Hoe nieuw is het nieuw Strafwetboek? Een overzicht van de voornaamste wijzigingen in Boek I en II Sw. - deel 2
Jeroen De Herdt
Raadsheer in het hof van beroep te Antwerpen
Postdoctoraal navorser onderzoeksgroep Rechtshandhaving Universiteit Antwerpen
Lid Commissie tot hervorming van het strafrecht
Het nieuw Strafwetboek treedt op 8 april 2026 in werking. Deze bijdrage biedt de lezer een beschrijvend overzicht van de belangrijkste nieuwigheden die het wetboek brengt. Daarbij wordt voornamelijk gefocust op de wijzigingen in Boek I, gelet op het systemisch karakter van de wijzigingen en de grote impact. De wijzigingen in Boek II worden meer punctueel geschetst.
V. Straftoemeting (art. 27-35 en 60-65 Sw).1
A. Doelstellingen van de straf en richtlijnen inzake straftoemeting (art. 27 Sw).
52. Strafdoelstellingen - In artikel 27 Sw. omschrijft de wetgever voor het eerst de doelstellingen van de straf. Deze bepaling houdt in dat de rechter bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat de volgende doelen nastreeft:
1° het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet;
2° het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade;
3° het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader;
4° het beschermen van de maatschappij.
Deze strafdoelen zijn ontleend aan de werkzaamheden van de Commissie-Holsters2 en vonden ondertussen ook al hun weg naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie3 en via de recente «Noodwet overbevolking van de gevangenissen»4 ook naar artikel 7, § 2 Sw. van het Strafwetboek van 1867, waardoor ze al van toepassing zijn sinds 4 augustus 2025.5
Een straf kan tegelijkertijd meerdere doelstellingen hebben. Geen enkele doelstelling heeft voorrang op een andere. De rechter kan van oordeel zijn dat in een concreet geval één doelstelling voorop moet staan, maar hij kan bij zijn keuze van de straf ook meerdere doelstellingen combineren met het oog op de meest gepaste reactie ten aanzien van de strafbare feiten en van de persoonlijkheid van de beklaagde die hij moet berechten.6
53. Richtlijnen inzake straftoemeting - In de daaropvolgende leden worden in artikel 27 Sw. nog enkele richtlijnen gegeven omtrent de straftoemeting.
Ten eerste moet de rechter, binnen de grenzen van de wet, zoeken naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf, of eerder moet de rechter vermijden dat de straf disproportioneel zou zijn in verhouding tot de zwaarte van het misdrijf.
Ten tweede moet de rechter ook de ongewenste neveneffecten van de straf ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving in overweging nemen. De rechter moet aldus onder meer rekening houden met alle gevolgen van de straf voor alle betrokken partijen (en dus inclusief het eventuele slachtoffer en zijn of haar nabestaanden) om vervolgens te bepalen welke straf die van aard is ervoor te zorgen dat het nagestreefde doel van de straf kan worden bereikt, de minst nadelige gevolgen inhoudt.7
In het vierde lid van artikel 27 Sw. wordt het principe van de gevangenisstraf als laatst te overwegen straf uitdrukkelijk opgenomen. Deze kan, aldus deze bepaling, slechts worden uitgesproken wanneer de strafdoelen niet kunnen worden bereikt met een van de andere straffen of maatregelen waarin de wet voorziet. Het vijfde lid koppelt hieraan nog een bijzondere motiveringsplicht voor het geval de rechter een straf van niveau 2 gepast acht voor de feiten die aan zijn beoordeling voorliggen.
Ten slotte moet de rechter bij de straftoemeting ook rekening houden met de reeds ondergane voorlopige hechtenis (art. 63 Sw.), wat in voorkomend geval het opleggen van een andere straf dan de gevangenisstraf kan rechtvaardigen.
B. De verzachtende omstandigheden
54. Verzachtende omstandigheden - Ook in het nieuw Strafwetboek behoudt de strafrechter een grote vrijheid inzake de straftoemeting, mede dankzij de ruime mogelijkheden om verzachtende omstandigheden aan te nemen. Het gevolg van het aannemen van verzachtende omstandigheden is dat de rechter een straf van een of meerdere niveaus lager kan opleggen. Concreet kunnen de volgende strafverminderingen worden doorgevoerd (art. 36 en 38 Sw.):
- een straf van niveau 8 kan worden verminderd tot een straf van niveau 7, 6, 5, 4 of 3;
- een straf van niveau 7 kan worden verminderd tot een straf van niveau 6, 5, 4 of 3;
- een straf van niveau 6 kan worden verminderd tot een straf van niveau 5, 4, 3 of 2;
- een straf van niveau 5 kan worden verminderd tot een straf van niveau 4, 3 of 2;
- een straf van niveau 4 kan worden verminderd tot een straf van niveau 3 of 2;
- een straf van niveau 3 kan worden verminderd tot een straf van niveau 2 of 1;
- een straf van niveau 2 kan worden verminderd tot een straf van niveau 1;
- een straf van niveau 1 kan worden vervangen door een bijkomende straf op te leggen als hoofdstraf.
C. De verschoningsgronden
55. Noodweerexces - Het nieuw Strafwetboek voert twee nieuwe algemene strafverminderende verschoningsgronden in. De eerste is noodweerexces (art. 34 Sw.). Deze verwijst naar de hypothese waarin de dader wordt geconfronteerd met een aanval die onder de toepassingsvoorwaarden van de wettige verdediging valt, maar waarbij hij hierop disproportioneel of onnodig reageert vanuit de hevige gemoedsbeweging die door de aanval werd opgewekt. Bij de beoordeling van die hevige gemoedsbeweging moet volgens de memorie van toelichting een gemengd objectief-subjectieve toets worden gebruikt (net als bij de uitlokking vandaag reeds het geval is): men moet rekening houden met de bijzondere gevoeligheden van de persoon in kwestie, maar met als correctie daarop dat deze gemoedsbeweging van aard moet zijn om bij een normaal en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst dezelfde reactie te veroorzaken.8 Verder moet er sprake zijn van een dubbel causaal verband: de aanval moet de oorzaak zijn van de hevige gemoedsbeweging en deze gemoedsbeweging moet de oorzaak zijn van de overschrijding van de grenzen van het noodzakelijke verweer.9 Het causaal verband impliceert ook dat de reactie spontaan moet zijn en dat een proportionaliteitstoets wordt doorgevoerd: de manier van handelen kan zo buitensporig zijn dat het niet langer kan worden beschouwd als een direct gevolg van de emotie. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.10
De dader die op die manier handelt, behoudt een zekere mate van schuld, maar zijn straf wordt verminderd.11 Concreet wordt de straf als volgt verlaagd:
- de straf van niveau 8 of van niveau 7 wordt vervangen door een straf van niveau 3;
- de straf van niveau 6, 5 of 4 wordt vervangen door een straf van niveau 2;
- de straf van niveau 2 of 3 wordt vervangen door een straf van niveau 1;
- de straf van niveau 1 kan worden vervangen door een op het misdrijf gestelde bijkomende straf.
56. Minderjarigheid - De tweede algemene strafverminderende verschoningsgrond is de minderjarigheid (art. 35 Sw.). Zodra wordt vastgesteld dat de dader minderjarig was op het tijdstip van het plegen van het misdrijf, is de rechter verplicht om de straf te verminderen tot het niveau dat onmiddellijk onder het niveau ligt dat van toepassing is op een meerderjarige persoon.12 Hiermee wordt de regel uit artikel 12 Sw. 1867 dat de levenslange opsluiting niet kan worden opgelegd aan een persoon die op het tijdstip van de misdaad de volle leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, doorgetrokken naar alle strafniveaus.13
D. Herhaling14
57. Niveau 1-6 - De herhaling blijft een grond tot strafverhoging en wordt in het nieuw Strafwetboek aanzienlijk uitgebreid. Artikel 60, eerste lid Sw. bevat een regime van facultatieve, tijdelijke en algemene herhaling voor het geval men wordt vervolgd voor een misdrijf waarop door de wet een straf is gesteld van niveau 1, 2, 3, 4, 5 of 6. Er is voor deze misdrijven sprake van herhaling indien er op het moment van het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren verlopen zijn, te rekenen vanaf de dag waarop een vorige veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. Deze termijn wordt verlengd met de tijd waarin de gevangenisstraf of behandeling onder vrijheidsberoving wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode gedurende welke de straf wordt uitgevoerd onder de modaliteit van het elektronisch toezicht en de periodes van voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling.15 Een belangrijke verstrenging in vergelijking met de situatie onder het Strafwetboek van 1867 is dat er geen minimumdrempel meer wordt geformuleerd met betrekking tot de eerdere veroordeling; ook een eerdere veroordeling tot bv. een geldboete kan de basis vormen voor een staat van wettelijke herhaling. Het gevolg van deze staat van herhaling is dat de rechter de straf (facultatief) kan verhogen met één niveau.
58. Niveau 7 - Artikel 60, tweede lid Sw. bevat een regime van verplichte, permanente en algemene herhaling dat van toepassing is wanneer men wordt vervolgd voor een misdrijf waarop door de wet een straf van niveau 7 is gesteld. Anders dan voor de lagere strafniveaus worden hier wel inhoudelijke vereisten gesteld aan de eerdere veroordeling, nl. dat men eerder moet zijn veroordeeld tot een straf van niveau 7 of 8. Gelet op het permanente karakter van deze staat van herhaling doet het er niet toe hoeveel tijd er verstreken is tussen deze eerdere veroordeling en het nieuwe misdrijf; er is steeds sprake van wettelijke herhaling. Het gevolg van deze staat van herhaling is dat de minimumstraf binnen niveau 7 wordt gebracht op een gevangenisstraf van tweeëntwintig jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van zeventien jaar.16 Deze strafverhoging moet verplicht worden toegepast door de strafrechter wanneer hij de staat van herhaling vaststelt. Dit verplichte karakter moet evenwel worden gerelativeerd, aangezien de rechter in de praktijk het effect steeds ongedaan kan maken door verzachtende omstandigheden aan te nemen.
E. Samenloop
59. Basis - Hoewel het nieuw Strafwetboek voor de aanpak van samenloopsituaties blijft uitgaan van een onderscheid tussen eendaadse en meerdaadse samenloop, wijzigt het toepassingsgebied en het effect van deze regels (in het bijzonder de meerdaadse samenloop) aanzienlijk. De figuren van «eendaadse samenloop» en «meerdaadse samenloop» worden herleid tot hun taalkundige betekenis: de regels inzake eendaadse samenloop zijn van toepassing wanneer één feit meerdere misdrijven uitmaakt; wanneer verschillende feiten (dus op verschillende tijdstippen) werden gepleegd zonder dat een van die feiten reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een definitieve veroordeling, is er sprake van een meerdaadse samenloop. De vandaag zeer vaak toegepaste juridische fictie van het voortgezet of collectief misdrijf (waardoor de regels van de eendaadse samenloop gelden voor een situatie waarbij er meerdere misdrijven zijn gepleegd waartussen een zgn. eenheid van opzet bestaat; art. 65, eerste lid Sw. 1867) wordt verlaten.17
60. Eendaadse samenloop - De eendaadse samenloop (art. 61 Sw.) heeft aldus enkel nog betrekking op de hypothese waarbij één gedraging verschillende misdrijven oplevert. In een dergelijk geval geldt dat de hoofdstraf moet worden bepaald binnen het zwaarste strafniveau dat mogelijk was binnen de verschillende betrokken misdrijven of kwalificaties. De bijkomende straffen kunnen worden gecumuleerd binnen de grenzen van de wet en zijn dus niet beperkt tot de bijkomende straffen die samenhangen met het zwaarste misdrijf/de zwaarste kwalificatie. De rechter krijgt dus de mogelijkheid om te «panacheren».
61. Meerdaadse samenloop - Gelijktijdige berechting - De meerdaadse samenloop (art. 62 Sw.) is complexer. Het gaat om de hypothese van een persoon die wordt vervolgd voor verscheidene misdrijven, die elk voortvloeien uit een ander feit en die zijn gepleegd op een tijdstip waarop geen van deze feiten het voorwerp is geweest van een definitieve veroordeling die in kracht van gewijsde is getreden.
Indien het zwaarste misdrijf binnen de meerdaadse samenloop met een straf van niveau 6, 7 of 8 moet worden bestraft, wordt alleen de zwaarste hoofdstraf uitgesproken. De andere hoofdstraffen worden opgeslorpt door deze hoofdstraf (art. 62, § 2 en 62, § 3, eerste lid Sw.). Ratio legis van deze regel is dat in dit geval de straf die in dit strafniveau kan worden opgelegd, voldoende hoog is om tot een gepaste bestraffing te komen in geval van samenloop.18
Indien het zwaarste misdrijf binnen de samenloop wordt bestraft met een straf van niveau 5, 4, 3 of 2, geldt hetzelfde uitgangspunt dat de hoofdstraf wordt bepaald binnen het zwaarste strafniveau. Met het oog op onder meer de aanpak van veelplegers kan de hoofdstraf hier evenwel (facultatief) worden verhoogd naar een hoofdstraf van het onmiddellijk hogere niveau. Omwille van de coherentie en teneinde te vermijden dat de samenloopregels zouden verschillen naargelang de misdrijven al dan niet gelijktijdig worden berecht, zal de samenloop van één misdrijf strafbaar met een straf van niveau 2 met één misdrijf strafbaar met een straf van een hoger niveau evenwel niet kunnen leiden tot de toepassing van een straf van een hoger niveau wanneer de cumulatie van de maximumgevangenisstraf van niveau 2 en de straf van het hogere niveau resulteert in een strafverzwaring die hoger is dan de maximumgevangenisstraf van niveau 2, d.w.z. drie jaar. Concreet betekent dit dat in geval van samenloop tussen één misdrijf strafbaar met een straf van niveau 2 en één misdrijf met een straf van niveau 3, 4 of 5 de straf niet met een niveau wordt verhoogd, maar maximaal met drie jaar gevangenisstraf. Er anders over oordelen zou er immers voor zorgen dat er een andere maximumstraf zou gelden afhankelijk van de vraag of de feiten samen dan wel apart aan de rechter werden voorgelegd.19 Omwille van de coherentie en om te voorkomen dat de misdrijven verschillend worden behandeld naargelang zij al dan niet gelijktijdig worden berecht, is er ook geen strafverzwaring naar een onmiddellijk hoger niveau mogelijk wanneer een misdrijf in samenloop komt met een of meer misdrijven van niveau 1. In dat geval kunnen de hoofdstraf of hoofdstraffen van niveau 1 cumulatief worden uitgesproken (art. 62, § 3, eerste lid, in fine Sw.). De misdrijven strafbaar met een straf van niveau 1 kunnen volgens de wetgever immers geen aanleiding geven tot het opleggen van een gevangenisstraf, zodat het logisch is dat ze ook geen basis zijn voor het verhogen van het strafniveau (en daardoor het optrekken van de maximale gevangenisstraf).
Vanuit dezelfde optiek moet bij een meerdaadse samenloop van enkel misdrijven strafbaar met een straf van niveau 1 de straftoemetingregel ook bestaan uit de cumul van de hoofdstraffen (en niet het stijgen naar een straf van niveau 2, waarin opnieuw een gevangenisstraf tot de mogelijkheden zou behoren) (art. 62, § 3, eerste lid, in fine Sw.).
Net als bij de eendaadse samenloop kunnen de bijkomende straffen steeds cumulatief worden opgelegd binnen de grenzen van de wet.20
62. Meerdaadse samenloop - Niet-gelijktijdige berechting - In de hypothese van niet-gelijktijdige berechting zal de laatst optredende feitenrechter rekening moeten houden met de eerst uitgesproken straf. Logischerwijs mag de straf die de tweede rechter uitspreekt, niet hoger zijn dan de zwaarste hoofdstraf voor het misdrijf of de misdrijven waarover hij moet oordelen, en in geen geval mag de optelsom van de eerst uitgesproken straf en de later uitgesproken straf de bovengrens zoals bepaald in de hypothese van gelijktijdige berechting te boven gaan. In deze hypothese kan de oplegging van twee straffen van verschillende natuur worden overwogen: niets belet de tweede rechter bijvoorbeeld een werkstraf van niveau 2 op te leggen na een veroordeling tot een gevangenisstraf uitgesproken door de eerste rechter.21 Wanneer de laatst optredende rechter een hoofdstraf uitspreekt van dezelfde natuur als de eerste rechter (bijvoorbeeld tweemaal een werkstraf), wordt de bovengrens door de wet zelf bepaald (dit is een dubbele bovengrens: de bovengrens van het huidig strafniveau en de bovengrens zoals bepaald in de hypothese van gelijktijdige berechting). Wanneer de laatst optredende rechter een straf uitspreekt van een andere natuur, zal hij rekening houden met de eerst uitgesproken straf en wordt ook de bovengrens opgeleverd door de grenzen van het huidige strafniveau, met deze correctie dat het eindresultaat niet strenger is dan in de hypothese van gelijktijdige berechting.22
Ten slotte is nog in een regel voorzien voor de situatie waarin de rechter bij wie de zaak het laatst is aangebracht, uitspraak doet over de zaak zonder kennis van de samenloop en dus zonder de regels inzake samenloop te hebben toegepast. In dat geval vermindert de strafuitvoeringsrechtbank het straftotaal overeenkomstig de bovengenoemde regels, waardoor dus het straftotaal wordt beperkt tot de maximumstraf die opgelegd had kunnen worden indien de rechter wel kennis had gehad van de samenloop (art. 62, § 4 Sw.).
F. Bestraffingsmodaliteiten
63. Opschorting - De opschorting wordt als bestraffingsmodaliteit geïntegreerd in het Strafwetboek (art. 64 Sw.). Gelet op de bestaande mogelijkheid om een probatiestraf uit te spreken, is er in het nieuw Strafwetboek wel geen sprake meer van de rechtsfiguur van de probatie-opschorting. Deze mogelijkheid wordt geschrapt om te voorkomen dat de rechter opnieuw onnodig moet optreden om de straf te bepalen wanneer er een ernstige schending wordt vastgesteld van de probatievoorwaarden. Wanneer een probatiestraf wordt uitgesproken, moet immers ook meteen de vervangende straf worden bepaald die kan worden uitgevoerd indien de voorwaarden niet worden nageleefd.23 Daarnaast wordt ook de probatiestraf niet vermeld op de aan particulieren ter beschikking gestelde uittreksels van het strafregister.
Het materieel toepassingsgebied van de opschorting blijft hetzelfde als onder de huidige probatiewet, alleen de vereiste met betrekking tot het gerechtelijk verleden van de beklaagde wordt geschrapt. Ongeacht de eerdere veroordelingen van de beklaagde kan de rechter dus een opschorting uitspreken indien hij dit gepast acht en aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan.
Aan de opschorting wordt een proeftijd gekoppeld van ten minste een jaar en ten hoogste vijf jaar (art. 64, § 1, tweede lid Sw.). De opschorting kan (facultatief) worden herroepen indien tijdens de proeftijd een nieuw misdrijf werd gepleegd waarvoor een gevangenisstraf van minstens zes maanden wordt uitgesproken, dan wel wanneer na een eerdere schuldigverklaring aan een verkeersinbreuk een nieuwe verkeersinbreuk wordt gepleegd.24
64. (Probatie-)uitstel - Ook het uitstel is voortaan terug te vinden in het Strafwetboek zelf (art. 65 Sw.). Ook hier zijn enkele nieuwigheden te melden.
Het toepassingsgebied25 van het uitstel wordt (naar analogie met het probatie-uitstel) uitgebreid doordat niet langer vereisten worden gesteld met betrekking tot de gerechtelijke antecedenten van de beklaagde. Een eerdere veroordeling tot een gevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf hoeft een later uitstel dus niet langer te verhinderen.
Verder wordt een vereenvoudiging doorgevoerd in de duur van de proeftermijn die aan het (probatie-)uitstel wordt gekoppeld. Die bedraagt voortaan, ongeacht de natuur of omvang van de straf, niet minder dan een jaar en niet meer dan vijf jaar.26
De herroeping van het uitstel is verplicht of facultatief, afhankelijk van de omstandigheden. Het uitstel wordt van rechtswege (verplicht) herroepen indien bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing wordt vastgesteld dat een nieuw misdrijf, gepleegd tijdens de proeftijd, een gevangenisstraf van meer dan achttien maanden zonder uitstel27 tot gevolg heeft gehad. Naast dit geval van verplichte herroeping zijn er ook twee situaties waarin facultatief kan worden besloten tot herroeping van het (probatie-)uitstel, nl. bij een veroordeling tot een gevangenisstraf zonder uitstel van ten hoogste achttien maanden28 of in geval van een andere ernstige niet-naleving van de algemene of bijzondere probatievoorwaarden.29
VI. Burgerrechtelijke bepalingen en beveiligingsmaatregelen (art. 66-72 Sw).
65. Verbeurdverklaring met toewijzing aan BP - De verbeurdverklaring met toewijzing aan de burgerlijke partij wordt voortaan in het Strafwetboek geregeld bij de burgerrechtelijke bepalingen, als een bijzondere vorm van teruggave (art. 67 Sw.).30 Indien de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partij toebehoren, of indien deze de goederen of waarden vormen die door de veroordeelde in de plaats zijn gesteld van de zaken die toebehoren aan de burgerlijke partij, worden deze verplicht31 aan de burgerlijke partij teruggegeven of toegewezen (afhankelijk van het geval). Hetzelfde geldt voor de bij equivalent verbeurdverklaarde geldsom. De betaling ervan moet worden verrekend met de aan de burgerlijke partij toegekende schadevergoeding. Op die manier vertaalt deze bepaling opnieuw het zakelijk of reëel karakter van de verbeurdverklaring (zoals dat voortvloeit uit art. 53 Sw.), aangezien wordt vermeden dat de beklaagde ertoe verplicht wordt tweemaal hetzelfde goed/bedrag terug te betalen.32
In artikel 67, laatste lid Sw. wordt voor het eerst de situatie geregeld waarin het slachtoffer zich nog geen burgerlijke partij heeft gesteld op het moment van uitspraak over de verbeurdverklaring van een geldsom die overeenstemt met het goed dat zijn eigendom was. In die hypothese beschikt het slachtoffer voortaan over een schuldvordering tegenover de Staat ten belope van het bedrag dat door de veroordeelde ter uitvoering van deze straf werd betaald en die zal worden verrekend met de later toegekende schadevergoeding. Ook dit vloeit voort uit het zakelijk karakter van de verbeurdverklaring33 en vermijdt dat eenzelfde bedrag tweemaal betaald moet worden.34
66. Verbeurdverklaring als beveiligingsmaatregel - Artikel 70 Sw. voert een regeling van verbeurdverklaring als beveiligingsmaatregel in. Deze beveiligingsmaatregel heeft een verplicht karakter en kan worden uitgesproken ongeacht of er al dan niet een veroordeling wordt uitgesproken en dus ook in geval van vrijspraak, onontvankelijkheid of verval van de strafvordering. Hij is van toepassing op zaken waarvan het bezit strijdig is met de openbare orde, de openbare veiligheid of volksgezondheid of met de goede zeden. Het zou bv. kunnen gaan om tijdens de huiszoeking aangetroffen verboden wapens of drugs, giftige stoffen, ...35
VII. Afsluitende bepalingen van Boek I Sw.
67. Veroordeling in andere EU-lidstaat - Na de, enigszins vereenvoudigde, regels omtrent de verjaring van de straf, volgen nog enkele afsluitende bepalingen, te beginnen met de gevolgen van een veroordeling in een andere EU-lidstaat (art. 76 Sw.). De regel uit het huidige artikel 99bis Sw. 1867 wordt hier hernomen, maar de uitsluiting van de samenloop uit het toepassingsgebied wordt geschrapt.
68. Toepasselijkheid Boek I Sw. op bijzondere strafwetten - Artikel 77 Sw. bevestigt het statuut van de regels van Boek I van het Strafwetboek als de «gemeenrechtelijke regels» die (behoudens uitzonderingen) het algemeen strafrecht regelen en daardoor in principe van toepassing zijn op zowel de misdrijven omschreven in Boek II van het Strafwetboek als op deze omschreven in bijzondere strafwetten. Anders dan in artikel 100 Sw. 1867 worden op deze regel niet langer uitzonderingen gemaakt, waardoor de globale eenheid van het strafrecht aanzienlijk wordt bevorderd.
69. Conversiemechanisme - Het laatste artikel van Boek I Sw. bevat enkele regels om op strafwetten die niet zijn aangepast aan het nieuw Strafwetboek, toch de regels van het nieuw Strafwetboek te kunnen toepassen. Een dergelijk conversiemechanisme is noodzakelijk, aangezien alle regels inzake straftoemeting aan de indeling in niveaus zijn opgehangen, terwijl de oude strafwetten niet op die manier zijn geformuleerd. Doelstelling van deze conversieregels is de situatie zoals ze geldt onder het huidige Strafwetboek zoveel als mogelijk te benaderen, aangezien de wetgever nooit naar deze wetten heeft gekeken met de bril van het nieuw Strafwetboek.36 Zo wordt bv. rekening gehouden met de systematische correctionalisering.37 Aangezien de categorie van de overtredingen en de bijhorende politiestraffen niet meer zijn hernomen in het nieuw Strafwetboek, moeten de misdrijven die worden bestraft met een politiestraf, worden beschouwd als opgeheven indien de wetgever niet is tussengekomen voor de inwerkingtreding van het nieuw Strafwetboek (art. 78, § 1, derde lid Sw.).
VIII. Boek II: de gemeenrechtelijke misdrijven
70. Inleiding - Ook Boek II van het Strafwetboek werd grondig tegen het licht gehouden. De structuur van Boek II werd herwerkt, waarbij de misdrijven globaal werden geordend op basis van het door het misdrijf aangetaste belang of rechtsgoed, de door het misdrijf veroorzaakte schade en de mate van schuld die wordt vereist.38 Van de gelegenheid werd ook gebruik gemaakt om misdrijven die buiten het Strafwetboek zijn omschreven, maar nauw samenhangen met in het wetboek beschermde rechtsgoederen, over te hevelen naar het Strafwetboek.39 In tal van strafbaarstellingen werden aanpassingen aangebracht om kleine en grotere correcties door te voeren, het taalgebruik te actualiseren of verduidelijkingen uit de rechtspraak te codificeren. Heel wat innovaties uit het oorspronkelijke ontwerp hebben hun weg al gevonden naar het Strafwetboek van 1867, zoals bv. het nieuwe seksueel strafrecht40, de aangepaste definitie van afpersing of de strafbaarstellingen inzake staatsgeheimen. Hierna worden, zonder ook maar enige ambitie tot volledigheid te hebben, enkele van de meest opvallende of relevante nieuwigheden gesignaleerd.
A. Voorafgaande titel. Gemeenschappelijke bepalingen
71. Doelstelling - Boek II vangt aan met een voorafgaande titel, waarin een aantal begrippen op algemene wijze worden gedefinieerd voor het hele Boek II Sw. Op die manier wordt vermeden dat eenzelfde begrip afhankelijk van de plaats in het wetboek een andere invulling zou krijgen. Zo wordt bv. het begrip «partner» nu op uniforme wijze gedefinieerd (art. 79, 3° Sw.), om een einde te maken aan de uiteenlopende definities in het huidige wetboek (art. 410 vs. 417/19 Sw. 1867) Ook ellenlange, vaak terugkerende omschrijvingen of opsommingen worden vermeden door een overkoepelende term te gebruiken die dan wordt gedefinieerd in de voorafgaande titel. Zo wordt bv. het vaak terugkerende lijstje van ernstige gevolgen van gewelddaden zoals bv. opgenomen in artikel 399 en 400 Sw. 1867, met enkele aanpassingen, opgenomen onder de noemer van respectievelijk «integriteitsaantasting van de tweede graad» (art. 79, 16° Sw.) en «integriteitsaantasting van de derde graad» (art. 79, 17° Sw.). Voor een goed begrip van de bepalingen van Boek II Sw. is het dan ook essentieel dat men de definities uit de voorafgaande titel steeds in het achterhoofd houdt.
B. Titel 1. Ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht
72. Algemeen - Onder titel I worden de misdrijven die een ernstige schending van het internationaal humanitair recht uit titel Ibis van Boek II Sw. 1867 hernomen. Gelet op de internationale context van deze strafbaarstellingen werden inhoudelijk geen wijzigingen aangebracht, behalve enkele toevoegingen aan de notie «oorlogsmisdaden» overeenkomstig een aanpassing van het Statuut van Rome door Resolutie ICC-ASP/16/Res.4, aangenomen tijdens de twaalfde plenaire zitting van de XVIe sessie van de Vergadering van Verdragspartijen op 14 december 2017, en overeenkomstig artikel 15.1 van het Tweede Protocol met betrekking tot het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict41. Verder werden de oorlogsmisdaden onderverdeeld in vier categorieën (art. 84-88 Sw.) op basis van het toepasselijke strafniveau om de leesbaarheid te bevorderen.42
73. Gedwongen verdwijning - Artikel 89 Sw. bevat een nieuwe strafbaarstelling: de gedwongen verdwijning die geen misdaad tegen de menselijkheid43 vormt.44 Hieronder moet worden begrepen de opzettelijke arrestatie, gevangenhouding, ontvoering of elke andere vorm van opzettelijke vrijheidsontneming door vertegenwoordigers van de staat of door personen of groepen personen die optreden met de machtiging of steun van of bewilliging door de staat, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of door verhulling van het feit zelf of van de verblijfplaats van de verdwenen persoon, waardoor deze buiten de bescherming van de wet geplaatst wordt. Blijkens de memorie van toelichting45 en het opschrift gaat het om een subsidiaire bepaling, die slechts van toepassing is wanneer het feit geen misdrijf tegen de mensheid uitmaakt. Artikel 83, 9° Sw. omschrijft de gedwongen verdwijning immers nog steeds als een van de mogelijke verschijningsvormen van een misdaad tegen de mensheid (die met een zwaardere straf wordt bestraft).
C. Titel 2. De misdaad van ecocide
74. Ecocide46 - Ecocide betreft het tweede nieuwe misdrijf in het nieuw Strafwetboek, waarmee gevolg werd gegeven aan een internationale beweging om een dergelijke strafbaarstelling op te nemen in nationale en internationale instrumenten. De misdrijfomschrijving werd gebaseerd op de werkzaamheden daaromtrent onder leiding van Philippe Sands47 en nauwer omschreven naargelang van de beperkte mogelijkheden waarover de federale wetgever ten gevolge van de staatshervormingen nog beschikt om op te treden inzake milieu. Ecocide wordt in artikel 94 Sw. omschreven als: het opzettelijk plegen, door handelen of nalaten, van een illegale handeling, die ernstige, grootschalige en langdurige schade aan het milieu veroorzaakt, wetende dat deze handeling dergelijke schade toebrengt, voor zover deze handeling betrekking heeft op een inbreuk op federale wetgeving of internationale wetgeving die bindend is voor de federale overheid of zover de handeling niet in België kan gelokaliseerd worden. Begrippen als «ernstige schade», «grootschalige schade», «langdurige schade» en «milieu» krijgen in hetzelfde artikel een authentieke interpretatie, teneinde het toepassingsgebied van de strafbaarstelling preciezer te omschrijven. Gelet op de beperkte federale bevoegdheden op dit domein zal de strafbaarstelling in de praktijk enkel relevant kunnen zijn:48
- voor schade als gevolg van ioniserende stralingen of radioactief afval;
- voor schade in of op de Noordzee;
- voor handelingen die niet gelokaliseerd kunnen worden in België.
D. Titel 3. Misdrijven tegen personen
75. Toepassingsgebied - De titel met betrekking tot de misdrijven tegen personen vangt aan met een bepaling (art. 95 Sw.) die het toepassingsgebied van deze titel bepaalt door te omschrijven wie slachtoffer kan zijn van deze misdrijven. Het artikel bevat onder meer een lijst met misdrijven die ook gepleegd kunnen worden ten aanzien van rechtspersonen.
76. Misdrijven tegen het leven - Wat betreft de misdrijven tegen het leven (hoofdstuk 1) moet vooreerst worden gewezen op een aantal nieuwe verzwaarde vormen van doodslag. De eerste daarvan is de doodslag gepleegd in het kader van een ander misdrijf (art. 98 Sw.), zijnde de doodslag gepleegd om het plegen van een ander misdrijf of de poging daartoe te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te verzekeren, dan wel gepleegd als gevolg van de weerstand die werd geboden door het slachtoffer of een derde. Dit breidt de huidige regel omtrent roofmoord (art. 475 Sw. 1867) en de doodslag in het kader van de vernieling of beschadiging van roerende goederen (art. 532 Sw. 1867) uit tot alle misdrijven. Ook de doodslag gepleegd op een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand (art. 100 Sw.) en de intrafamiliale doodslag (art. 101 Sw.) zijn nieuw. Met dit laatste verzwaarde misdrijf wordt gedoeld op de doodslag gepleegd op een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of iedere andere persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen. De huidige oudermoord (art. 395 Sw. 1867) wordt dus aanzienlijk uitgebreid.
Wat onopzettelijke dodingen betreft, vloeit uit de hoger aangehaalde gewijzigde omschrijving van het moreel bestanddeel voor onopzettelijke misdrijven voort dat deze voortaan enkel nog strafbaar zijn in het geval van een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid (art. 106 e.v. Sw.).
In de laatste afdeling van dit hoofdstuk werd de aanzetting tot zelfdoding (art. 109 Sw.) opgenomen als nieuw misdrijf. Dit misdrijf wordt omschreven als het opzettelijk stellen van een handeling die van aard is om een persoon ertoe te brengen zichzelf van het leven te beroven. De aanzetting tot zelfdoding is slechts strafbaar indien zij een zelfdoding door het slachtoffer of een poging daartoe tot gevolg heeft. Met deze nieuwe strafbaarstelling sluit het Belgische Strafwetboek aan bij een reeks andere Europese landen die een gelijkaardige strafbaarstelling kennen49 en wordt tegemoetgekomen aan de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie naar de sekten.50 Belangrijk is om voor ogen te houden dat enkel het aanzetten tot zelfdoding strafbaar is, niet het verlenen van hulp aan iemand die zelf weloverwogen de beslissing heeft genomen uit het leven te stappen.51
77. Foltering, onmenselijke en onterende behandeling - Overeenkomstig de internationale bepalingen52 wordt in het nieuw Strafwetboek aan de omschrijving van foltering (art. 112 Sw.) toegevoegd: «onder meer om van hem of van derde inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem of derden te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren, dan wel om eender welke reden van discriminatoire aard.» Een dergelijke omschrijving werd in dezelfde beweging geschrapt bij de onmenselijke behandeling (art. 120 Sw.). Verder werden nog enkele nieuwe verzwaarde vormen van deze misdrijven opgenomen en wordt gecodificeerd dat voor al deze misdrijven een algemeen opzet volstaat als moreel bestanddeel.
78. Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksueel zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden - Aangezien het nieuwe seksueel strafrecht zoals ingevoerd door de wet van 21 maart 202253 in essentie de overname was van het betreffende hoofdstuk uit het ontwerp van nieuw Strafwetboek, is het niet verbazingwekkend dat hieromtrent weinig aanpassingen te vermelden zijn. Er werd één nieuwe groep strafbaarstellingen aan toegevoegd die betrekking heeft op inhoud die bedoeld is om het plegen van seksueel misbruik of seksuele uitbuiting ten nadele van een minderjarige te bevorderen (art. 177-179 Sw.; gemeenzaam ook «pedohandleidingen» genoemd)54; nl. het vervaardigen, verspreiden, bezitten, verwerven en zich toegang verschaffen tot dergelijke inhoud. Hiermee loopt de wetgever vooruit op de goedkeuring van het voorstel van Europese richtlijn dat onder meer hierop betrekking heeft.55
79. Misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit - Een opmerkelijke nieuwigheid met betrekking tot de misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit is dat de vertrouwde begrippen «slagen of verwondingen» hier niet meer kunnen worden teruggevonden. Zij worden vervangen door het nieuwe misdrijf «gewelddaden» (art. 193 Sw.). Dit nieuwe begrip heeft als bedoeling de huidige opzettelijke slagen en verwondingen (art. 398 Sw. 1867), het opzettelijk toedienen van schadelijke stoffen (art. 402 Sw. 1867) en (gedeeltelijk) feitelijkheden en lichte gewelddaden (art. 563, 3° Sw. 1867) te overkoepelen en meer aan te sluiten bij de invulling die deze begrippen hebben gekregen in de rechtspraak. De definitie ervan in artikel 193 Sw. bevat dan ook wat echo’s van de cassatierechtspraak omtrent slagen en verwondingen. Bedoeling hier lijkt dus vooral te vereenvoudigen, zonder aan de essentie van het misdrijf te raken.56
In de strafbaarstelling van het zwangerschapsverlies zonder toestemming (gebaseerd op artikel 348 e.v. Sw. 1867) wordt voortaan een bijzonder opzet vereist, bestaande uit het oogmerk het zwangerschapsverlies te veroorzaken. Indien dit oogmerk niet aanwezig is, gaat het om gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg.57
Voor wat betreft de onopzettelijke aantasting van de fysieke of psychische integriteit, wordt opnieuw herinnerd aan de reductie van het toepassingsgebied tot de gevallen waarin sprake is van een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid.
80. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid - Voor wat betreft de misdrijven vrijheidsberoving, ontvoering en gijzeling is de belangrijkste wijziging de uniformisering van de strafverminderende verschoningsgrond voor het geval waarin het slachtoffer kort na de feiten opnieuw in vrijheid wordt gesteld (art. 229 Sw.). Daarnaast wordt bij de ontvoering de persoon in een kwetsbare toestand voortaan gelijkgesteld met een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaar, waar deze onder het Strafwetboek van 1867 werd gelijkgesteld met een minderjarige vanaf de leeftijd van twaalf jaar (art. 428, § 2 Sw. 1867). Wanneer een volwassen persoon onder het gezag van een derde wordt geplaatst (nodig om van een ontvoering te spreken), mag er immers van uit worden gegaan dat zijn mogelijkheden om vrij te beslissen over zijn komen en gaan dermate zijn aangetast (zware mentale handicap, ...), dat hij ook moet worden beschermd tegen een ontvoering indien hij vrijwillig zijn ontvoerder volgt.58
81. Misdrijven tegen de persoonlijke rust en de morele integriteit - Met betrekking tot de strafbaarstelling van bedreigingen (art. 231 e.v. Sw.) moet worden opgemerkt dat voor de strafbaarheid in het nieuw Strafwetboek geen onderscheid meer wordt gemaakt op basis van de wijze waarop de bedreiging wordt geuit. Het feit dat de bedreiging werd geuit onder een bevel of onder een voorwaarde maakt voortaan een verzwarend bestanddeel uit.
Ook de belaging (art. 237 e.v. Sw.) wijzigt fundamenteel door uitdrukkelijk ook eenmalige gedragingen onder het toepassingsgebied te brengen, zonder dat vereist is dat die eenmalige gedraging door haar aard niet-aflatende of steeds terugkerende gevolgen heeft.59
In de bepalingen omtrent laster en belediging werd een nieuwe omschrijving van laster gehanteerd (art. 240 Sw.), die het huidige laster, eerroof (art. 443 Sw. 1867) en kwaadwillige ruchtbaarmaking (art. 449 Sw. 1867) overkoepelt. Ondanks voorstellen van de Commissie tot hervorming van het strafrecht in die zin werd niet besloten tot depenalisering van de belediging, maar werd het toepassingsgebied net uitgebreid door de belediging te omschrijven als het met kwaadwillig opzet en met welk middel ook in het openbaar beledigen van een bepaald persoon (art. 244 Sw.).
82. Schendingen van de persoonlijke waardigheid en misbruik van de kwetsbare positie van het slachtoffer - De misdrijven inzake de bestraffing van de discriminatie60, de aanzetting tot haat en het negationisme61 worden geïntegreerd in het Strafwetboek. De thans in de wet opgenomen bepalingen met betrekking tot de discriminatiemisdrijven (art. 250 e.v. Sw.) zijn problematisch aangezien zij (bij gebrek aan politieke consensus)62 geen melding maken van het vereiste moreel bestanddeel, waardoor het strikt genomen reglementaire misdrijven zouden worden.63 Dit is niet verzoenbaar met de vrijheid van meningsuiting en in het voorontwerp van reparatiewet64 wordt dan ook terecht een opzetvereiste toegevoegd aan deze bepalingen.
Verder moet worden opgemerkt dat ook de strafbaarstellingen inzake mensensmokkel65 worden overgebracht naar het Strafwetboek om er samen te worden behandeld met mensenhandel. Ook naar huidig recht bestaan er immers veel gelijkenissen en overlap tussen beide strafbaarstellingen.66
In artikel 273 e.v. Sw. werd een nieuwe strafbaarstelling inzake de verkoop van kinderen ingevoerd om gevolg te geven aan het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind.67 Hieronder wordt begrepen het opzettelijk voorstellen, beloven, afleveren of aanvaarden van een minderjarige, ongeacht op welke wijze, tegen een profijt of een vergelijkbaar voordeel voor zichzelf of een ander. Vergoeding van kosten en uitgaven worden overeenkomstig het tweede lid niet als een profijt of vergelijkbaar voordeel gezien. Zo valt altruïstisch draagmoederschap niet onder de strafbaarstelling.68
83. Misdrijven met betrekking tot het in gevaar brengen van personen - In afdeling 4 van hoofdstuk 8 worden de bepalingen inzake verkeersbelemmering hernomen, maar met een aanzienlijke vereenvoudiging. Zo wordt geen onderscheid meer gemaakt op basis van het al dan niet gebruiken van een voorwerp, noch op basis van het al dan niet aan de gang zijn van verkeer, noch op basis van de aard van de geviseerde verkeersstroom. Het moreel bestanddeel wordt omschreven als een oogmerk om te schaden. Wanneer de verkeersbelemmering bestaat uit een aanslag op de verkeersinfrastructuur of indien de verkeersbelemmering het zich verplaatsen in het verkeer gevaarlijk kan maken of ongevallen kan veroorzaken bij het deelnemen aan het verkeer, gaat het om het verzwaarde misdrijf «gevaarlijke verkeersbelemmering».
In artikel 328 Sw. werd de nieuwe strafbaarstelling van kwaadwillige verspreiding van ziekteverwekkers opgenomen, zijnde het, met kwaad opzet, verspreiden van een virus, bacterie, parasiet of andere stof die van aard is de gezondheid van personen negatief te beïnvloeden. Hierbij werd bv. gedacht aan de zgn. «coronaspuwers» of het met kwaad opzet iemand besmetten met HIV.69 Wanneer de feiten effectief een ziekte of de dood veroorzaakt, kunnen de feiten worden gekwalificeerd als gewelddaden.70
84. Misdrijven tegen het lijk en de lijkbezorging - In het huidige recht bevat de strafrechtelijke bescherming van het lichaam van de overledene een lacune doordat het niet wordt beschermd in de periode tussen het overlijden en het opbaren van het lichaam.71 In het nieuw Strafwetboek wordt daarom een onderscheid gemaakt tussen enerzijds lijkschennis (art. 369 Sw.), zijnde het opzettelijk aantasten van de integriteit van het lijk (dus vanaf het moment van overlijden) waardoor de nagedachtenis van de overledene werd beledigd of gekwetst, en anderzijds grafschennis (art. 370 Sw.), zijnde het opzettelijk vernielen, neerhalen of beschadigen van graven, gedenktekens opgericht ter nagedachtenis van de overledenen, funeraire urnen of asverspreidingsweiden waardoor de nagedachtenis van de overledene werd beledigd of gekwetst.
E. Titel 4. Misdrijven tegen de openbare veiligheid
85. Terrorisme - Inhoudelijk werden weinig aanpassingen doorgevoerd met betrekking tot terrorismemisdrijven, aangezien de wetgever van oordeel was dat deze problematiek een afzonderlijk debat verdient.72 Wel werden de straffen hier systematisch verhoogd en werd het verheerlijken van terrorisme opgenomen in artikel 376, tweede lid Sw. Gelet op de formulering van deze strafbaarstelling73 moet dit echter vooral als een bijzondere vorm van het aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven worden beschouwd en niet als een volstrekt nieuwe strafbaarstelling.
86. Vereniging van misdadigers en criminele organisatie - Wat betreft de vereniging van misdadigers moet worden opgemerkt dat een wijziging wordt doorgevoerd door voortaan een minimumaantal leden te vermelden om van een dergelijke vereniging te kunnen spreken. Dit aantal wordt, net als voor de criminele organisatie en de terroristische groep, op drie bepaald. Dit wijkt af van de thans geldende cassatierechtspraak dat twee personen kunnen volstaan.74
Meldenswaardig is ook dat de verbeurdverklaring van het vermogen dat ter beschikking staat van de criminele organisatie (art. 43quater, § 4 Sw. 1867) vervangen wordt door de verbeurdverklaring van de goederen waarover de criminele organisatie beschikt en waarvan is aangetoond dat ze nuttig zijn geweest om bij te dragen aan de criminele activiteiten die de organisatie ten laste worden gelegd, behoudens wanneer dit voor gevolg zou hebben dat de veroordeelde wordt onderworpen aan een onredelijk zware straf (art. 411 Sw.).
F. Titel 5. Valsheden
87. Valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers - Wat valsheden betreft, wordt voortaan geen onderscheid gemaakt op basis van de gebruikte drager, zodat er geen verschil meer is tussen valsheid in geschriften en valsheid in informatica (art. 451 Sw.). Deze valsheid wordt omschreven als «het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden produceren van valse stukken of vervalsen van de uiting van een gedachte in enig geschrift dat of op enige andere duurzame drager die, in samenhang met een rechtens relevant feit, tot bewijs kan dienen». In § 2 van hetzelfde artikel wordt het gebruik van valse stukken omschreven als «het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruiken van de valsheid in geschriften of op andere duurzame dragers». Beide misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 3.
G. Titel 6. Misdrijven tegen het vermogen
88. Schrapping strafuitsluitende verschoningsgrond - De huidige strafuitsluitende verschoningsgrond uit artikel 462 Sw. 1867 voor diefstallen (en enkele andere misdrijven tegen het vermogen) ten nadele van zijn echtgenoot, door een weduwnaar of een weduwe wat zaken betreft die aan de overleden echtgenoot hebben toebehoord, door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in de opgaande lijn, door bloedverwanten in de opgaande lijn ten nadele van hun afstammelingen, of door aanverwanten in dezelfde graden werd niet hernomen in het nieuw Strafwetboek. Het wordt aan het Openbaar Ministerie overgelaten de opportuniteit om feiten gepleegd binnen deze context al dan niet te vervolgen.75
89. Diefstal - Een andere opmerkelijke nieuwigheid is dat braak, inklimming of het gebruik van valse sleutels geen verzwarend bestanddeel of verzwarende factor meer uitmaakt. Dit wordt vervangen door het binnendringen in een niet voor het publiek toegankelijke plaats om de diefstal te plegen, terwijl de dader moest vermoeden dat zich daar een of meer personen bevonden. Het is immers veeleer het binnendringen in dergelijke plaatsen dat een bijkomend gevaar creëert voor confrontatie en escalatie.76 Het feit dat de diefstal bij nacht werd gepleegd, werkt voortaan strafverzwarend ongeacht of er gebruik werd gemaakt van geweld of bedreiging. Loondiefstal (art. 464 Sw. 1867) maakt daarentegen geen verzwarend bestanddeel meer uit, maar wordt gereduceerd tot een verzwarende factor (art. 474 Sw.).
90. Woeker en rechtstreekse betaling deskundige - Woeker (art. 478 Sw.) wordt niet langer als een gewoontemisdrijf omschreven. De aanvaarding van rechtstreekse betaling door een deskundige (art. 509quater Sw. 1867) werd gedecriminaliseerd, aangezien andere sancties zoals de schrapping als deskundige volgens de wetgever zouden kunnen volstaan.77
91. Heling en witwassen - De heling en het witwassen worden voortaan uit elkaar getrokken en in aparte bepalingen ondergebracht. Heling (art. 501 Sw.) wordt daarbij omschreven als het (aflopend) misdrijf dat bestaat uit «het opzettelijk in bezit nemen van een goed dat verkregen is door middel van een misdrijf dat begaan is door een andere persoon». De drie witwasmisdrijven zijn terug te vinden in artikel 502, 1°-3° Sw.
92. Vandalisme - Vandalisme wordt omschreven als elke «opzettelijk op enig goed dat aan een ander toebehoort gestelde gedraging die bestaat in het vernielen, het beschadigen, het onbruikbaar maken of het aanbrengen van graffiti zonder toestemming» en maakt zo komaf met een zeer uiteenlopende terminologie in het Strafwetboek van 1867. Net als voor brandstichting wordt de bestraffing in belangrijke mate gedifferentieerd op basis van de vraag of er ernstige schade is veroorzaakt door het misdrijf en of het misdrijf al dan niet werd gepleegd op een goed met bijzonder belang. Waar de invulling van de eerste term aan de feitenrechter wordt overgelaten, worden de goederen met bijzonder belang limitatief opgesomd in de wet. Het gaat om gebouwen, maatschappelijke infrastructuur, vervoermiddelen, één of meer bomen, een bos, een natuurgebied, een boomgaard of een akker (art. 507 en 517 Sw.).
H. Titel 7. Economische misdrijven
93. Belemmering of verstoring van de vrijheid van opbod of van inschrijving - Het toepassingsgebied van de belemmering of verstoring van de vrijheid van opbod of inschrijving (art. 541 Sw.) wordt uitgebreid tot alle procedures inzake overheidsopdrachten en concessies. Hiermee wordt een antwoord geboden op de rechtspraak die de onderhandelingsprocedure uitsloot van het toepassingsgebied van artikel 314 Sw. 1867.78
I. Titel 8. Misdrijven tegen de Staat en zijn functioneren
94. Kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag - Tijdens de parlementaire debatten ging binnen titel 8 vooral veel aandacht naar artikel 547 Sw. met betrekking tot de kwaadwillige aantasting van het overheidsgezag, zijnde «het met kwaad opzet en in het openbaar aantasten van de bindende kracht van de wet of van de rechten of het gezag van de grondwettelijke instellingen en dit door het rechtstreeks aanzetten om een wet niet na te komen waardoor er een ernstige en reële bedreiging van de nationale veiligheid, de openbare volksgezondheid of de goede zeden is». Dit artikel herneemt bestaande strafbaarstellingen uit de artikelen 2 en 3 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers en artikel 268 Sw. 1867, maar beperkt het toepassingsgebied ervan aanzienlijk.79 Het hangend vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof80 tegen dit artikel zal moeten uitwijzen of de ingevoerde beperkingen ver genoeg gaan.
95. Misdrijven tegen de monarchie - In vergelijking met de huidige wetgeving valt vooral op dat het toepassingsgebied van deze bepalingen aanzienlijk wordt gereduceerd tot de koning en de troonopvolger, hun echtgenoten en waarnemers van de koninklijke functie (doelend op de regent of de ministers die in de in de Grondwet bepaalde gevallen de koninklijke functie uitoefenen). Majesteitschennis doet opnieuw zijn intrede in het strafrecht (art. 561 Sw.), maar om tegemoet te komen aan het arrest van het Grondwettelijk Hof81 omtrent de wet van 6 april 1847 tot bestraffing van de beledigingen aan den Koning werd de inhoud van deze bepaling integraal gebaseerd op die inzake smaad, zowel wat betreft de omschrijving van de strafbare gedraging als wat betreft de strafmaat.82
96. Misdrijven tegen de landsverdediging en de essentiële belangen van België - De misdrijven tegen de landsverdediging in het huidige Strafwetboek worden gekenmerkt door zeer hoge strafmaten, geïnspireerd door de context waarin veel van deze bepalingen tot stand kwamen. Het nieuw Strafwetboek tracht de verhouding in bestraffing met andere misdrijven opnieuw te herstellen.83 De burgerlijke maatregel van de vervallenverklaring van de rechten uit de artikelen 123sexies tot 123nonies Sw. 1867 wordt afgeschaft.84
97. Misdrijven tegen de internationale betrekkingen - Het hoofdstuk met de misdrijven tegen de internationale betrekkingen integreert voornamelijk een aantal bijzondere strafwetten in het Strafwetboek, maar voegt ook een nieuwe strafbaarstelling in van brandstichting, vernieling door ontploffing of overstroming en vandalisme aan diplomatieke of consulaire infrastructuur (art. 620 Sw.) om tegemoet te komen aan het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, met inbegrip van diplomaten.85
98. Misdrijven tegen de rechtsbedeling - Met betrekking tot de valse getuigenis (art. 646 Sw.) werd het toepassingsgebied uitgebreid tot getuigenissen onder eed voor de onderzoeksrechter.86 Er wordt voor de valse getuigenis, valse verklaring en meineed ook voorzien in een uitdrukkelijke regeling omtrent het intrekken van een dergelijke getuigenis (art. 650 Sw.).
De strafbaarstellingen uit het Wetboek van Strafvordering die het niet-naleven van een plicht tot medewerking aan bepaalde onderzoeksmaatregelen sanctioneren, werden samengebracht in artikel 655 Sw.
Naar Nederlands voorbeeld87 werd een nieuw misdrijf «verberging van bewijs» geïntroduceerd dat betrekking heeft op het, met het oogmerk om een door een derde gepleegd misdrijf te verdoezelen of de opsporing, vervolging of bestraffing ervan te beletten of te bemoeilijken, vernietigen, verbergen of aan het onderzoek onttrekken van (1°) voorwerpen waarop of waarmee het misdrijf is gepleegd of van andere sporen van het misdrijf en (2°) voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (art. 659 Sw.).
Hoger werd al een aantal keer verwezen naar de nieuwe strafbaarstelling van de niet-naleving van een straf bestaande uit een verbod (art. 686 Sw.). Onder deze noemer is strafbaar: het opzettelijk overtreden van het verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen, het beroepsverbod, het verval van het recht tot sturen, het verblijfs-, plaats- of contactverbod en de sluiting van de inrichting, telkens in zoverre het gaat om een dergelijke straf zoals geregeld door het Strafwetboek.88 Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2 en kan aldus aanleiding geven tot voorlopige hechtenis.
IX. Besluit
99. Het nieuw Strafwetboek moet in belangrijke mate worden gezien in een geest van continuïteit met het huidige Strafwetboek. Veel concepten behouden hun actuele invulling, maar de wettelijke verankering wordt verbeterd door herschrijving van bepalingen en codificatie van evoluties in de rechtspraak.89 Op andere vlakken werd wel grondig geïnnoveerd. Dit is zonder twijfel het meest opvallend op het vlak van de straftoemeting, waar de systematiek herdacht werd in functie van het werken met strafniveaus en verruiming van de mogelijkheden voor de strafrechter om te straffen op maat.
Nu moeten de nieuwe bepalingen hun weg vinden naar de rechtspraktijk, wat onvermijdelijk een grote impact zal hebben in de periode waarin nog feiten gepleegd onder het oude recht worden behandeld, door de noodzaak zich vertrouwd te maken met de nieuwe regels en de toepassing van de principes van de werking in de tijd90 van nieuwe strafwetten. De uitgebreide memorie van toelichting zal daarbij in veel gevallen een belangrijke steun kunnen bieden. Tenzij nieuwe concepten werden uitgewerkt, is deze in belangrijke mate geformuleerd vanuit een focus op wat verandert in vergelijking met het thans nog van toepassing zijnde recht (zeker wat Boek II betreft). Dit moet het makkelijker maken voor eenieder om de vernieuwingen in te passen in zijn bestaande referentiekader en de vergelijking te maken tussen het oude en het nieuwe recht.
Het wetgevend hervormingstraject is met het nieuw Strafwetboek nog niet ten einde. Een wetsontwerp met een aantal technische aanpassingen ligt bij de Raad van State, ontwerpen om de strafprocedure, bijzondere strafwetten en de strafuitvoering aan te passen aan de nieuwe systematiek liggen ter bespreking voor bij de regering met oog op inwerkintreding op 8 april 2026. Ook voor deze ontwerpen is het uitgangspunt continuïteit met de bestaande regels; ze bevatten dus geen grote wijzigingen in vergelijking met het huidige recht, maar passen de bepalingen aan op basis van de innovaties uit het nieuw Strafwetboek, zoals de indeling in strafniveaus of het afschaffen van het onderscheid tussen misdaden en wanbedrijven. Het valt te hopen dat regering en parlement hier de nodige vaart achter zetten, zodat de actoren op het terrein zich ook daarmee nog tijdig vertrouwd kunnen maken.
1 «Het Nieuwe is verborgen in het Oude, het Oude wordt onthuld in het Nieuwe», Augustinus van Hippo.
2 Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-23, 23 mei 2023, nr. 55-3374/001 en 55-3375/001, 126.
3 Cass. 10 september 2024, AR nr. P.24.0641.N, T.Straf. 2025, 87, noot Hoet P.; Cass. 13 december 2022, AR nr. P.22.1193.N;; Cass. 14 juni 2022, AR nr. P.22.0240.N, RABG 2022, 1342, noot; Cass. 16 maart 2021, AR nr. P.20.1123.N, NC 2022, 117, noot Rozie J. Het Hof van Cassatie laat evenwel nog ruimte voor andere strafdoelstellingen (Cass. 20 december 2022, AR nr. P.22.0514.N, T.Strafr. 2023, 48, noot; Cass. 28 juni 2022, AR nr. P.21.1449.N, NC 2022, 486, noot, T.Straf. 2023, 94, noot Deleersnyder E.; Cass. 21 december 2021, AR nr. P.21.0858.N, NC 2022, 133, concl. De Smet B.). Dergelijke rechtspraak lijkt niet stand te kunnen houden na de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek.
4 Wet van 18 juli 2025 houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft, BS 4 augustus 2025.
5 Zie De Herdt J., «De Noodwet overbevolking in de gevangenissen en de straftoemeting: de toekomst begint nu, maar nog (lang) niet helemaal», NC 2025, 71-75, nr. 2-10.
6 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 127-128.
7 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 132-133.
8 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 147-148.
9 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 147.
10 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 149.
11 Zie in dit verband De Herdt J., Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia, 2014, 806-816.
12 De strafverminderende verschoningsgrond zal per definitie enkel kunnen worden toegepast in de hypothesen van uithandengeving en de automatische bevoegdheid van de politierechtbank ten aanzien van de minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt in het kader van het wegverkeerscontentieux.
13 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 150-151.
14 Momenteel is een vernietigingsberoep tegen de bepaling inzake herhaling hangend bij het Grondwettelijk Hof, Zaak met rolnummer 8328, https://www.const-court.be/nl/judgments/pending-cases.
15 In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 12, 1°) wordt dit vervangen door: «voorwaardelijke invrijheidsstelling, voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht».
16 In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 12, 2°) wordt nu ook in een strafverhoging voor rechtspersonen voorzien in dit geval. Voor rechtspersonen wordt de minimumgeldboete op 2.080.000 euro gebracht.
17 Al kan ook worden gesteld dat de nieuwe regel inzake meerdaadse samenloop (behoudens de mogelijkheid tot strafverzwaring binnen bepaalde niveaus en cumul van de bijkomende straffen) in belangrijke mate gelijkt op die welke thans geldt voor de voortgezette of collectieve misdrijven uit artikel 65 Sw. 1867 I.v.m. de huidige beperkingen inzake bijkomende straffen die niet verbonden zijn aan het zwaarste misdrijf, zie bv.: Cass. 5 januari 2021, AR nr. P.20.1095.N; Cass. 23 maart 2021, AR nr. P.20.1189.N.
18 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 248.
19 In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 13, 2°) wordt dit geëxpliciteerd door toe te voegen: «In geen geval mag de opgelegde straf hoger zijn dan het maximale cumulatieve straftotaal dat bij een niet-gelijktijdige berechting kan worden opgelegd.».
20 Met dezelfde beperkingen als aangehaald onder het vorige randnummer.
21 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 249.
22 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 250.
23 Zie over deze problematiek MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 255-257.
24 In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 14) wordt dit vervangen als volgt: «1° indien bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing wordt vastgesteld dat een nieuw misdrijf, gepleegd tijdens de proeftijd, een hoofdgevangenisstraf tot gevolg heeft gehad in het geval van een natuurlijke persoon, of een geldboete van meer dan 20.000 euro in het geval van een rechtspersoon». De vermelding in verband met verkeersinbreuken wordt aangevuld met een verwijzing naar de artikelen 107, 107/1 en 218 van het Strafwetboek, zijnde de strafbaarstellingen in verband met onopzettelijke doding/integriteitsaantasting in het verkeer.
25 In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 15, 1°) wordt wel de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap, naar analogie met de werkstraf, toegevoegd aan de straffen waarvoor uitstel niet mogelijk is.
26 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 259.
27 In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 15, 2°) wordt ook een drempel voor rechtspersonen geïntroduceerd, die wordt bepaald op een geldboete van meer dan 180.000 euro zonder uitstel.
28 In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 15, 3°) wordt ook een drempel voor rechtspersonen geïntroduceerd, die wordt bepaald op een geldboete van ten hoogste 180.000 euro zonder uitstel.
29 In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 15, 4°) wordt nog een bijkomende facultatieve herroepingsgrond ingevoegd met betrekking tot verkeersinbreuken, vergelijkbaar met die voor de herroeping van de opschorting.
30 MvT bij wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 263.
31 Onder het Strafwetboek van 1867 was nog geen sprake van een verplichting (zie Cass. 12 maart 2024, AR nr. P.23.1723.N).
32 Zie De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., «Het nieuwe Strafwetboek (4) - De strafniveaus en de nieuwigheden inzake de straffen», NC 2024, 403, nr. 56.
33 Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de kritiek op de rechtspraak van het Hof van Cassatie waarin werd geoordeeld dat wanneer definitief beslist is over de verbeurdverklaring door een beslissing tot verbeurdverklaring bij equivalent van de vermogensvoordelen afkomstig uit de bewezen verklaarde feiten, zonder dat dit bedrag was toegewezen aan de burgerlijke partij, het hof van beroep dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen in toepassing van artikel 4 V.T.Sv. niet bevoegd is om die beslissing ter discussie te stellen (Cass. 20 maart 2019, AR nr. P.17.0730.F, Pas. 2019, nr. 168, concl. Vandermeersch D., RPDC 2020, 1239, noot Kuty F. Zie ook Cass. 10 juni 2014, AR nr. P.14.0280.N, Arr.Cass. 2014, 1439, nr. 412, NC 2014, 500, noot Huybrechts L.; Cass. 13 december 2016, AR nr. P.15.1117.N, RW 2017-18, 415; Cass. 12 juni 2012, AR nr. P.11.2036.N, NC 2012, 318, noot Rozie J.). Zie uitgebreider: Kuty F., «Une jurisprudence discutable, potentiellement source d’une violation des principes d’égalité et de non-discrimination et de l’article 1er du Premier Protocole additionnel à la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales», RDPC 2020, 1245 (noot onder een arrest in andere zin van het Hof van Cassatie: Cass. 20 maart 2019, AR nr. P.17.0730.F); Verheylesonne A. en Fernandez-Bertier M., «Confiscation spéciale et restitution visant le même objet: plaidoyer pour un décumul de principe», Dr.pén.entr. 2020, 252; Huybrechts L., «Is bij facultatieve verbeurdverklaring van criminele vermogens de teruggave of toewijzing ervan aan de burgerlijke partij ook facultatief? (noot onder Cass. 10 juni 2014)», NC 2014, 503-504.
34 MvT bij wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 264.
35 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 266.
36 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 279.
37 MvT bij wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 281.
38 Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 13-14.
39 Zie ook het hoger onder voetnoot 18 aangehaalde overzicht.
40 Wet van 21 maart 2022 houdende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht, BS 30 maart 2022.
41 Aangenomen te Den Haag op 26 maart 1999, BS 3 januari 2011. Zie ook Wet van 2 juni 2024 houdende instemming met de wijzigingen in artikel 8-2- b) en e) van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, op 14 december 2017 bij consensus aangenomen, bij Resolutie ICC-ASP/16/Res.4, tijdens de 12e plenaire zitting van de 16e sessie van de Vergadering van Staten die Partij zijn bij het Statuut van Rome, en met de wijziging in artikel 8-2- e) van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, op 6 december 2019 bij consensus aangenomen, bij Resolutie ICC-ASP/18/Res.5, tijdens de 9e plenaire zitting van de 18e sessie van de Vergadering van Staten die Partij zijn bij het Statuut van Rome, BS 28 augustus 2024.
42 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 90.
43 Dit lijkt een foutieve vertaling te zijn, aangezien in art. 83 Sw. terecht sprake is van «misdaden tegen de mensheid». In artikel 19 van het voorontwerp van reparatiewet wordt dit rechtgezet.
44 In uitvoering van de ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 december 2006, BS 30 juni 2011.
45 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 94.
46 Zie uitgebreider: Born C., De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., «Ecocide als misdaad van internationaal recht in het nieuwe Strafwetboek?», RW 2022-23, afl. 8, 283-297; Havet B. en Thonet F., «Les modifications législatives fédérales récentes et l’environnement: révolution ou greenwashing?», Dr.pén.entr. 2025, afl. 2, 167-183.
47 Hoogleraar internationaal recht aan University College London, voorzitter van een groep vooraanstaande juristen, die op verzoek van de Stop Ecocide Foudation een amendement op het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof voorbereidde om ecocide als volwaardige misdaad van internationaal recht op te nemen (te raadplegen op https://www.stopecocide.earth/legal-definition).
48 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 102.
49 Zie Rozie J., «Zelfdoding en strafrecht: het taboe doorbroken», RW 2013-14, 291, nr. 31 en verwijzing aldaar.
50 Verslag namens de onderzoekscommissie met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarige, KAMER, 1996-1997, 28 april 1997, nr. 313/8, 225.
51 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 145.
52 Cf. art. 1, § 1 Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, BS 28 oktober 1999. Dit gebrek aan overeenstemming werd reeds herhaaldelijk bekritiseerd door het VN-Comité tegen foltering (Observations finales concernant le troisième rapport périodique de la Belgique (2014), CAT/C/BEL/CO/3, § 8; Observations finales du Comité contre la torture: Belgique (2009), CAT/C/BEL/CO/2, § 14) en het VN-Mensenrechtencomité (Liste de points établie avant la soumission du sixième rapport périodique de la Belgique, CCPR/C/BEL/QPR/6, § 13).
53 Wet van 21 maart 2022 houdende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht, BS 30 maart 2022.
54 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 161-166.
55 Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en van materiaal van seksueel misbruik van kinderen, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad, EUROPESE COMMISSIE, 6 februari 2024, COM(2024) 60 final. Hierin is sprake van «alle materiaal, ongeacht de vorm ervan, dat bedoeld is om advies, richtsnoeren of instructies te geven over hoe kinderen seksueel kunnen worden misbruikt of uitgebuit of over hoe kinderen kunnen worden benaderd».
56 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 167.
57 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 187-188. Voor het begrip «integriteitsaantasting van de derde graad: zie randnr. 71.
58 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 195.
59 Zoals thans voortvloeit uit de cassatierechtspraak, bv. Cass. 29 oktober 2013, AR nr. P.13.1270.N, Arr.Cass. 2013, nr. 563.
60 Het gaat om strafbaarstellingen uit de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen. Ook de zgn. «seksismewet» (wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen) werd mee geïntegreerd.
61 Strafbaarstelling uit de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd.
62 In de teksten van de Commissie tot hervorming van het strafrecht was sprake van een algemeen opzet. Zie Rozie J., Vandermeersch D. en De Herdt J. m.m.v. Debauche M. en Taeymans M., Naar een nieuw Strafwetboek: Het voorstel van de Commissie tot hervorming van het strafrecht, die Keure, 2019, 59-60 en 304-305.
63 Zie supra, randnummer 8.
64 Artikelen 35-42.
65 Huidig artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
66 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 223.
67 Ondertekend te New York op 25 mei 2000, BS 27 maart 2006.
68 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 231.
69 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 266.
70 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 265-266.
71 J.C., «La protection de l’être humain post mortem», RDPC 2004, 1064; Delannay A., «Les homicides et lesions corporelles volontaires», in Les infractions: Volume 2. Les infractions contre les personnes, Larcier, 2010, 160; Rozie J., «Grafschennis ruim bekeken», T.Strafr. 2000, 17; Vansweevelt T., «Het juridisch statuut van het lijk» in Vansweevelt T. en Dewallens F. (eds.), Handboek Gezondheidsrecht: volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk, Intersentia, 2014, 1562.
72 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 300.
73 «Verheerlijken van terrorisme is het in het openbaar ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van een van de in de artikelen 371 en 382 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 371, § 3, 6°, bedoelde misdrijf, wanneer dit gedrag een ernstig en reëel gevaar oplevert dat een of meer van deze misdrijven mogelijk worden gepleegd en het gedrag met dat oogmerk werd gepleegd.».
74 Cass. 14 september 2011, AR nr. P.11.1040.F, Arr.Cass. 2011, nr. 468. In dit arrest werd aangenomen dat twee personen kunnen volstaan voor de vereniging van misdadigers.
75 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 451.
76 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 455.
77 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 605.
78 Cass. 5 november 2024, AR nr. P.23.0980.N, T. Strafr. 2025, 41; Cass. 9 maart 2016, AR nr. P.16.0103.F, Arr.Cass. 2016, nr. 169; GwH 11 maart 2021, nr. 42/2021.
79 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 531. Verdere beperkingen werden ingevoerd via amendement nr. 75 van mevrouw Gabriëls c.s., KAMER, 2023-2024, 23 januari 2024, nr. 55-3518/009, 2.
80 Zaak met rolnummer 8339, BS 30 oktober 2024.
81 GwH 28 oktober 2021, nr. 157/2021.
82 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 544-545.
83 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 548.
84 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 548.
85 Gedaan te New York op 14 december 1973, BS 18 juni 2004.
86 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 611.
87 Art. 189 Sr.
88 De straf heeft dus bv. geen betrekking op het niet-naleven van het verval van het recht tot sturen uit de Wegverkeerswet.
89 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 6.
90 Zie hieromtrent: De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., Boek I van het nieuwe Strafwetboek: De nieuwe regels van het algemeen strafrecht toegelicht, die Keure, 2024, 401-415. Dit werd aangevuld in De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., «Het nieuwe Strafwetboek (6) - Overige bepalingen van Boek I, overgangsrecht en werking in de tijd van het nieuwe Strafwetboek», NC 2025, afl. 4, 175-183.