegen de regeling als voorwerp de vermogens van de beide echtgenoten in aanmerking neemt om daarop de afgesproken sleutel toe te passen, zal dit wel een huwelijksvoordeel uitmaken. Het gaat dan immers om een gezamenlijke, structurele keuze om middelen te herverdelen. Aan deze voorwaarden is voldaan wanneer het huis in Anderlecht aldus tot een (beperkt/intern) gemeenschappelijk vermogen of een onverdeeldheid tussen de echtgenoten behoorde. In de huwelijksovereenkomst worden immers het voorwerp (het huis, onderdeel van het vermogen van beide echtgenoten), de sleutel (de totaliteit van dat voorwerp) en de situatie (bij vooroverlijden van A) verankerd, voorafgaand aan de totstandkoming van deze vermogensverrijking van B ten tijde van het vooroverlijden van A.

Mijns inziens is de kwalificatie als huwelijksvoordeel af te wijzen als het gaat over de toekenning van exclusief eigen goederen (zie infra, randnummer 34). Indien dit door de wetgever/de civiele rechtspraak toch wordt aanvaard, kan de door mij ontwikkelde definitie evenwel nog steeds dienen om huwelijksvoordelen te herkennen. Dan zouden echtgenoten A en B bijvoorbeeld als huwelijksvoordeel kunnen bedingen dat «alle onroerende goederen van beide echtgenoten bij het vooroverlijden van A aan B zullen toekomen», zelfs indien bij het vooroverlijden van A blijkt dat alleen het eigen vermogen van A een onroerend goed bevat. Ook volgend beding uit een huwelijksovereenkomst zou dan als huwelijksvoordeel kwalificeren: «Bij het vooroverlijden van A komt in totaliteit toe aan B: het huis te Anderlecht uit het eigen vermogen van A en de banktegoeden op de eigen rekening van B.»83

B. De definitie uitgediept en vergelijking met andere opvattingen

31. Verrijking van het eigen vermogen - Een van de weinige niet-controversiële kwesties inzake huwelijksvoordelen is dat een huwelijksvoordeel in essentie een voordeel voor een echtgenoot inhoudt, zijnde een in geld waardeerbare verrijking van diens vermogen.84 Bovendien staat in de context van gemeenschapsstelsels vast dat wanneer de vermogenstoebedeling (ook) goederen betreft die een echtgenoot zelf heeft ingebracht, dit niet vatbaar is voor erfrechtelijke verrekening, en dus ook niet voor inkorting.85

Dit laatste kan op twee manieren worden verklaard: ofwel blijven eigen inbrengsten altijd beneden de wettelijke plafonds inzake huwelijksvoordelen, ofwel maken die eigen inbrengsten hoegenaamd geen deel uit van het huwelijksvoordeel. Enkel door de tweede verklaring te volgen, kunnen de plafonds op een coherente manier worden toegepast.

Neem een echtpaar X-Y dat gelijke bedragen van hun beroepsinkomsten had overgespaard binnen hun stelsel van zuivere scheiding van goederen. Zij stappen over naar een gemeenschapsstelsel, met inbreng van die spaargelden en met een verblijvingsbeding. Wanneer X een week later onverwachts overlijdt, komt de gehele huwgemeenschap aan Y toe, inclusief de door Y ingebrachte spaargelden. De stelling dat Y’s eigen inbrengsten wél deel uitmaken van het huwelijksvoordeel, zou tot de onlogische conclusie leiden dat ze wel én niet erfrechtelijk te verrekenen zijn ten aanzien van een niet-gemeenschappelijk kind. Enerzijds impliceert het plafond van artikel 2.3.58 BW immers dat Y een onvolkomen huwelijksvoordeel verkrijgt, omdat die meer dan de helft van alle aanwinsten verkrijgt.86 Anderzijds geldt echter dat het niet-gemeenschappelijk kind geen reservataire aanspraken kan maken op goederen die Y zelf heeft ingebracht.87 Vandaar de conclusie dat de eigen inbrengsten géén deel uitmaken van het huwelijksvoordeel van Y.88

Het huwelijksvoordeel bestaat dus enkel uit de vermogensbestanddelen die aan het eigen vermogen van een echtgenoot zijn toegekomen op grond van de huwelijksvermogensrechtelijke regeling, en dus niet uit de vermogensbestanddelen die al in het eigen vermogen van de verrijkte echtgenoot tot stand gekomen waren.89

32. Vergeleken met andere opvattingen - Hieruit volgt dat er volgens mij geen huwelijksvoordeel kan ontstaan wanneer echtgenoten grenzen stellen aan hun solidariteit. Als zij bijvoorbeeld kiezen om bepaalde vermogensbestanddelen uit de huwgemeenschap te sluiten en ze exclusief in het eigen vermogen te behouden, vormt de aangroei van dat eigen vermogen geen huwelijksvoordeel. Mijns inziens heeft de keuze om met betrekking tot sommige vermogensbestanddelen níét solidair te zijn dus dezelfde repercussies in scheidingsstelsels als in gemeenschapsstelsels, in tegenstelling tot auteurs die wel een onderscheid beschrijven.90

Verder houdt mijn definitie in dat de gelijke verdeling van de huwgemeenschap binnen een wettelijk stelsel eveneens een huwelijksvoordeel uitmaakt, wat andere auteurs anders zien.91,92 Immers zijn deze aanwinsten, ook als ze bij helften verdeeld worden, tot stand gekomen in de huwgemeenschap en verrijken ze bijgevolg de eigen vermogens van de echtgenoten ten tijde van de verdeling. Dit huwelijksvoordeel is echter altijd volkomen, aangezien de gelijke verdeling van aanwinsten steeds onder de wettelijke plafonds blijft (infra).

Tot slot wijkt mijn definitie af van de opvatting dat een inbreng en een anticipatieve inbreng een huwelijksvoordeel op zichzelf zijn.93 Een inbreng is mijns inziens slechts een onderdeel van een huwelijksvoordeel, omdat er pas bij de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap een huwelijksvoordeel kan ontstaan, namelijk door de vermogensverrijking van een eigen vermogen.94,95

33. Gezamenlijke solidariteitskeuze blijkt uit voorwerp ... - In mijn proefschrift wordt de analogie ontleed die op grond van artikel 2.3.64, § 1, vierde lid BW in scheidingsstelsels geldt, waarbij geconcludeerd wordt dat er een vergelijkbare situatie met gemeenschapsstelsels voorligt wanneer beide echtgenoten aan hen toebehorende vermogensbestanddelen aanmerken voor onderlinge solidariteit.96 Waar bijvoorbeeld bij een verblijvingsbeding in gemeenschapsstelsels een sleutel (100/0) wordt toegepast op de huwgemeenschap, die beide echtgenoten gezamenlijk toebehoort,97 wordt bij het wettelijk finaal verrekenbeding de afgesproken sleutel toegepast op de verrekenmassa, waarbij de vermogens van de beide echtgenoten in aanmerking genomen worden (art. 2.3.65 BW). De keuze om solidair te zijn (door te verdelen of te verrekenen) gaat zodoende van de echtgenoten gezamenlijk uit.

34. ... huwelijksvoordeel houdt immers herverdeling in - De wetsbepalingen die aan huwelijksvoordelen hun objectieve kwalificatie toeschrijven, linken dit aan een verdeling.98 Bij een verdeling verkrijgen deelgenoten materieel aanwijsbare verdeelde aandelen in plaats van hun mathematisch-abstracte onverdeelde aandelen.99 Daarop voortbouwend wordt verdedigd dat een huwelijksvoordeel slechts dan tot stand komt, als echtgenoten allebei bestanddelen uit hun vermogens hebben aangemerkt om onder elkaar te herverdelen. Dat impliceert dat die middelen reeds in een bepaalde verhouding ontvangen werden, om dan op een later moment de som van die middelen te nemen en daarop de overeengekomen parameter «sleutel» toe te passen teneinde ieders finaal aandeel in dat totaal uit te maken.

Vandaar de conclusie dat huwelijksvoordelen bedongen kunnen worden inzake huwgemeenschappen, onverdeeldheden en een verrekenmassa. Beide echtgenoten zijn immers tijdens het huwelijk titularis van de huwgemeenschap.100 Zij zijn uiteraard deelgenoten bij een onverdeeldheid. Strikt genomen zijn de echtgenoten inzake de verrekenmassa geen deelgenoten, aangezien de verrekenmassa enkel verbintenisrechtelijk bestaat,101 maar via het derde en vierde lid van artikel 2.3.64, § 1 BW heeft de Belgische wetgever aangegeven dat die verbintenisrechtelijke verrekening op het vlak van huwelijksvoordelen analoog is aan een goederenrechtelijke verdeling.

De toebedeling van exclusief eigen goederen van één echtgenoot aan de andere beantwoordt echter niet aan de idee van een herverdeling van middelen, omdat de verkrijgende echtgenoot voordien nog geen enkel aandeel in die goederen had. Vandaar kwalificeert dit mijns inziens niet als een huwelijksvoordeel. Indien die kwalificatie toch door de wetgever/rechtspraak zou worden aanvaard, zou dat inhouden dat de beide echtgenoten exclusief eigen goederen moeten aanmerken als voorwerp van hun regeling. Slechts dan is er sprake van een gezamenlijke keuze voor solidariteit die een huwelijksvoordeel kan opleveren (vgl. supra, randnummer 30).

35. Vergeleken met andere opvattingen - In tegenstelling tot Casman en Verbeke wordt hier qua voorwerp wel één vereiste opgelegd, wat voor de praktijk mijns inziens het voordeel biedt dat er zwart-witonderscheid bestaat tussen een huwelijksvoordeel en een contractuele erfstelling (infra, randnummer 38). Evenwel is dit de enige vereiste qua voorwerp. Er wordt dus niet vereist dat het voorwerp van een huwelijksvoordeel enkel uit gemeenschappelijke goederen of aanwinsten bestaat. Dergelijke vereisten stemmen immers niet overeen met de wettekst, aangezien verrekenbedingen wettelijk enkel eigen goederen betreffen, en het binnen de context van gemeenschapsstelsels duidelijk is dat ook niet-aanwinsten (inbrengsten) het voorwerp van een huwelijksvoordeel kunnen uitmaken.

Toch vindt mijn definitie mijns inziens enigszins aansluiting bij wat hierboven de strengste en intermediaire opvatting genoemd werd. Het bedingen van een huwelijksvoordeel bestemt het voorwerp ervan immers voor herverdeling in vooraf vastgelegde omstandigheden, waardoor een onverdeeldheid bijvoorbeeld niet langer te allen tijde verdeeld kan worden.102 Doordat geponeerd wordt dat een huwelijksvoordeel een herverdeling van middelen inhoudt, gelijkt het enigszins op het solidariteitsmechanisme dat Taymans vereist, met dat verdere verschil dat mijn definitie niet vereist dat de herverdeling ook verplicht bij echtscheiding moet plaatsvinden.

Dat er sprake moet zijn van een gezamenlijke keuze voor solidariteit, is overigens geen louter formele vereiste. Het volstaat bijvoorbeeld niet om eenvoudigweg in de huwelijksovereenkomst te verklaren dat de gemaakte afspraken voortvloeien uit solidariteitsoverwegingen of als huwelijksvoordeel bedoeld zijn, zonder dat de echtgenoten effectief gezamenlijk tot een herverdeling van middelen beslissen.103

36. Structurele keuze - Dit laatste aspect van de definitie houdt in dat de bereidheid om solidair te zijn structureel is, en niet beperkt is tot één moment waarbij alle gegevens reeds vaststaan. Dat wil zeggen dat de parameters van de herverdeling in de huwelijksovereenkomst moeten zijn vastgelegd vóór de effectieve totstandkoming van de vermogensverrijking. Zo niet, kan er geen sprake zijn van een huwelijksvoordeel, maar moet er volgens het gemeen recht uitgemaakt worden of het om een verkrijging ten kostelozen of onder bezwarende titel gaat. Wanneer echtgenoten bijvoorbeeld in de akte wijziging een afwijkende verdeling overeenkomen (asymmetrische uitbreng) bij de overstap van een wettelijk stelsel naar een scheiding van goederen, gaat het niet om een huwelijksvoordeel.104 Tot een bezwarend karakter kan mogelijk wel besloten worden op grond van het gemeen recht, bijvoorbeeld als dit een dading uitmaakt.105

Deze vereiste verhindert echtgenoten daarentegen niet om in extremis huwelijksvoordelen te bedingen, aangezien de keuze voor solidariteit (in de huwelijksovereenkomst) nog steeds wordt vastgelegd vóór de effectieve totstandkoming van de vermogensverrijking (bij ontbinding door overlijden).

37. Vergeleken met andere opvattingen - Deze vereiste wordt door andere auteurs niet gesteld. Zo wordt een uitbreng als huwelijksvoordeel aangemerkt.106 Casman en Verbeke vereisen bijvoorbeeld een integratie van het beding in het huwelijksstelsel, maar oordelen dat een uitbreng daaraan voldoet doordat het de samenstelling van de vermogens betreft.107

C. Afbakening ten aanzien van andere rechtsfiguren

38. Contractuele erfstelling - Een contractuele erfstelling kan voorkomen in een huwelijksovereenkomst.108 De afspraken daarrond zullen eveneens de drie parameters betreffende voorwerp, situatie en sleutel vastleggen. Bijvoorbeeld kan worden vastgelegd dat het huis van A te Anderlecht bij diens vooroverlijden in zijn totaliteit zal toekomen aan B. Deze afspraken worden gemaakt voorafgaand aan de potentiële vermogensverrijking van het eigen vermogen van B. Tot zover voldoet deze vermogensafspraak aan de hierboven geschetste vereisten om als huwelijksvoordeel te kwalificeren.

Evenwel is niet voldaan aan de vereiste dat de afspraak een gezamenlijke keuze uitmaakt, uitgaande van de beide echtgenoten, om middelen te herverdelen. Dat de andere echtgenoot de contractuele erfstelling aanvaardt, maakt van de afspraak immers geen gezamenlijke keuze. Er worden immers geen vermogensbestanddelen van B in deze regeling in rekening genomen. Vandaar is dit geen huwelijksvoordeel. Bij een huwelijksvoordeel zou de sleutel moeten worden toegepast op het totaal van de voor herverdeling aangemerkte vermogensbestanddelen van A én van B. Bijgevolg kan op basis van het voorwerp van het beding in casu geconcludeerd worden dat hier géén huwelijksvoordeel voorligt.

39. Overeenkomst van aanwas - Een andere vraag die rijst, is hoe een beding van aanwas inzake een onverdeeld goed in de praktijk te onderscheiden is van een huwelijksvoordeel waarbij een welbepaalde onverdeeldheid verblijft aan de langstlevende. In beide gevallen is de vermogensafspraak immers erop gericht dat bij het vooroverlijden van de ene echtgenoot de andere het onverdeelde goed in zijn totaliteit verkrijgt.

Een eerste verschil is dat het huwelijksvoordeel in een huwelijksovereenkomst moet zijn opgenomen, terwijl een beding van aanwas doorgaans in de verkrijgingsakte wordt ingelast. Evenwel kan een beding van aanwas ook na de verwerving bijvoorbeeld in een aparte notariële akte worden opgenomen, die een huwelijksovereenkomst kan uitmaken.109 In dat geval is de kwalificatie niet altijd vanzelfsprekend, maar verwijzingen naar de evenwichtige kans op winst en verlies110 wijzen erop dat een beding van aanwas voorligt. Is het beding opgenomen in een huwelijksovereenkomst en ontbreken dergelijke verwijzingen, dan kan er mijns inziens uitgegaan worden van de kwalificatie als huwelijksvoordeel.

D. Inleiding tot erfrechtelijke verrekening: wettelijke plafonds

40. Inleiding - Dit onderdeel van het leerstuk zal in een andere bijdrage verder worden uitgediept.111 Qua inleiding wordt reeds vermeld dat de formulering van de artikelen 2.3.57 en 2.3.58 BW geënt is op het gemeenschapsstelsel, wat maakt dat ze niet letterlijk kunnen worden toegepast in scheidingsstelsels. Vandaar wordt voorgesteld om de wettelijke plafonds abstracter te formuleren, gebruik makend van het concept «aanwinst» zoals gedefinieerd door Casman (supra, randnummer 15).

Mijn stelling houdt in dat huwelijksvoordelen slechts het plafond ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen overschrijden, indien het eigen vermogen van een echtgenoot verrijkt wordt met méér dan de helft van de niet-aanwinsten van de andere echtgenoot die werden aangemerkt voor herverdeling. Ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen wordt het plafond overschreden van zodra het eigen vermogen van een echtgenoot verrijkt wordt met méér dan de helft van de voor herverdeling aangemerkte aanwinsten.

Merk op dat de plafonds volgens mij enkel bepaald worden door hetgeen voor herverdeling werd aangemerkt. Zo moeten niet steeds álle aanwinsten die het echtpaar vergaard heeft, in aanmerking worden genomen. Werden slechts sommige aanwinsten aangemerkt voor de herverdeling, dan worden alle andere aanwinsten buiten beschouwing gelaten voor de bepaling van het plafond.

VII. Samenvatting: herkenningspunten voor de praktijk

41. Samenvatting - In mijn proefschrift wordt een theorie ontwikkeld om huwelijksvoordelen te kunnen onderscheiden van andere vermogensverkrijgingen tussen echtgenoten, zoals contractuele erfstellingen en bedingen van aanwas.112 Die theorie stelt dat telkens wanneer het eigen vermogen van een echtgenoot verrijkt wordt (en dus vermogensbestanddelen ontvangt die buiten dit eigen vermogen tot stand gekomen zijn), dit een huwelijksvoordeel uitmaakt indien aan twee voorwaarden voldaan is:

- De eerste overkoepelende voorwaarde is dat de echtgenoten de parameters (voorwerp, sleutel, omstandigheden) van deze vermogensverrijking reeds op voorhand uitgewerkt en vastgelegd hadden in een notariële huwelijksovereenkomst.

- De tweede voorwaarde is dat deze structureel verankerde regeling inhoudt dat er een herverdeling van middelen zal plaatsvinden, waarbij er vermogensbestanddelen vanwege de beide echtgenoten aangemerkt zijn voor die herverdeling.

Mijn proefschrift, en een komende bijdrage113, bevatten ook een praktische uiteenzetting over de erfrechtelijke verrekening van huwelijksvoordelen. Het proefschrift bevat tevens normatieve aanbevelingen over deze rechtsfiguur, bijvoorbeeld over hoe het personeel toepassingsgebied op een coherente manier kan worden uitgebreid naar bepaalde wettelijke samenwoners.114

1  Men neemt aan dat ze dus principieel als verkrijgingen onder bezwarende titel kwalificeren.

2  Art. 2.3.55, 2.3.57, 2.3.58 en 2.3.64, § 1, vierde lid BW.

3  Omwille van de leesbaarheid wordt in deze bijdrage de term de kinderen gebruikt, in plaats van de reservataire erfgenamen in de rechte neerdalende lijn. Ingevolge plaatsvervulling zou het immers ook kunnen dat bijvoorbeeld een kleinkind een reservataire erfaanspraak heeft in de nalatenschap van zijn grootouder (art. 4.13 BW).

4  Art. 4.145 4.150-4.157 BW.

5  Van Gysel A.-C., Lalière F., Sauvage J. e.a., Les libéralités, Anthemis, 2024, 386.

6  In de nalatenschap van hun langstlevende ouder die het huwelijksvoordeel ontving, hebben zij als afstammeling immers een wettelijke erfaanspraak (art. 4.16 BW) of minstens een reservataire erfaanspraak (art. 4.145 BW).

7  Zie bv. Renchon J.L., «Et les avantages matrimoniaux: qu’en fait-on?» in Dandoy N. en Tainmont F. (eds.), Cohabitants légaux et de fait: état des lieux et perspectives, Larcier, 2023, (341) 399-411, nrs. 95-117; Tainmont F., «La théorie des avantages matrimoniaux à la veille de la réforme du droit successoral: extension ou abrogation?», RNB 2016/6, (434) 471 e.v.

8  Zie over deze kwestie bijvoorbeeld Aydogan A., «Vlaamse erfbelasting - Jaaroverzicht 2024», NFM 2025/6, (154) 154-159; Casier H., «Commentaar bij Erfbelasting - Vestiging van rechten» in X (ed.), Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, 2025, 27-34.

9  Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218. Zo doet VLABEL over huwelijksvoordelen geen uitspraken op burgerrechtelijk vlak in de voorafgaande beslissingen rond de heffing van erfbelasting. Dit wordt duidelijk gemaakt met de zin: «De Vlaamse Belastingdienst doet geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten of clausules op burgerlijk vlak.».

10  De erfrechtelijke verrekening van huwelijksvoordelen is het onderwerp van een andere bijdrage, getiteld Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen» RW 2025-2026 nr. 32 (te verschijnen).

11  Er bestaan niettemin breed gedragen definities, zoals deze geformuleerd door Casman en Verbeke. Zie infra.

12  De contractuele erfstelling, ook schenking van toekomstige goederen genoemd, is een erfovereenkomst (art. 4.237 e.v. BW). Het beding van aanwas is een kanscontract in de zin van artikel 5.8, tweede lid BW (zie ook art. 3.77, laatste lid BW).

13  De laatste twee vragen komen uitgebreid aan bod in: Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen» RW 2025-2026 nr. 32 (te verschijnen).

14  Eertijds ging het over de art. 1496, 1516, 1525 en 1527 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de hervormingen van 1976 werden de art. 1458, 1464 en 1465 van het oud Burgerlijk Wetboek ingevoerd, de voorgangers van de huidige art. 2.3.55, 2.3.57 en 2.3.58 BW.

15  Casman H., Het begrip huwelijksvoordelen, Kluwer, 1976, 18-19 en 143.

16  In het wetsvoorstel tot codificatie van het relatievermogensrecht (boek 2, titel 3 BW) was initieel in de invoering van een definitie voorzien, maar tijdens de voorbereidende werkzaamheden werd deze bij amendement geschrapt. Binnen de context van een codificatie werd er niet aanvaard dat die definitie louter de codificatie van vaststaand recht was: Wetsvoorstel houdende boek 2, titel 3, «Relatievermogensrecht» en boek 4 «Nalatenschappen, schenkingen en testamenten» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2019-2020, 20 mei 2020, nr. 55-1272/001, 258-259; Verslag van de eerste lezing namens de Commissie voor Justitie uitgebracht door mevrouw Katja Gabriëls, KAMER, 2021-2022, 26 november 2021, nr. 55-1272/006, 81. Verbeke stelt dat het politiek-ideologische tegenkantingen waren die tot het schrappen van deze definitie geleid hebben: Verbeke A., «De moeizame codificatie van het Belgisch familiaal vermogensrecht. Boek 2, Titel 3 en Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek», TPR 2022/3, (783) 791-792.

17  Verbeke A., «De moeizame codificatie van het Belgisch familiaal vermogensrecht. Boek 2, Titel 3 en Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek», TPR 2022/3, (783) 792, nr. 14. Zie verwijzingen in voetnoot 31.

18  Een sterfhuisclausule, zijnde bedingen van ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen zonder overlevingsvoorwaarde, staat bijvoorbeeld niet beschreven, maar is volgens vaststaande rechtspraak wel een geldig huwelijksvoordeel. Zie o.m. Arbitragehof 23 november 2005, 170/2005, A.A. 2005/5, 2179 overw. B.4.2; Cass. 10 december 2010, AR nr. F.08.0102.N, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.1; Cass. 5 januari 2017, AR nr. F.15.0164.F, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170105.3.

19  Art. 2.3.55, art. 2.3.57 BW (regel ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen van de erflater en de langstlevende echtgeno(o)t(e)) en art. 2.3.58 BW (ten aanzien van de niet-gemeenschappelijke kinderen). Zo komt de waarderingswijze enkel in art. 2.3.57 BW voor, en bepaalt art. 2.3.58 BW niet uitdrukkelijk wat het lot is van de goederen die de begunstigde echtgenoot zelf had ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen.

20  Art. 2.3.59-2.3.60 BW. Het primair huwelijksvermogensrecht (art. 299 oud BW) bevat nog een regel over het verval van huwelijksvoordelen, namelijk die welke ook «overlevingsrechten» zijn. Deze vervallen principieel bij echtscheiding. Zie over de gewijzigde formulering van deze bepaling: Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2017-2018, 13 december 2017, nr. 54-2848/001, 29-30; Aerts M., «Art. 299 oud BW» in X (ed.), Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, 2023, (12) 7-11.

21  Art. 2.3.64, § 1, vierde lid BW.

22  Arbitragehof 23 november 2005, 170/2005, A.A. 2005/5, (2179) overw. B.2.3; Cass. 24 maart 2017, AR nr. F.15.0189.N, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170324.4; Cass. 7 december 2020, AR nr. C.19.0488.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201207.3N.11, 2020.

23  Arbitragehof 23 november 2005, 170/2005, A.A. 2005/5, (2179) overw. B.5.2.

24  Cass. 10 december 2010, AR nr. F.08.0102.N, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101210.1; Cass. 5 januari 2017, AR nr. F.15.0164.F, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170105.3.

25  Wanneer een huwelijksvoordeel erfrechtelijk verrekend kan worden, omdat het de wettelijke plafonds overschrijdt, wordt dit een onvolkomen huwelijksvoordeel genoemd (in het Frans: avantage matrimonial imparfait of avantage matrimonial-libéralité). Een huwelijksvoordeel dat onder deze plafonds blijft, is een volkomen huwelijksvoordeel (avantage matrimonial parfait). Enkel de erfrechtelijke verrekening kan tot een inkortingsvordering betreffende het huwelijksvoordeel leiden.

26  Arbitragehof 23 november 2005, nr. 170/2005, Not.Fisc.M. 2006, 186. Bv. ook in HvB Antwerpen 3 januari 2017, nr. 2015/AR/1060, RAGB 2017/9, 699; HvB Antwerpen 19 mei 2015, Fiscale Koerier 2015/13, 739; HvB Antwerpen 5 oktober 2004, T.Not. 2007/9, 510.

27  Deze definitie is terug te brengen tot haar proefschrift: Casman H., Het begrip huwelijksvoordelen, Kluwer, 1976, 264, nr. 218. Zie hierover meer uitgebreid: infra, randnummers 21 en volgende.

28  Het aangevochten arrest hanteerde deze definitie. Het Hof van Cassatie besloot niet tot vernietiging in deze zaak: Cass. 12 januari 2017, AR nr. C.12.0380.F, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170112.1.

29  In elk geval mogen rechters nooit als regelgevers optreden in de Belgische rechtsorde (art. 6 Ger.W.), waardoor één enkele uitspraak of een beperkt aantal uitspraken geen definitie kan vastleggen. Niettemin valt het belang van de rechtspraak als rechtsbron niet te ontkennen. Zie De Jonckheere M. en Debersaques G., Inleiding tot het recht, die Keure, 2023, 33; Van Der Haegen M., Het Hof van Cassatie als lichtbaken van het Belgische rechtsbestel, Intersentia, 2020, 81-87; Verstraelen S., Rechterlijk overgangsrecht, Intersentia, 2015, 208-210, nrs. 311-313. Uit uitspraken over specifieke gedingen kunnen immers meer algemene inzichten verworven worden, zeker wanneer er na verloop van tijd een lijn in de uitspraken als vaste rechtspraak beschouwd wordt.

30  Bv. Declerck C. en Boone K., «De hercodificatie van het huwelijksvermogensrecht in titel 3 van boek 2 BW in vraag en antwoord» in Verschelden G. (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat - Deel 41, KnopsPublishing, 2022, (1) 22, nr. 22; Demortier A., «Dispositions communes à tous les régimes matrimoniaux», JT 2019/6, (109) 114, nr. 30; De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 102, nr. 292.A; Fonteyn J. en Spitaels M., «La pratique des avantages matrimoniaux après la Loi du 22 juillet 2018» in BOUSSA F., De Brauwere V.-A., De Brouwer M. e.a. (eds.), Planifions ... L’implanifiable, Larcier-Intersentia, 2024, (51) 53; Van Gysel A.-C., LALIÈRE F., Sauvage J. e.a., Les libéralités, Anthemis, 2024, 352; Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 301-302, nr. 5; Sauvage J., «Avantage matrimonial en régime de séparation de biens: (in)cohérence et incidence pratique», RPP 2025/1-2, (190) 190, nr. 1.

31  Zie supra, voetnoot 16.

32  Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen» RW 2025-2026 nr. 32 (te verschijnen).

33  Demortier A., «Dispositions communes à tous les régimes matrimoniaux», JT 2019/6, (109) 118-119, nrs. 39-41; Renchon J.L., «L’application «par analogie» en régime de séparation de biens des dispositions légales relatives aux «avantages matrimoniaux» en régime de communauté: Quelle analogie? Quelle légitimité?», Ann.dr.Louvain 2019, (91) 113, nr. 32; Sauvage J., «Avantage matrimonial en régime de séparation de biens: (in)cohérence et incidence pratique», RPP 2025/1-2, (190) 202, nr. 16. In die zin ook: Tainmont F., «Les avantages matrimoniaux. Eléments d’attention à l’égard des praticiens», R.P.P. 2023/4, (331) 347-348, nr. 39.

34  Demortier A., «Dispositions communes à tous les régimes matrimoniaux», JT 2019/6, (109) 119, nr. 41; Renchon J.L., «L’application «par analogie» en régime de séparation de biens des dispositions légales relatives aux «avantages matrimoniaux» en régime de communauté: Quelle analogie? Quelle légitimité?», Ann.dr.Louvain 2019, (91) 113, nr. 32.

35  Zie hierover ook Cass. 19 mei 2014, AR nr. C.13.0289.N, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140519.2, Arr.Cass. 2014, 1240; Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2017-2018, 13 december 2017, nr. 54-2848/001, 74-75; Declerck C., «De hervorming van het huwelijksvermogensrecht. Commentaar bij de wet van 22 juli 2018», T.Fam. 2018/9 (vol. 2018), (228) 243, nr. 64.

36  Voor Demortier kunnen verrekenbedingen aldus gekwalificeerd worden, maar regelingen inzake onverdeeldheden niet. Voor Renchon kan enkel het wettelijk verrekenbeding (art. 2.3.64, § 2, eerste lid BW), zonder enige aanpassing, tot een huwelijksvoordeel leiden. Sauvage betwijfelt dan weer of verrekenbedingen een huwelijksvoordeel kunnen genereren, maar meent uit art. 4.17, § 2 BW te kunnen afleiden dat exclusief onverdeelde goederen wel het voorwerp van een huwelijksvoordeel kunnen uitmaken: Demortier A., «Dispositions communes à tous les régimes matrimoniaux», JT 2019/6, (109) 120-121, nrs. 45 en 47; Renchon J.L., «L’application «par analogie» en régime de séparation de biens des dispositions légales relatives aux «avantages matrimoniaux» en régime de communauté: Quelle analogie? Quelle légitimité?», Ann.dr.Louvain 2019, (91) 115-116, nrs. 36-37; Sauvage J., «Avantage matrimonial en régime de séparation de biens: (in)cohérence et incidence pratique», RPP 2025/1-2, (190) 203, nr. 16.

37  Vgl. Sagaert V., Goederenrecht, Wolters Kluwer Belgium, 2021, 117-119, nr. 114.

38  Deze kritiek wordt bijvoorbeeld geuit in Casman H. en Verbeke A.L., «Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen», TEP 2020/1 (vol. 2020), (14) 67-71, nrs. 125-134.

39  Bv. De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 103, nr. 292.B; De Wulf C., De wet van 22 juli 2018 tot wijziging van het huwelijksvermogensrecht - een algemeen overzicht met modellen voor de praktijk, die Keure, 2019, 93, nr. 173; Leleu Y.-H., Droit patrimonial des couples, Larcier, 2021, 459-461, nr. 361-3 en 567-568, nr. 414; Taymans J.F., «Les avantages matrimoniaux en régime de séparation de biens» in Renchon J.-L. en Tainmont F. (eds.), La réforme des régimes matrimoniaux et des droits successoraux du conjoint et du cohabitant légal: Ce que la loi du 22 juillet 2018 règle et ce qu’elle ne règle pas, Larcier, 2019, (227) 246-248, nrs. 396-397; Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 321, nr. 33.

40  Vgl. de oorspronkelijke stelling van Casman: Casman H., Het begrip huwelijksvoordelen, Kluwer, 1976, 139, nr. 111 en 266, 223.

41  Casman H., «Op zoek naar de draad van Ariadne in de doolhof van huwelijksvoordelen - of zouden het aanwinstenvoordelen moeten zijn?» in Barbaix R., Puelinckx-Coene M. en Swennen F. (eds.), Over erven: liber amicorum Mieken Puelinckx-Coene, Kluwer, 2006, (83) 86, nr. 7.

42  Art. 2.3.22 BW.

43  Art. 2.3.55, 2.3.57 en 2.3.58 BW.

44  De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 104, nr. 292/1.

45  De Page P., «CEL-dossier 4440. L’avantage matrimonial «par analogie» et les patrimoines d’affectation accessoires», C.E.L.-C.S.W. 2022/1, (7) 8, nr. 8.2. Al vindt De Page dit riskant inzake exclusief eigen goederen, om reden van de bewijsproblemen die een dergelijke regeling zou opleveren bij een geschil. Zie ook: De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 993-994, nr. 531.A.

46  De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 110-112, nrs. 297/1-297/2.

47  De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 784-785, nr. 532.E. Deze stelling lijkt niet te worden hernomen in De Page P., Les régimes matrimoniaux, Bruylant-Larcier, 2025, 995, nr. 531.B en 1003-1004, nr. 532-1.A.

48  De Page P. en De Stefani I., Les régimes matrimoniaux, Bruylant, 2019, 775-776, nr. 531.B; De Page P., «Le transfert d’un bien commun, propre ou indivis au profit d’un patrimoine propre - instruments conventionnels et clauses», RNB 2024/9, (822) 828, nr. 8.1.

49  De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 112, nr. 297/2.

50  Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 321, nr. 33; Delahaye B. en Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux» in Van Molle M. (ed.), La rédaction des conventions matrimoniales et de cohabitation légale, Limal Anthemis, 2025, (129) 160, nr. 43.

51  Het gaat om een afwijking op een zuivere scheiding van goederen op het vlak van de samenstelling, de werking, de vereffening of de verdeling van het huwelijksstelsel: Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 319, nr. 31.

52  Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 303, nr. 7 en 319, nrs. 30-31.

53  Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 323, nr. 35.

54  Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux dans le livre 2.3 du Code civil» in Barnich L. en Van Molle M. (eds.), Evolutions récentes du droit patrimonial de la famille, Anthemis, 2023, (299) 323, nr. 35.

55  Taymans J.F., «Les avantages matrimoniaux en régime de séparation de biens» in Renchon J.-L. en Tainmont F. (eds.), La réforme des régimes matrimoniaux et des droits successoraux du conjoint et du cohabitant légal: Ce que la loi du 22 juillet 2018 règle et ce qu’elle ne règle pas, Larcier, 2019, (227) 246-249, nrs. 396-398.

56  Dit mechanisme wordt door hem een «huwelijksvoordeel in de eerste graad» genoemd: Taymans J.F., «Les avantages matrimoniaux en régime de séparation de biens» in Renchon J.-L. en Tainmont F. (eds.), La réforme des régimes matrimoniaux et des droits successoraux du conjoint et du cohabitant légal: Ce que la loi du 22 juillet 2018 règle et ce qu’elle ne règle pas, Larcier, 2019, (227) 247, nr. 397 en 244, nr. 392.

57  Dit wordt gekoppeld aan art. 2.3.64, § 1, derde lid BW: Taymans J.F., «Les avantages matrimoniaux en régime de séparation de biens» in Renchon J.-L. en Tainmont F. (eds.), La réforme des régimes matrimoniaux et des droits successoraux du conjoint et du cohabitant légal: Ce que la loi du 22 juillet 2018 règle et ce qu’elle ne règle pas, Larcier, 2019, (227) 247, nr. 397.

58  Taymans J.F., «Les avantages matrimoniaux en régime de séparation de biens» in Renchon J.-L. en Tainmont F. (eds.), La réforme des régimes matrimoniaux et des droits successoraux du conjoint et du cohabitant légal: Ce que la loi du 22 juillet 2018 règle et ce qu’elle ne règle pas, Larcier, 2019, (227) 238, nr. 381 en 245-246, nr. 396. Zie ook: Tainmont F. en Taymans J.F., «Avantages matrimoniaux et séparation des biens: une autre interprétation de l’article 1469, § 1er, 4e alinéa du Code civil», RNB 2020/10, (849) 857-861, nrs. 9-12 en 863-864, nr. 16.

59  Taymans J.F., «Les avantages matrimoniaux en régime de séparation de biens» in Renchon J.-L. en Tainmont F. (eds.), La réforme des régimes matrimoniaux et des droits successoraux du conjoint et du cohabitant légal: Ce que la loi du 22 juillet 2018 règle et ce qu’elle ne règle pas, Larcier, 2019, (227) 247, nr. 397.

60  Gevolgd door onder meer Barbaix en Leleu: Verslag van de eerste lezing namens de Commissie voor Justitie uitgebracht door mevrouw Katja Gabriëls, KAMER, 2021-2022, 26 november 2021, nr. 55-1272/006, 151 en 154.

61  Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie, XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 3 en 15.

62  Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie, XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 4, nr. 3; Verbeke A., «De moeizame codificatie van het Belgisch familiaal vermogensrecht. Boek 2, Titel 3 en Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek», TPR 2022/3, (783) 792, voetnoot 30.

63  Casman H. en Verbeke A., «Séparation de biens - transfert d’un bien non-indivis au conjoint survivant à titre d’avantage matrimonial - formule mise à jour», RNB 2024/9, (801) 804, nr. 9 en 807, nr. 17.

64  Casman H. en Verbeke A., «Séparation de biens - transfert d’un bien non-indivis au conjoint survivant à titre d’avantage matrimonial - formule mise à jour», RNB 2024/9, (801) 811, nr. 26; Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 47, nr. 142.

65  Hierin wijkt Casman af van het standpunt dat zij oorspronkelijk in haar proefschrift had ingenomen. Ze was toen van mening dat de integratie van bedingen in het huwelijksvermogensstelsel niet voldoende was om tot de kwalificatie «huwelijksvoordeel» te komen, daar het volgens haar bovendien noodzakelijk was dat het voorwerp van het beding aanwinsten waren: Casman H., Het begrip huwelijksvoordelen, Kluwer, 1976, 130-131, nr. 105 en 139, nr. 111.

66  Casman H. en Verbeke A.L., «Verslag voor Dossier 4440, Huwelijksvoordelen in een stelsel van scheiding van goederen», C.E.L.-C.S.W. 2022/1, (49) nr. 18.

67  Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in BAEL J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 41, nr. 123 en 47, nrs. 141-142.

68  Cf. Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 47, nr. 142.

69  Zij verwijzen hiervoor naar art. 4.233, § 1 BW, dat enkel contractuele erfstellingen vermeldt waarin over de gehele nalatenschap of een gedeelte ervan beschikt wordt. Dit tekstargument is echter niet overtuigend, aangezien art. 4.132, § 3 BW inzake testamenten gelijkaardig is opgesteld, en niemand de rechtsgeldigheid van legaten onder bijzondere titel in twijfel trekt: Van Quickenborne M., Contractuele erfstelling, Story-Scientia, 1991, 86, nr. 162.

70  Casman H. en Verbeke A., «Séparation de biens - transfert d’un bien non-indivis au conjoint survivant à titre d’avantage matrimonial - formule mise à jour», RNB 2024/9, (801) 806-807, nr. 15.

71  Omgekeerd wordt in recente bijdragen van hun hand vereist dat het toekenningsbeding onder bijzondere titel wordt bedongen, om een rechtsgeldig huwelijksvoordeel te kunnen uitmaken: Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in BAEL J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 45, nr. 139.

72  Dit gegeven wordt bekritiseerd door bv. Renchon J.L., «L’application «par analogie» en régime de séparation de biens des dispositions légales relatives aux «avantages matrimoniaux» en régime de communauté: Quelle analogie? Quelle légitimité?», Ann.dr.Louvain 2019, (91) 119, nr. 40; Tainmont F. en Taymans J.F., «Avantages matrimoniaux et séparation des biens: une autre interprétation de l’article 1469, § 1er, 4e alinéa du Code civil», RNB 2020/10, (849) 862, voetnoot 46.

73  Dit kan immers ook deel uitmaken van een contractuele erfstelling: art. 4.235 BW; Van Quickenborne M., Contractuele erfstelling, Story-Scientia, 1991, 224, nr. 446 en 179, nr. 347.

74  Casman en Verbeke raden immers aan om in de huwelijksovereenkomst duidelijk te maken dat de toekenning als deel van het huwelijksstelsel gezien wordt door de partijen: Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 47, nr. 142. Volgens art. 5.68 BW maakt de kwalificatie door partijen inderdaad principieel deel uit van de bindende kracht van de overeenkomst.

75  Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 422-499.

76  De erfrechtelijke verrekening, inclusief hoe de «plafonds» naar analogie dienen te worden toegepast in scheidingsstelsels, vormt het onderwerp van een volgende bijdrage: Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen» RW 2025-2026 nr.32 (te verschijnen).

77  In mijn proefschrift wordt de lege ferenda uitgewerkt hoe het personeel toepassingsgebied op coherente wijze kan worden uitgebreid naar bepaalde wettelijke samenwoners: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 491-495, nrs. 849-857.

78  Vgl. Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2017-2018, 13 december 2017, nr. 54-2848/001, 24; Arbitragehof 23 november 2005, 170/2005, A.A. 2005/5, 2179 overw. B.4.3.

79  Vgl. de volgende sociaalwetenschappelijke definitie van solidariteit: «[...] solidarity was defined as the willingness to share and redistribute material and immaterial resources drawing on feelings of shared fate and group loyalty»: Oosterlynck S., Loopmans M., Schuermans N. e.a., «Putting flesh to the bone: looking for solidarity in diversity, here and now», Ethnic and Racial Studies 2016/5, (764) 765; Stjernø S., Solidarity in Europe: the history of an idea, Cambridge University Press, 2004, 25.

80  Merk op dat de sleutel een breukdeel kan zijn, zoals 100/0 of 60/40, maar dat dit niet noodzakelijk het geval is. Bijvoorbeeld bij een vooruitmaking bestaat de sleutel uit de voorafname van bepaalde goederen, waarna er in principe 50/50 verdeeld wordt. Bij een keuzebeding wordt een resem aan sleutels vastgelegd in de huwelijksovereenkomst, waarna de langstlevende uit die verankerde opties er één mag kiezen.

81  Lees: reeds verworven en/of nog te verwerven vermogensbestanddelen: Barbaix R., Familiaal vermogensrecht in essentie, Intersentia, 2022, 390, nr. 901.

82  Art. 2.3.55, 2.3.57 en ook 2.3.58 BW, zie daarover infra, randnummer 31.

83  In de hypothese dat exclusief eigen vermogen (toch) bij huwelijksvoordeel kan worden verkregen, worden de banktegoeden van B bij deze regeling betrokken om van een gezamenlijke keuze voor solidariteit te kunnen spreken. De afgesproken sleutel (100/0) wordt immers toegepast op een voorwerp dat vermogensbestanddelen van de beide echtgenoten in aanmerking neemt. Evenwel maakt de toebedeling van de banktegoeden geen huwelijksvoordeel uit voor B, zoals hieronder nog wordt uitgewerkt, Weliswaar hebben deze banktegoeden wel een «opduweffect» bij de berekeningen of de verkrijging van het huis in Anderlecht een volkomen of onvolkomen huwelijksvoordeel uitmaakt. De toepassing van de «plafonds» komt aan bod in mijn bijdrage «Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen» RW 2025-2026 nr.32 (te verschijnen).

84  Zie bv. Casman H., Het begrip huwelijksvoordelen, Kluwer, 1976, 259-260, nr. 210; De Page H. en Dekkers R., Traité élémentaire de droit civil belge, Bruylant, 1949, 1009-1010, nr. 1278.

85  Dit blijkt uitdrukkelijk uit art. 2.3.55, § 1, tweede lid en 2.3.57, eerste lid BW. Betreffende art. 2.3.58 BW wordt aangenomen dat hetzelfde geldt: Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in BAEL J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 8, voetnoot 10; Puelinckx-Coene M., Erfrecht. 1: Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng, Kluwer, 2011, 572, nr. 552; Tainmont F., «La théorie des avantages matrimoniaux à la veille de la réforme du droit successoral: extension ou abrogation?», RNB 2016/6, (434) 443, voetnoot 16.

86  Hiervoor wordt aangenomen dat aanwinsten ook in een stelsel van scheiding van goederen bestaan. Zie hierover mijn bijdrage «Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen» RW 2025-2026 nr.32 (te verschijnen).

87  Zie supra, voetnoot 85.

88  Zie voor een verduidelijkend voorbeeld met cijfers: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 429-431, nr. 750.

89  Zie voor een gelijkaardige stelling, tenminste voor wat verrekenbedingen in scheidingsstelsels betreft: Verbeke A., «Civiel- en fiscaalrechtelijke bedenkingen bij het finaal verrekeningsbeding en het alsof-beding in het huwelijkscontract van scheiding van goederen» in Pintens W., Senaeve P., Sluyts C. e.a. (eds.), Liber amicorum Roger Dillemans, Kluwer, 1997, (429) 451, nr. 33.

90  Contra: Andere auteurs menen dat het «oppotten» van aanwinsten een huwelijksvoordeel kan opleveren wanneer bijvoorbeeld de inkomsten van niet-aanwinsten uit het gemeenschappelijk vermogen of uit de verrekenmassa gesloten worden, maar dat dit oppotten geen huwelijksvoordeel is in een zuivere scheiding van goederen: Delahaye B. en Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux» in Van Molle M. (ed.), La rédaction des conventions matrimoniales et de cohabitation légale, Limal Anthemis, 2025, (129) 144, nr. 22; De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 102, nr. 292.A; Van Gysel A.-C., Lalière F., Sauvage J. e.a., Les libéralités, Anthemis, 2024, 357; Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 16-17, nr. 26 en 30, voetnoot 82.

91  Contra: Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 5-8, nrs. 5-13 en 19, nr. 54. Anders evenwel in Verbeke A.-L. en Casman H., Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, Intersentia, 2022, 69, nr. 150. Pro: Taymans ziet de gelijke verdeling van aanwinsten als een «eerstegraads» huwelijksvoordeel: Taymans J.F., «Les avantages matrimoniaux en régime de séparation de biens» in Renchon J.-L. en Tainmont F. (eds.), La réforme des régimes matrimoniaux et des droits successoraux du conjoint et du cohabitant légal: Ce que la loi du 22 juillet 2018 règle et ce qu’elle ne règle pas, Larcier, 2019, (227) 247-248, nr. 397. Zie ook Leleu, die van mening is dat het simpelweg huwen met een persoon met een hoger inkomen een huwelijksvoordeel kan opleveren: Verslag van de eerste lezing namens de Commissie voor Justitie uitgebracht door mevrouw Katja Gabriëls, KAMER, 2021-2022, 26 november 2021, nr. 55-1272/006, 155.

92  Het tegenargument dat art. 2.3.59, § 1 BW niet langer vermeldt dat in geval van onwaardigheid de langstlevende echtgenoot wel nog gerechtigd is op de gelijke verdeling van de gemeenschap (vgl. voormalig art. 1429bis, § 1 oud BW), lijkt mij niet overtuigend. De parlementaire voorbereidingen kunnen immers zo uitgelegd worden dat er een onderscheid bestaat tussen de vermelde «conventionele huwelijksvoordelen», die wél vervallen bij onwaardigheid, en wat dan het «wettelijk huwelijksvoordeel» kan worden genoemd (de gelijke verdeling), dat niet vervalt: Amendement nr. 141 van de heer Geens op het wetsvoorstel houdende boek 2, titel 3, «Relatievermogensrecht» en boek 4 «Nalatenschappen, schenkingen en testamenten» van het Burgerlijk Wetboek, KAMER, 2021-2022, 16 november 2021, nr. 55-1272/005, 16. Vgl. Demortier A., «Dispositions communes à tous les régimes matrimoniaux», JT 2019/6, (109) 114, nr. 30.

93  Art. 2.3.53, § 1-2 BW. Zie bv. Arbitragehof 23 november 2005, 170/2005, A.A. 2005/5, (2179) overweging B.5.2; Cass. 12 januari 2017, AR nr. C.12.0380.F, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170112.1; Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in BAEL J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 8, nr. 14; Delahaye B. en Van Molle M., «Les avantages matrimoniaux» in Van Molle M. (ed.), La rédaction des conventions matrimoniales et de cohabitation légale, Limal Anthemis, 2025, (129) 129, nr. 1.

94  Vgl. De Page P. en De Stefani I., «Les différentes qualifications des «avantages» résultant des contrats de séparation» in De Page P. en De Stefani I. (eds.), Liquidation et partage. Commentaire pratique, Wolters Kluwer Belgium, 2024, 111, voetnoot 2.

95  De inbreng betreft m.i. een benoemde overeenkomst. Het feit dat het als onder bezwarende titel kwalificeert, ondanks dat het veelal om een overeenkomst zonder tegenprestatie gaat, ligt aan specifieke kwalificatieregels, niet aan de kwalificatie als huwelijksvoordeel: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 479, voetnoot 2423.

96  Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 439-444, nrs. 765-771.

97  Tijdens het huwelijk behoort de gehele eigendom van de goederen die zich in een gemeenschappelijk vermogen bevinden, gelijkelijk aan beide echtgenoten toe: Cass. 19 mei 2014, AR nr. C.13.0289.N, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140519.2, Arr.Cass. 2014, 1240.

98  Art. 2.3.55-2.3.58 BW. Vooruitmakingen (art. 2.3.55 BW) worden door het Burgerlijk Wetboek als vereffeningsbedingen betiteld. Niettemin is een vooruitmaking ook gelinkt aan de verdeling. De vereffening gebeurt immers tussen deelgenoten en zij gaat de verdeling vooraf: Van Sinay T., Handboek gerechtelijke verdeling, Intersentia, 2010, 1-2, nr. 2.

99  Van Sinay T., Handboek gerechtelijke verdeling, Intersentia, 2010, 1, nr. 1.

100  Cass. 19 mei 2014, AR nr. C.13.0289.N, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140519.2, Arr.Cass. 2014, 1240.

101  Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, KAMER, 2017-2018, 13 december 2017, nr. 54-2848/001, 78.

102  Het inlassen van een huwelijksvoordeel betreffende een onverdeeldheid verhindert dat er te allen tijde verdeeld kan worden, aangezien de onverdeeldheid zo van bepaalde duur geworden is (art. 2.3.63 BW; art. 3.77, tweede lid BW). De onverdeeldheid geldt dan immers voor de duur van het huwelijk van de echtgenoten. Vgl. ook De Page P., «Les avantages matrimoniaux dans le Livre 2.3 du Code civil - explications, applications et conséquences pratiques», RNB 2023/1, (70) 100, nr. 21.

103  Wanneer de regeling in realiteit nooit betrekking kan hebben op het vermogen van elk van beide echtgenoten, kan dit geen huwelijksvoordeel genereren. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer als voorwerp aangeduid wordt «de tijdens het huwelijk geërfde goederen afkomstig uit nalatenschappen van ascendenten van elke echtgenoot», indien alle ascendenten van één echtgenoot reeds vóór de huwelijkssluiting overleden waren.

104  Indien de regelingen rond de uitbreng en de uitbreng zelf artificieel uit elkaar getrokken worden, door bijvoorbeeld een regeling van ongelijke verdeling bij een potentiële wijziging van het stelsel in een eerste notariële akte op te nemen en twee weken later een volgende akte te verlijden om vermogensbestanddelen effectief uit te brengen bij de overstap naar een scheidingsstelsel, dan bestaat m.i. de mogelijkheid dat de kwalificatie als huwelijksvoordeel geweigerd wordt.

105  Over de kwestie of bij een wijziging van het stelsel nog een «vergelijk» kan worden getroffen, zie bv. Gerlo J. en Masschelein M., «Commentaar bij art. 1394 BW» in Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2010, (1) 13-14, nr. 22. Vgl. tevens de fiscale analyses van Michiels D., «Fiscaal statuut van huwelijkscontracten, wijzigingen van huwelijkscontracten, samenlevingscontracten, testamenten en gelijkaardige akten» in F. Werdefroy (ed.), Registratierechten, 2016, (1125) 1134-1135, nr. 1190; Weyts L., Notarieel fiscaal recht, deel 1, De registratie van notariële akten en hun gevolgen op fiscaal vlak, Wolters Kluwer, 2021, 121, nr. 66.

106  Bv. HvB Luik 26 november 2018, nr. 2017/FA/519, Revue du notariat belge 2019/11, 980; De Page P., «Le transfert d’un bien commun, propre ou indivis au profit d’un patrimoine propre - instruments conventionnels et clauses», RNB 2024/9, (822) 837, nr. 14.

107  Casman H. en Verbeke A.-L., «Huwelijksvoordelen» in Bael J. en Barbaix R. (eds.), Het familiaal vermogensrecht na de codificatie XLIXe Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Wolters Kluwer Belgium, 2024, (1) 47, nr. 141 en 8, 14.

108  Art. 4.232 e.v. BW.

109  Art. 2.3.6 BW; vgl. Rb. Namen 15 november 2013, RNB 2014, 248 waarbij een summiere notariële akte als geldige huwelijksovereenkomst (wijzigende akte) gekwalificeerd werd.

110  Art. 5.8, tweede lid BW.

111  Vyncke E. «Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen» RW 2025-2026 nr. 32 (te verschijnen). Zie eveneens: Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 450-460.

112  V yncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 423-499.

113  Vyncke E., «Hoe huwelijksvoordelen erfrechtelijk verrekenen» RW 2025-2026 nr. 32 (te verschijnen).

114  Vyncke E., De eeuwige evenwichtsoefening tussen de kinderen en de langstlevende, KnopsPublishing, 2025, 491-495, nrs. 849-857.