Hoe nieuw is het nieuw Strafwetboek? Een overzicht van de voornaamste wijzigingen in Boek I en II Sw. - deel 1
Jeroen De Herdt
Raadsheer in het Hof van Beroep te Antwerpen
Postdoctoraal navorser onderzoeksgroep Rechtshandhaving Universiteit Antwerpen
Lid Commissie tot hervorming van het strafrecht
Het nieuw Strafwetboek treedt op 8 april 2026 in werking. Deze bijdrage biedt de lezer een beschrijvend overzicht van de belangrijkste nieuwigheden die het wetboek brengt. Daarbij wordt voornamelijk gefocust op de wijzigingen in Boek I, gelet op het systemisch karakter van de wijzigingen en de grote impact. De wijzigingen in Boek II worden meer punctueel geschetst.
Novum in Vetere latet, Vetus in Novo patet1
Inleiding1
1. Wettelijke basis - In het Belgisch Staatsblad van 8 april 2024 verschenen twee wetten van 29 februari 2024 die samen een nieuw Strafwetboek invoeren in de Belgische rechtsorde.2 Met uitzondering van twee bepalingen3 treedt het nieuw Strafwetboek in werking twee jaar na publicatie, op 8 april 2026.4 Net als het Strafwetboek van 1867 bestaat het Strafwetboek van 2024 uit twee boeken, waarbij in Boek I de algemene regels van het strafrecht zijn opgenomen en in Boek II de gemeenrechtelijke misdrijven en hun straffen.
2. Totstandkoming - Het nieuw Strafwetboek kende een lange totstandkomingsgeschiedenis5, waarvan de eerste sporen teruggaan tot jaren ’70 van de vorige eeuw. Net als enkele andere recente successen in de hercodificatie van het Belgische recht, vindt het nieuw Strafwetboek zijn oorsprong in het «justitieplan» van toenmalig minister van Justitie Koen Geens van maart 2015.6
In dit plan werden een aantal uitgangspunten voor een toekomstige hervorming opgenomen, zoals het beperken van het strafrecht tot zijn kerntaak, het herleiden van de gevangenisstraf tot het ultimum remedium en de afschaffing van de korte gevangenisstraf. Bij ministerieel besluit van 30 oktober 2015 houdende oprichting van de Commissies tot hervorming van het strafrecht en van het strafprocesrecht7 werd de Commissie opgericht die een voorontwerp van nieuw Strafwetboek moest opstellen.8 De Commissie publiceerde haar ontwerpteksten met het oog op het stimuleren van het debat over de hervorming.9 Mede door de val van de regering-Michel10 en door de prioriteit die door de regering-De Croo werd gegeven aan de hervorming van het seksueel strafrecht11 duurde het tot 23 mei 2023 vooraleer het wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek werd ingediend in het parlement.12 Op 24 juli 2023 volgde het wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek.13 De twee wetsontwerpen werden aangenomen door de plenaire vergadering van de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 22 februari 2024.
3. Opzet en uitgangspunten - De opzet van deze bijdrage is de lezer een beknopt overzicht te bieden van de belangrijkste wijzigingen in het nieuw Strafwetboek, zodat hij mee is met de nieuwe systematiek en uitgangspunten. Voor een diepgaandere en meer systematische analyse wordt naar andere publicaties verwezen.14 Gelet op deze opzet wordt hierna met «Sw.» verwezen naar het Strafwetboek van 29 februari 2024; naar het thans nog van kracht zijnde Strafwetboek van 1867 wordt verwezen met «Sw. 1867».
Bij de lectuur moet voor ogen worden gehouden dat de wetgever met het nieuw Strafwetboek geen tabula rasa heeft willen maken, maar op vele plaatsen gekozen heeft voor het behoud van bestaande en ingeburgerde concepten, zij het in een beter geformuleerde en gestructureerde tekst waarbij verworvenheden uit de rechtspraak ook werden gecodificeerd.15 Op andere plekken werden wel meer en minder ingrijpende hervormingen doorgevoerd, met als doelstelling het Strafwetboek meer accuraat, coherent en eenvoudig te maken.16 In dit kader werd ook de structuur van het wetboek herdacht, waarbij Boek I werd opgebouwd rond de basisbegrippen van het strafrecht en in grote lijnen de redenering volgt die de strafrechter maakt door zijn besluitvormingsproces heen. In Boek II werden de misdrijven herschikt op basis van het aangetaste belang of rechtsgoed, de omvang van de door het misdrijf veroorzaakte schade en de mate van schuld in hoofde van de dader.17 Binnen de nieuwe structuur werden ook een aantal complementaire en bijzondere strafwetten mee in het wetboek geïntegreerd.18 Vanuit die optiek en om de lezer richting te geven bij de ontdekking van het nieuwe wetboek, wordt deze structuur binnen deze bijdrage verder gevolgd.
I. Regels omtrent de strafwet (art. 1-4 Sw).
4. Werking in de tijd - Na een eerste artikel omtrent het legaliteitsbeginsel regelt artikel 2 Sw. de toepassing van de strafwet in de tijd. Het artikel bevestigt het principe van de niet-retroactiviteit van de strafwet, onder het voorbehoud van de retroactieve toepassing van de mildere strafwetten (de lex mitior), zoals dat voortvloeit uit onder meer artikel 7 EVRM, artikel 15 BUPO-Verdrag en artikel 49 EU-Handvest. Het artikel innoveert wel door een nieuwe regel naar voren te schuiven om te bepalen welke straf de zwaarste is, die op verschillende punten breekt met de klassieke benadering door het Hof van Cassatie. Zo oordeelt het Hof traditioneel dat zodra op basis van de relatieve zwaarte van de hoofdgevangenisstraffen bepaald is welk van beide in de vergelijking betrokken wettelijke stelsels (wat de strafmaat betreft) het meest gunstig is voor de beklaagde, de strafbepalingen van dit laatste stelsel integraal en in al hun onderdelen moeten worden toegepast, ongeacht de omstandigheid dat bepaalde van die onderdelen, afzonderlijk beschouwd, minder gunstig zijn voor de beklaagde of nog niet bij de wet bepaald waren voordat het misdrijf werd gepleegd.19 Dit principe wordt verlaten doordat de rechter voortaan straf per straf zal moeten bepalen welke de zwaarste is; de bijkomende straffen volgen dus niet langer meer automatisch het regime van de zwaarste hoofdstraf, maar de meest gunstige elementen worden gecombineerd (het zgn. «panacheren»). Ook moet de relatieve zwaarte van de straf niet langer volgens vaste, abstracte regels worden bepaald, maar moet de beoordeling in concreto gebeuren. Hiermee wordt meer aansluiting gezocht bij het de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in deze materie.20 Zo zal in de toekomst bv. een werkstraf in een concreet geval dus kunnen worden beschouwd als een lichtere straf dan een geldboete, bijvoorbeeld wanneer de beklaagde het financieel moeilijk heeft en zelf verzoekt om een werkstraf in de plaats van een geldboete.
5. Werking in de ruimte - Artikel 3 Sw. bevestigt het uitgangspunt van het territorialiteitsbeginsel inzake toepassing van de strafwet in de ruimte en codificeert de ubiquiteitstheorie21. De bepalingen inzake de extraterritoriale toepassing van de strafwet blijven behouden in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.22
6. Interpretatie - In artikel 4 Sw. worden voor het eerst een aantal wettelijke richtlijnen gegeven over de interpretatie van de strafwet. Als uitgangspunt wordt de strikte interpretatie van de strafwet naar voren geschoven, waarbij conform de geldende cassatierechtspraak de restrictieve uitlegging van een strafwet alleen moet worden toegepast wanneer de rechter twijfelt over de draagwijdte ervan; als hij niet twijfelt, moet hij ervoor zorgen dat de wet volledige uitwerking heeft.23 Daarna volgt de regel van het verbod op analoge interpretatie in het nadeel van de vervolgde persoon alsook de codificatie van de cassatierechtspraak24 over de evolutieve interpretatie van de strafwet, die het mogelijk maakt de strafwet toe te passen op feiten die de wetgever volstrekt onmogelijk kon voorzien ten tijde van de afkondiging van de wet, op voorwaarde dat de wil van de wetgever om dat soort feiten tot misdrijf te maken, zeker is en de feiten onder de wettelijke omschrijving van het misdrijf kunnen vallen.25
II. Regels omtrent het misdrijf (art. 5-15 Sw).
A. Structuur van het misdrijf
7. Bestanddelen van het misdrijf - Met betrekking tot het misdrijf omschrijft het Strafwetboek voortaan op algemene wijze wat de constitutieve bestanddelen van een misdrijf zijn en hoe ze zich tot elkaar verhouden. Artikel 5 Sw. bepaalt dat er slechts een misdrijf is indien een materieel bestanddeel en een moreel bestanddeel aanwezig zijn. Wanneer die bestanddelen vervuld zijn, wordt de gedraging geacht wederrechtelijk te zijn. De wederrechtelijkheid is dus het derde bestanddeel dat voor elk misdrijf wordt vereist.
8. Moreel bestanddeel - Nieuw is de omschrijving van het moreel bestanddeel in artikel 7 Sw. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen vier categorieën van misdrijven: reglementaire misdrijven, onopzettelijke misdrijven, opzettelijke misdrijven die een algemeen opzet vereisen en opzettelijke misdrijven die een bijzonder opzet vereisen. Om er geen twijfel over te laten bestaan tot welk van de vier categorieën een misdrijf behoort, werden in de memorie van toelichting een aantal richtlijnen vooropgesteld omtrent de formulering van strafbaarstellingen, die werden toegepast bij de totstandkoming van Boek II en een houvast bieden voor de wetgever bij het toekomstige wetgevend werk.26
De vier categorieën hebben als gemeenschappelijke basis dat voor alle misdrijven vereist is dat de betrokkene in staat is bewust en uit vrije wil te handelen (art. 7, § 1 Sw.). De dader wordt vermoed bewust en uit vrije wil te handelen zolang deze het bestaan van een schuldontheffingsgrond (onweerstaanbare dwang en de onoverkomelijke dwaling, art. 21-23 Sw.) niet aannemelijk maakt. Voor de reglementaire misdrijven is dit de enige vereiste die wordt gesteld aan het moreel bestanddeel; het gaat om misdrijven die in tal van bijzondere wetten zijn opgenomen louter om de naleving van deze wet te verzekeren onder alle omstandigheden, zonder dat het relevant is of de overtreding van de norm opzettelijk of onopzettelijk gebeurde. Zo vallen bv. veel verkeersinbreuken onder deze categorie. Aangezien de enige vereiste die wordt gesteld, een vereiste is die voor alle misdrijven geldt, moet de wetgever niets bijzonder vermelden in de misdrijfomschrijving om een misdrijf tot deze categorie te laten behoren.
De tweede categorie betreft de opzettelijke misdrijven die een algemeen opzet vereisen. Het algemeen opzet wordt voortaan omschreven als: «het voornemen om met kennis van zaken het door de wet strafbaar gestelde gedrag aan te nemen». Wat betreft de vereiste kennis wordt in de wet verder gepreciseerd dat er sprake is van het met kennis van zaken aannemen van het gedrag «indien een persoon zich er bewust van is dat een omstandigheid bestaat of kan bestaan in de normale gang van zaken of dat een gevolg zich zal voordoen of zou kunnen voordoen binnen het normale verloop van de gebeurtenissen». Deze omschrijving is gebaseerd op artikel 30 van het Statuut van Rome van het Internationaal Gerechtshof dat het «psychologisch element» omschrijft en vervangt het klassieke «wetens en willens», dat politiek gevoelig lag door de verschillende interpretaties die aan deze termen werden gegeven. Inhoudelijk herneemt het de facto de bestaande invulling van het algemeen opzet maar incorporeert het tegelijk situaties die onder het huidige Strafwetboek via de bediscussieerde notie van het «eventueel opzet» werden benaderd.27 Wanneer voor een misdrijf algemeen opzet is vereist, is in het nieuw Strafwetboek steeds het woord «opzettelijk» opgenomen in de strafbaarstelling.
Voor de categorie van de opzettelijke misdrijven die met bijzonder opzet moeten worden gepleegd, moet, boven op de vereisten gesteld aan misdrijven waarvoor een algemeen opzet noodzakelijk is, nog bijkomend worden aangetoond dat de dader heeft gehandeld «uit het voornemen om het door de wet bepaalde resultaat te bereiken of uit een door de wet bepaalde bijzondere geestesgesteldheid bij de dader». Wat dit specifieke voornemen moet zijn of vanuit welke bijzondere geestesgesteldheid de dader moet handelen, wordt voor het misdrijf individueel bepaald.
De voor de praktijk veruit belangrijkste wijziging doet zich evenwel voor in de categorie van de onopzettelijke misdrijven, waar voortaan geldt dat een «zware fout» wordt vereist, wat impliceert dat de dader handelde vanuit een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid (art. 7, § 3, Sw.). In vergelijking met het Strafwetboek van 1867, waar de lichtste fout volstond28, wordt de drempel voor de strafbaarheid dus aanzienlijk opgetrokken. Vanuit de filosofie dat het strafrecht het ultimum remedium moet zijn en de lichtste onoplettendheid niet steeds aanleiding moet geven tot een strafrechtelijke veroordeling, werd het toepassingsgebied van onachtzaamheidsmisdrijven op deze manier beperkt. Het slachtoffer van een dergelijke lichte fout kan via de burgerlijke rechter nog steeds vergoeding krijgen;29 in bepaalde gevallen zijn daarnaast andere sanctiemechanismen zoals het tuchtrecht meer gepast. Deze keuze benadeelt het slachtoffer niet, aangezien ook in de toekomst nog een strafonderzoek naar dergelijke feiten zal kunnen worden gevoerd, al was het maar om te bepalen of het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid al dan niet ernstig was. Daarenboven ligt de bewijslast voor het slachtoffer lager in burgerlijke zaken, waar een redelijke mate van zekerheid volstaat (art. 8.5 BW), dan in strafzaken waar elke redelijke twijfel in het voordeel van de beklaagde moet werken.30 Om te bepalen of er sprake is van een zware (strafbare) dan wel een lichte (niet strafbare) fout, worden in de memorie van toelichting verschillende criteria naar voren geschoven. Het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid wordt beschouwd als ernstig wanneer de fout dermate buitensporig is dat niet kan worden begrepen dat een redelijk en voorzichtig persoon ze begaat. De rechter houdt daarbij onder meer rekening met de leeftijd en deskundigheid van de dader, het roekeloos karakter van de fout, het aantal fouten en de voorzienbaarheid van de in de strafbaarstelling vermelde gevolgen. Zo zal de herhaalde lichte fout beschouwd kunnen worden als een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid.31 De zwaarte van de fout zal afhangen van de regels die in de betrokken sector gebruikelijk zijn (bijvoorbeeld de medische sector), maar eveneens van de werkelijke mogelijkheden van de beklaagde: eenzelfde gedrag zal blijkbaar beschouwd kunnen worden als een lichte fout voor de ene en als een zware fout voor de andere, naargelang van de persoonlijke omstandigheden van de beklaagde.32 Bijgevolg is er een einde gemaakt aan de eenheid van de burgerrechtelijke en strafrechtelijke fout.33 Indien de beklaagde strafrechtelijk wordt vrijgesproken omdat er in zijnen hoofde geen sprake was van een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, behoudt het slachtoffer aldus de mogelijkheid om bij de burgerlijke rechter een schadevergoeding te vragen op basis van een lichte fout (cf. art. 23, in fine Ger.W.).
9. Wederrechtelijkheid - Het derde en laatste constitutief bestanddeel van het misdrijf is de wederrechtelijkheid. Een gedraging wordt vermoed wederrechtelijk te zijn indien aan de vereisten van het moreel en materieel bestanddeel is voldaan. Dit vermoeden wordt weerlegd wanneer de verdediging het bestaan van een rechtvaardigingsgrond aannemelijk maakt.
10. Verzwarend bestanddeel - Nieuw is ook dat aan een misdrijf een verzwarend bestanddeel kan worden toegevoegd (waardoor het als een «verzwaard misdrijf» wordt omschreven). Deze nieuwe term komt voort uit het schrappen van de notie «verzwarende omstandigheid». In het Strafwetboek van 1867 was het aantal verzwarende omstandigheden bijzonder groot geworden en de effecten ervan waren ook zeer divers; cumulatie van verzwarende omstandigheden maakte het soms moeilijk om te bepalen wat nu de concrete minimum- en maximumstraf was. Met het oog op vereenvoudiging maakt het nieuw Strafwetboek voortaan een onderscheid tussen verzwarende bestanddelen (art. 8 Sw.) en verzwarende factoren (art. 28 Sw.). Verzwarende bestanddelen maken deel uit van de kwalificatie van het misdrijf, ze komen boven op een basismisdrijf en zorgen ervoor dat het misdrijf wordt bestraft met een straf van een hoger niveau dan het basismisdrijf. Een verzwarende factor, daarentegen, maakt geen deel uit van de kwalificatie van het misdrijf en heeft geen impact op het toepasselijke strafniveau; het zijn louter factoren die de rechter in overweging moet nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarste ervan kiest binnen het toepasselijke strafniveau (cf. het huidige art. 78bis Sw. 1867).34
B. Nog maar één soort misdrijf
11. Eén type misdrijf - Waar het Strafwetboek van 1867 nog volledig was opgehangen aan het onderscheid tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen, is er in het nieuw Strafwetboek alleen nog maar sprake van «misdrijven». Op deze manier wordt ook een einde gemaakt aan het artificiële mechanisme van correctionalisering (en contraventionalisering), dat maakte dat de aard van het misdrijf kon wijzigen, met ook een grote impact op de strafmaat. Het systematisch toepassen van dit mechanisme maakt dat dit mechanisme het strafrecht enkel nodeloos ingewikkeld maakt. Deze afschaffing van de correctionalisering heeft niet voor gevolg dat de strafvermindering die er het gevolg van is, de facto ook zou verdwijnen: bij het bepalen van de straffen in Boek II35 en voor de formulering van het conversiemechanisme van bijzondere strafwetten die niet zijn aangepast aan de indeling in strafniveaus (art. 78 Sw.),36 werd in principe uitgegaan van de straf zoals die vandaag geldt na correctionalisering.
12. Bevoegdheid rechtscolleges - Aangezien de bevoegdheid van het hof van assisen ook samenhangt met de notie «misdaad», moest ook op dat vlak worden ingegrepen. Artikel 10 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek37 wijzigt hiertoe artikel 216novies Sv. Waar de huidige tekst van deze bepaling inhoudt dat het hof van assisen kennis neemt van misdaden behalve indien ze werden gecorrectionaliseerd, zal deze bepaling vanaf 8 april 2026 het begrip «criminele zaken» uit artikel 150 van de Grondwet invullen aan de hand van een limitatieve lijst van misdrijven. Tot de bevoegdheid van het hof van assisen zullen nog behoren: de zaken met betrekking tot de misdrijven waarop een straf van niveau 8 is gesteld, de verschillende vormen van doodslag (artikel 96-100 Sw.), foltering met de dood tot gevolg, aantasting van de seksuele integriteit en verkrachting met de dood tot gevolg en de gijzeling met de dood tot gevolg.
Voor wat betreft de bevoegdheid van de correctionele rechtbank en de politierechtbank heeft de wetgever nog geen uitdrukkelijke regeling opgenomen. In het voorontwerp van wet dat thans ter bespreking voorligt met als doel de strafprocedure aan te passen aan het nieuw Strafwetboek, blijven de politierechtbanken bevoegd voor hun uitdrukkelijk toegewezen misdrijven (de lijst uit art. 138 Sv.) en wordt de correctionele rechtbank bevoegd voor alle niet uitdrukkelijk aan het hof van assisen of de politierechtbank toegewezen misdrijven.
C. De poging
13. Toepassingsgebied - Aangezien de regels inzake de poging in het huidige Strafwetboek samenhangen met het onderscheid tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen, moest op zoek worden gegaan naar een nieuw aanknopingspunt. In het nieuw Strafwetboek wordt het al dan niet strafbare karakter van de poging voortaan gekoppeld aan het morele bestanddeel van het misdrijf, in die zin dat de poging strafbaar wordt gesteld voor alle opzettelijke misdrijven (art. 9, § 1, derde lid, Sw.). Dit zorgt er in de praktijk voor dat voor een aantal actuele wanbedrijven de poging strafbaar wordt waar dat vandaag nog niet het geval is, zoals bv. gewelddaden (de opvolger van o.a. opzettelijke slagen of verwondingen, art. 193 e.v. Sw.) of misbruik van vertrouwen (art. 475 Sw.).
14. Vrijwillige terugtred - Een tweede aanpassing betreft het statuut dat de vrijwillige terugtred binnen de poging krijgt. De vrijwillige terugtred is in het nieuw Strafwetboek niet langer een (negatief) constitutief bestanddeel van de strafbare poging, maar maakt voortaan een strafontheffende verschoningsgrond uit (art. 9, § 1, tweede lid, Sw.).38 Deze wijziging werd doorgevoerd met als bedoeling dat de vrijwillige terugtred van de dader niet langer automatisch zou doorwerken naar de deelnemers, maar het voorwerp uitmaakt van een aparte evaluatie per dader of deelnemer aan het misdrijf.39 Deze wijziging heeft ook impact op de verdeling van de bewijslast. Als strafontheffende verschoningsgrond is het aan de beklaagde of beschuldigde om het bestaan ervan aannemelijk te maken; wanneer dat het geval is, is het aan het Openbaar Ministerie en/of de burgerlijke partij om aan te tonen dat niet aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan.40 Dit terwijl het onder het huidige Strafwetboek aan het Openbaar Ministerie is om te bewijzen dat niet voldaan is aan de vereisten van de vrijwillige terugtred, aangezien het de opdracht is van het Openbaar Ministerie om te bewijzen dat aan alle constitutieve bestanddelen van de strafbare poging is voldaan.41
15. Bestraffing - Zoals alle regels die impact hebben op de straftoemeting in het nieuw Strafwetboek wordt ook voor de bestraffing van de poging gewerkt met strafniveaus. De poging wordt bestraft met een straf van één niveau lager dan die gesteld op het voltooide misdrijf (art. 9, § 1, vierde lid Sw.). Voor het laagste strafniveau, niveau 1, geldt dat de poging wordt bestraft met een straf van hetzelfde niveau als het voltooide misdrijf of, wanneer de wet voorziet in een bijkomende straf en de rechter oordeelt dat dit een gepaste straf is, met een bijkomende straf die wordt uitgesproken in plaats van de hoofdstraf (art. 9, § 1, vijfde lid Sw.).
16. Aanbod of voorstel - Artikel 9, § 2, Sw. stelt strafbaar het op vasthoudende en zekere wijze voorstellen, aanbieden of aanzetten om een misdrijf te plegen waarop in de wet een straf van niveau 5 of een hoger niveau is gesteld alsook het aanvaarden van dergelijk voorstel, aanbod of aanzetting, ook al zijn daar geen gedragingen op gevolgd die als een begin van uitvoering kunnen worden beschouwd.42 Vereist is wel dat het feit dat geen verder gevolg werd gegeven aan het voorstel, het aanbod of de aanzetting voortkomt uit omstandigheden onafhankelijk van de wil van de dader; indien men door zijn eigen wil ervoor heeft gezorgd dat het misdrijf niet werd gepleegd en er zelfs geen poging werd ondernomen, ontsnapt men aan bestraffing. Het gaat eigenlijk om een autonome strafbaarstelling van een gedraging die aan de strafbare poging voorafgaat bij gebrek aan begin van uitvoering.43 Indien er wel een begin van uitvoering is, moet het aanbieden, voorstellen of aanzetten tot het plegen van dergelijk misdrijf worden beschouwd als een vorm van strafbare deelneming (art. 19, 3°, Sw.).44 Deze bepaling vervangt de strafbaarstellingen uit de wetten van 7 juli 1875 tot bestraffing van het aanbod of het voorstel om bepaalde misdaden te plegen en van 25 maart 1891 houdende bestraffing van de aanzetting tot het plegen van misdaden of wanbedrijven.45
Deze gedraging wordt bestraft met een straf die twee niveaus lager ligt dan de straf gesteld op het voltooide misdrijf.
D. Rechtvaardigingsgronden
17. Begrip - Artikel 10 Sw. omschrijft rechtvaardigingsgronden als door de wet bepaalde omstandigheden die de wederrechtelijkheid van de gestelde gedraging opheffen waardoor deze gedraging geoorloofd of gerechtvaardigd wordt. Het zijn aldus omstandigheden die het vermoeden van wederrechtelijkheid weerleggen waardoor er niet langer sprake is van een misdrijf. In de artikelen 11 tot en met 15 Sw. worden de algemene rechtvaardigingsgronden, die van toepassing zijn op alle misdrijven, geregeld: het gebod of de toelating bij de wet, het bevel van de overheid, de noodtoestand, de wettige verdediging en het wettig verzet in geval van misbruik door de overheid. Het gaat in zeer belangrijke mate om een codificatie van de bestaande regels.
18. Noodtoestand - Nieuw is dat aan de noodtoestand een wettelijke basis wordt gegeven (art. 13 Sw.), terwijl die tot nu toe enkel een jurisprudentiële basis had.46 De noodtoestand wordt in de wet omschreven als de situatie waarin «iemand enkel door het plegen van een als misdrijf omschreven feit een recht of een belang kan vrijwaren dat een ernstig en onmiddellijk gevaar loopt en waarvan de waarde hoger is dan de waarde van hetgeen door het als misdrijf omschreven feit wordt prijsgegeven». Deze formulering is beperkter dan de traditionele invulling van de noodtoestand in de rechtspraak en rechtsleer47 doordat voortaan wordt vereist dat het gevrijwaarde recht of belang van hogere waarde moet zijn dan hetgeen door het als misdrijf omschreven feit wordt prijsgegeven; een recht of belang van gelijke waarde volstaat niet langer. In een dergelijke hypothese gaat het immers vaak om een situatie waarin een eigenbelang speelt en de dader, zonder objectieve reden, voorrang geeft aan de bescherming van zijn eigenbelang ten nadele van het gelijkwaardige belang van een derde. Daarenboven moet worden vastgesteld dat in de hypothese van een gelijkwaardig recht of belang sowieso een recht of belang van eenzelfde waarde teloorgaat, waardoor het niet gerechtvaardigd is dat daarbovenop een als misdrijf omschreven gedraging zou worden gesteld.48
19. Wettige verdediging - De wettige verdediging verhuist van het huidige Boek II van het Strafwetboek naar het nieuwe Boek I, waardoor deze rechtvaardigingsgrond voortaan (in principe) voor alle misdrijven kan worden ingeroepen. Dit kan worden beschouwd als een codificatie van een analoge toepassing49 van de bestaande rechtvaardigingsgrond in het voordeel van de beklaagde.
Artikel 14, tweede lid, Sw. somt de toepassingsvoorwaarden van de wettige verdediging op, gebaseerd op de definitie die het Hof van Cassatie heeft ontwikkeld50, aangevuld met de vereiste van de verdedigingswil. De aanval moet dus onrechtmatig, ernstig en actueel zijn en gericht tegen een persoon, de verdediging moet beantwoorden aan vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit en de verdedigingshandelingen moeten zijn gesteld vanuit een verdedigingswil.51 Deze laatste voorwaarde werd opgenomen om uit te sluiten dat iemand die zich niet bewust is van het feit dat hij in een noodweersituatie zit en geweld gebruikt, zich later zou kunnen vergoelijken door zich op de rechtvaardigingsgrond te beroepen. Daarnaast kan men bv. vermijden dat men zich op wettige verdediging zou kunnen beroepen wanneer twee personen een dispuut hebben en samen besluiten dit uit te vechten. In zo’n geval zijn beiden aanvaller en verdediger en ontbreekt de verdedigingswil. Ten slotte wordt in de memorie van toelichting ook aangehaald dat deze voorwaarde ook een oplossing biedt voor bepaalde situaties waarin een voorafgaande fout van de persoon die zich op de wettige verdediging beroept, ervoor heeft gezorgd dat hij (opzettelijk) in deze situatie is terechtgekomen: indien men zelf de situatie heeft gecreëerd met de bedoeling daarna geweld te kunnen gebruiken dat men dan zou kunnen rechtvaardigen door middel van de wettige verdediging, heeft men niet gehandeld met de bedoeling zichzelf te verdedigen, maar heeft men eigenlijk een agressieve handeling gesteld onder het mom van een noodweerhandeling.52
20. Wettig verzet in geval van misbruik door de overheid - Artikel 15 Sw. codificeert de in de rechtspraak53 ontwikkelde rechtvaardigingsgrond van het wettig verzet in geval van misbruik door de overheid. Aangezien de bevoegde overheid vermoed wordt te handelen overeenkomstig de wet wanneer zij overgaat tot dwanguitoefening, zijn de toepassingsvoorwaarden van het wettig verzet in geval van misbruik door de overheid strikter dan die van de wettige verdediging wat betreft de beoordeling van het onrechtmatige karakter van de tussenkomst door de overheid: het misbruik of de onwettigheid moet daarom kennelijk zijn en niet voor discussie vatbaar.54 Daarnaast zal men zich enkel op deze rechtvaardigingsgrond kunnen beroepen indien de reactie van de persoon die zich verzet (en die dus een als misdrijf omschreven feit uitmaakt) strikt en onverwijld noodzakelijk is om onherstelbare schade te voorkomen en moet het verzet worden uitgeoefend op een manier die evenredig is met de aard en het belang van de onwettigheid.
III. Regels omtrent de dader van het misdrijf (art. 16-26 Sw).
21. Geen medeplichtigheid meer - Een volgende opmerkelijke nieuwigheid in het Strafwetboek van 29 februari 2024 is dat het onderscheid tussen (mede)daders en medeplichtigen verdwijnt. Dit onderscheid, met bijbehorende impact op de strafmaat, werd verlaten omdat medeplichtigen niet te reduceren zijn tot louter randfiguren, aangezien zij zoals de mededaders een volwaardig aandeel hebben gehad in de voltooiing van het misdrijf.55 Daarenboven was het onderscheid in het Strafwetboek van 1867 niet altijd logisch, bijvoorbeeld door het verschaffen van wapens aan te merken als medeplichtigheid (art. 67, derde lid, Sw. 1867) terwijl dit in de praktijk bijna steeds moet worden beschouwd als noodzakelijke hulp en dus als mededaderschap in de zin van artikel 66, derde lid, Sw. 1867.56 Het begrip «mededaderschap» heeft in de praktijk ook een dermate ruime invulling (bv. via de notie van «relatief noodzakelijke hulp»57) gekregen dat er de facto nog amper plaats overbleef voor «medeplichtigheid», zodat het logisch was dit onderscheid te verlaten.58 In het nieuw Strafwetboek wordt wel een onderscheid gemaakt tussen daders en deelnemers. Dit onderscheid zal voor de praktijk echter vooral van theoretisch belang zijn, aangezien de deelnemer kan worden bestraft met een straf van hetzelfde niveau als het niveau dat van toepassing is op de dader(s) van het misdrijf.
22. Daders - In artikel 17 Sw. wordt gedefinieerd wie als dader van het misdrijf kan worden beschouwd. Om als dader te worden aangemerkt, moeten de natuurlijke personen of rechtspersonen alle bestanddelen van het misdrijf in zich verenigen of voldoen aan de voorwaarden inzake de strafbare poging. Dit kan op drie manieren.
De eerste manier is door alle bestanddelen in persoon in zich te verenigen (art. 17, 1° Sw.). Dit is het klassieke voorbeeld van de alleen handelende dader die zelf aan alle bestanddelen van het misdrijf voldoet.
De tweede manier om alle bestanddelen van het misdrijf in zich te verenigen, is door zich te bedienen van een andere persoon als louter instrument (art. 17, 2° Sw.). Het betreft hier de figuur van het «middellijk daderschap». De eigenlijke dader stelt de vereiste materiële gedraging niet, maar gebruikt een derde persoon als willoos werktuig.
Een derde en laatste vorm van daderschap is die van het «co-daderschap», nl. het opzettelijk samenwerken met anderen om het misdrijf te plegen (art. 17, 3° Sw.). Volgens de memorie van toelichting59 kan deze vorm twee situaties omvatten:
- de situatie waarin twee of meer personen samen het misdrijf plegen en elk in zich alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf verenigen (bv. twee personen beslissen om samen winkeldiefstallen te plegen en nemen beiden zaken bedrieglijk weg). Deze situatie kan strikt genomen ook onder de eerste vorm van daderschap vallen;
- de situatie waarin twee of meer personen wetens en willens samen een misdrijf plegen zonder dat zij individueel alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf in zich verenigen, maar waarbij zij door hun gezamenlijk optreden samen wel alle bestanddelen realiseren. Een voorbeeld is een overval waarbij dader A de slachtoffers bedreigt met een wapen, terwijl dader B het geld uit de kassa haalt. Geen van beiden is in dit voorbeeld verantwoordelijk voor het realiseren van alle bestanddelen van een diefstal met geweld (dader A omdat hij niets wegneemt, dader B omdat hij geen geweld gebruikt), maar door hun opzettelijk samenwerken zijn ze wel beiden dader van diefstal met geweld.
23. Deelnemers - Onder deelnemers begrijpt artikel 19 Sw. de personen die op betekenisvolle wijze hebben bijgedragen aan het plegen van het misdrijf op een van de in dit artikel omschreven manieren, zonder dat die bijdrage voldoet aan de vereisten van daderschap. Meer concreet moet, om van deelneming te kunnen spreken, voldaan zijn aan vier voorwaarden:
- het bestaan van een misdrijf of een strafbare poging. Het principe van de onzelfstandigheid van de deelneming blijft dus van toepassing (met de nuance dat de schuldontheffingsgronden voortaan ook impact hebben op het moreel bestanddeel en dus het bestaan van het misdrijf, maar slechts in personam werken zodat het misdrijf wel blijft bestaan voor de overige daders en deelnemers);
- het wetens en willens bijdragen aan het plegen van het misdrijf door de deelnemer. Dit is het zgn. «deelnemingsopzet», het wetens en willens aan de uitvoering van een misdrijf meewerken op een van de wijzen bepaald in artikel 19 Sw.;60
- een betekenisvolle bijdrage tot het plegen van het misdrijf. Dit impliceert dat het misdrijf zoals het werd gepleegd nooit op dezelfde wijze tot stand zou gekomen zijn wanneer er geen sprake zou geweest zijn van een deelnemingshandeling. De woorden «op betekenisvolle wijze bijdragen tot een misdrijf» impliceren dat zonder de deelneming het misdrijf niet zou zijn gepleegd zoals het in concreto werd gepleegd;61
- de voltooiing van een van de door de wet voorgeschreven deelnemingshandelingen: de deelneming is enkel strafbaar indien ze gebeurt op een van de door de wet omschreven manieren, nl. (1°) door rechtstreeks aan de uitvoering deel te nemen, (2°) door de voorbereiding of de uitvoering van het misdrijf te vergemakkelijken, (3°) door rechtstreeks aan te zetten tot het plegen van het misdrijf, (4°) door na te laten om te handelen en hierdoor het plegen van het misdrijf rechtstreeks te bevorderen of te vergemakkelijken (codificatie van de deelneming door onthouding62), of (5°) door hulp of bijstand te verlenen aan de dader na het misdrijf indien hierover vooraf overleg is gepleegd (codificatie van de deelneming post factum63).
Belangrijk is te wijzen op het verschil tussen het opzettelijk samenwerken met anderen om een misdrijf te plegen als vorm van daderschap (art. 17, 3° Sw.) en het rechtstreeks aan de uitvoering van het misdrijf deelnemen als vorm van deelneming (art. 19, 1° Sw.). Dat verschil zit in de vraag of de betekenisvolle bijdrage aan het misdrijf van de betrokkene overeenstemt met de realisatie van een constitutief of verzwarend bestanddeel (in welk geval er sprake is van daderschap) of niet (in welk geval er sprake is van deelneming). Bijvoorbeeld: de persoon die rechtstreeks meewerkt aan een woninginbraak door het slot van de woning te forceren, maar die zelf de woning niet betreedt en geen zaken wegneemt. Art. 466 Sw. maakt van braak niet langer een verzwarend bestanddeel bij de diefstal, maar wel van het binnendringen in een niet voor het publiek toegankelijke plaats. De persoon die het slot van de woning forceert zonder deze te betreden en die geen zaken wegneemt, draagt op betekenisvolle wijze bij aan het misdrijf door rechtstreeks aan de uitvoering ervan deel te nemen (en is dus deelnemer aan het misdrijf), maar realiseert zelf geen van de constitutieve (of verzwarende) bestanddelen (en is dus geen (co-)dader).
24. Doorwerking verzwarende bestanddelen en factoren - Artikel 20 Sw. bevat een expliciete regeling omtrent de doorwerking van verzwarende bestanddelen en verzwarende factoren naar de dader(s) of deelnemer(s) die niet rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het voldaan zijn aan de vereisten van dat verzwarende bestanddeel of die verzwarende factor. Daarmee wordt gevolg gegeven aan de vereisten die werden gesteld door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent.64
Logischerwijs bepaalt de wet dat subjectieve verzwarende bestanddelen en subjectieve verzwarende factoren alleen de bestraffing van de dader of de deelnemer aan een misdrijf beïnvloeden als aan de voorwaarden voor de toepassing ervan is voldaan. Enkel in hoofde van de betrokken persoon is immers voldaan aan de ratio legis die aan de basis van de strafverzwaring ligt.
Voor wat betreft objectieve verzwarende bestanddelen of factoren bepaalt de wet dat zal worden gestraft als dader of deelnemer aan het verzwaard misdrijf, de dader in de zin van artikel 17, 3° Sw. of de deelnemer die kennis had of kennis had moeten hebben van het bestaan van een objectief verzwarend bestanddeel of een objectieve verzwarende factor bij het misdrijf of die wist of had moeten weten dat de verwezenlijking van dat bestanddeel of die factor in lijn lag van het normale of voorzienbare verloop van de gebeurtenissen en die, met kennis van zaken, heeft volhard in zijn wil om mee te werken aan het plegen van dat misdrijf. Er wordt dus een zekere mate van schuld vereist in hoofde van de co-dader of deelnemer aan het misdrijf met betrekking tot het objectieve verzwarende bestanddeel of de objectieve verzwarende factor.65
25. Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon - Artikel 18 Sw. regelt de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon en herneemt daarbij in essentie de regels van artikel 5 Sw. 1867. Om terminologisch in overeenstemming te zijn met het rechtspersonenrecht, is evenwel niet langer sprake van het doel van de rechtspersoon, maar van het voorwerp (wat verwijst naar de activiteit van de rechtspersoon).66
26. Schuldontheffingsgronden - De artikelen 21 tot 23 Sw. hebben betrekking op de schuldontheffingsgronden. Zoals hoger onder randnummer 8 al werd gesignaleerd, verandert op conceptueel niveau het belang van de schuldontheffingsgronden. Waar onder het huidige Strafwetboek het Hof van Cassatie oordeelt dat schuldontheffingsgronden losstaan van het moreel bestanddeel van het misdrijf67, worden ze in artikel 7, § 1, tweede lid Sw. gelinkt aan de voor alle misdrijven gemeenschappelijke basisvereiste voor het moreel bestanddeel dat men in staat moet zijn bewust en uit vrije wil te handelen, gegeven dat wordt vermoed zolang het bestaan van een schuldontheffingsgrond niet aannemelijk wordt gemaakt. Gevolg is dat wanneer een schuldontheffingsgrond aanwezig is, er niet voldaan is aan de vereisten van het moreel bestanddeel en er bijgevolg ook geen misdrijf is. Anders dan rechtvaardigingsgronden, werken zij echter enkel in personam, zodat dit niet verhindert dat er bij andere daders of deelnemers wel sprake kan zijn van een misdrijf.
Net als onder het huidige recht worden twee schuldontheffingsgronden aanvaard: de onweerstaanbare dwang (art. 22 Sw.) en de onoverkomelijke dwaling (art. 23 Sw.). Hiermee wordt voor het eerst ook een wettelijke basis gegeven aan de onoverkomelijke dwaling.68
27. Gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid - Wat betreft de gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid, blijft alles bij het oude. Er is een grond van niet-toerekeningsvatbaarheid voor de geestesstoornis en de minderjarigheid. De problematiek van de verminderde toerekeningsvatbaarheid werd uitdrukkelijk besproken, maar er werd voor gekozen dit niet als afzonderlijk concept op te nemen. Wel werd een nieuwe straf ingevoerd om specifiek op een dergelijke situatie een antwoord te kunnen bieden: de behandeling onder vrijheidsberoving (art. 42 Sw.).69 Gelet op de aangepaste infrastructuur die voor de uitvoering van een dergelijke straf nodig is, werd de inwerkingtreding ervan evenwel uitgesteld tot 1 januari 2035.70 Aangezien de inwerkingtreding pas is voorzien voor de verre toekomst, wordt hier in het kader van deze bijdrage niet dieper op ingegaan.
IV. Regels over de straffen (art. 36-59 Sw).
A. De catalogisering van de straffen en indeling van straffen in strafniveaus
28. Hoofdstraffen - Samen met het onderscheid tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen verdwijnt ook het onderscheid tussen criminele straffen, correctionele straffen en politiestraffen. De straffen worden voortaan opgedeeld in acht niveaus, waarbij het niveau 1 het laagste niveau is en het niveau 8 het hoogste. Per strafniveau zijn de mogelijke hoofdstraffen omschreven. Die niveaus hebben een aparte invulling gekregen voor natuurlijke personen (art. 36 Sw.) en rechtspersonen (art. 38 Sw.), zodat niet langer gebruik hoeft te worden gemaakt van een conversiemechanisme voor de omzetting van vrijheidsstraffen naar geldboetes voor rechtspersonen (art. 41bis Sw. 1867). Concreet kunnen de volgende straffen worden opgelegd:
Niveau | Natuurlijke persoon | Rechtspersoon |
8 | - levenslange gevangenisstraf - (behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan 18 jaar tot ten hoogste 20 jaar) | geldboete van meer dan 4.000.000 euro tot ten hoogste 5.760.000 euro |
7 | - gevangenisstraf van meer dan 20 jaar tot ten hoogste 30 jaar - (behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan 16 jaar tot ten hoogste 18 jaar) | geldboete van meer dan 1.600.000 euro tot ten hoogste 4.000.000 euro |
6 | - gevangenisstraf van meer dan 15 jaar tot ten hoogste 20 jaar - (behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan 11 jaar tot ten hoogste 16 jaar) | geldboete van meer dan 1.200.000 euro tot ten hoogste 1.600.000 euro |
5 | - gevangenisstraf van meer dan 10 jaar tot ten hoogste 15 jaar - (behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan 6 jaar tot ten hoogste 11 jaar) | geldboete van meer dan 800.000 euro tot ten hoogste 1.200.000 euro |
4 | - gevangenisstraf van meer dan 5 jaar tot ten hoogste 10 jaar - (behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan 4 jaar tot ten hoogste 6 jaar) | geldboete van meer dan 600.000 euro tot ten hoogste 800.000 euro |
3 | - gevangenisstraf van meer dan 3 jaar tot ten hoogste 5 jaar - (behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan 2 jaar tot ten hoogste 4 jaar) | geldboete van meer dan 360.000 euro tot ten hoogste 600.000 euro |
2 | - gevangenisstraf van 6 maanden tot ten hoogste 3 jaar - (behandeling onder vrijheidsberoving van 6 maanden tot ten hoogste 2 jaar) - straf onder elektronisch toezicht van 1 maand tot ten hoogste 1 jaar - werkstraf van meer dan 120 uur tot ten hoogste 300 uur - probatiestraf van meer dan 12 maanden tot ten hoogste 2 jaar - veroordeling bij schuldigverklaring | - geldboete van meer dan 20.000 euro tot ten hoogste 360.000 euro - dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap, geraamd op een bedrag van meer dan 20.000 euro tot ten hoogste 360.000 euro - probatiestraf van meer dan twaalf maanden tot ten hoogste twee jaar - cumulatie van twee straffen van niveau 1 - veroordeling bij schuldigverklaring |
1 | - geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro - werkstraf van 20 uur tot ten hoogste 120 uur - probatiestraf van 6 maanden tot ten hoogste 12 maanden - verbeurdverklaring, met inbegrip van de verruimde verbeurdverklaring - geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel - veroordeling bij schuldigverklaring | - geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro - dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap, geraamd op een bedrag van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro - probatiestraf van 6 maanden tot ten hoogste 12 maanden - verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen voor een periode van 1 jaar tot ten hoogste 10 jaar - verbeurdverklaring, met inbegrip van de verruimde verbeurdverklaring - geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel - sluiting van de inrichting - veroordeling bij schuldigverklaring |
29. Bijkomende straffen - Het onderscheid tussen hoofdstraffen en bijkomende straffen is wel bewaard gebleven. De bijkomende straffen dragen bij tot de doelstelling om aan de rechter een maximale flexibiliteit te bieden en maken het mogelijk om bepaalde andere strafdoelen te bereiken dan die welke bereikt kunnen worden met de hoofdstraf of om de kans op succes van de hoofdstraf te versterken.71 Dit is ook de reden waarom het overgrote deel van de bijkomende straffen een facultatief karakter heeft.72 De opsomming van bijkomende straffen in het Strafwetboek (art. 37 Sw. voor natuurlijke personen en art. 39 Sw. voor rechtspersonen) is beperkt tot de bijkomende straffen die op algemene wijze gelden voor alle misdrijven (voor zover aan hun toepassingsvoorwaarden is voldaan); dit belet niet dat de wetgever andere bijkomende straffen kan omschrijven in bijzondere strafwetten.73 Concreet gaat het om de volgende straffen:
30. Straf politieke rechtspersonen - Volledigheidshalve moet er nog op worden gewezen dat artikel 40 Sw. de regel uit artikel 7bis, laatste lid Sw. 1867 herneemt dat ten aanzien van o.a. de Federale Staat, de gewesten en gemeenschappen, de provincies en de gemeenten, met uitsluiting van elke andere straf, enkel de veroordeling bij schuldigverklaring74 kan worden uitgesproken.
B. Nieuwe straffen in het Strafwetboek
31. Overzicht - Het nieuw Strafwetboek introduceert enkele nieuwe (of minstens vernieuwde) straffen: het beroepsverbod (1°), het verval van het recht tot sturen (2°), het verblijfs-, plaats- of contactverbod (3°), de veroordeling bij schuldigverklaring (4°), de geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel (5°), de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap (6°), de bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling (7°) en de sluiting van de inrichting (8°). Daarnaast moet ook nog melding worden gemaakt van de behandeling onder vrijheidsberoving (art. 42 Sw.)75 en de verlengde opvolging (art. 46 Sw.)76. Waar de eerste straf wordt geïntroduceerd met (onder meer) het oog op personen die verminderd toerekeningsvatbaar zijn, moet de tweede straf op termijn de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank vervangen. Voor beide straffen is de inwerkingtreding uitgesteld tot 1 januari 203577, reden waarom er hier niet dieper op wordt ingegaan. In afwachting blijft de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank van toepassing (zie randnummer 45).
1° Beroepsverbod (art. 48 Sw).
32. Beroepsverbod - Het Strafwetboek voert (naast de reeds bestaande bijzondere beroepsverboden) op algemene wijze de mogelijkheid in om het verbod uit te spreken om het beroep uit te oefenen dat de veroordeelde ernstig misbruikte om het misdrijf te plegen voor een termijn van een jaar tot ten hoogste vijf jaar, verlengd met de periode waarin de veroordeelde de vrijheidsstraf intra muros uitvoert.78 Het is een vorm van «spiegelbestraffing» omdat ze het onderliggende misdrijf reflecteert.79 Het verbod geldt voor het beroep dat wordt uitgeoefend als loontrekkende, zelfstandige als natuurlijke persoon of als rechtspersoon. De veroordeelde kan deze straf niet omzeilen door de verboden activiteit met tussenkomst van een derde persoon uit te oefenen.80 Een overtreding van dit beroepsverbod is strafbaar als een autonoom misdrijf (art. 686 Sw.).
2° Verval van het recht tot sturen (art. 49 Sw).
33. Verval van het recht tot sturen - Artikel 49 Sw. maakt het mogelijk om als bijkomende straf aan natuurlijke personen een verval van het recht tot sturen op te leggen indien een motorrijtuig gediend heeft of bestemd was tot het plegen van het misdrijf of tot het verzekeren van de vlucht. Ook hier gaat het dus om een vorm van «spiegelbestraffing». Het verval van het recht tot sturen duurt minstens zes maanden en ten hoogste vijf jaar, verlengd met de periode waarin de vrijheidsstraf intra muros wordt uitgevoerd.81 Het verval kan wel worden beperkt tot de uitvoering buiten de beroepsactiviteit. Een overtreding van dit verval is strafbaar als een autonoom misdrijf (art. 686 Sw.).
3° Verblijfs-, plaats- of contactverbod (art. 50 Sw).
34. Verblijfs-, plaats- of contactverbod - Het verblijfs-, plaats- of contactverbod (dat we al kennen uit het seksueel strafrecht82, art. 417/58 Sw. 1867) krijgt een algemene toepassing, zodat het in principe kan worden opgelegd voor alle misdrijven. Het verbod kan niet alleen een verbod omvatten om op een bepaalde plaats of bepaalde plaatsen te wonen of te verblijven, maar ook een verbod om zich daar op te houden83 en om contact te hebben met door de rechter individueel aangewezen personen. Het verbod geldt voor een jaar tot ten hoogste twintig jaar, verlengd met de periode waarin de vrijheidsstraf intra muros wordt uitgevoerd.84 Een overtreding van dit verbod is strafbaar als een autonoom misdrijf (art. 686 Sw.).
4° Veroordeling bij schuldigverklaring (art. 51 Sw).
35. Veroordeling bij schuldigverklaring - De eenvoudige schuldigverklaring kon reeds voor het nieuw Strafwetboek worden uitgesproken bij overschrijding van de redelijke termijn (art. 27 V.T.Sv.). Artikel 51 Sw. breidt het toepassingsgebied van de veroordeling bij schuldigverklaring nu uit: het wordt een hoofdstraf van niveau 2 of niveau 1 en kan op algemene wijze worden toegepast wanneer de rechter vaststelt dat de hem voorgelegde feiten niet al te ernstig zijn of dat ze na (te) lange tijd worden beoordeeld.85 Om deze redenen mag de rechter alleen een veroordeling bij schuldigverklaring uitspreken indien hij, in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat de hem voorgelegde feiten slechts van geringe ernst zijn of dat de tijd die is verstreken sinds het plegen van het misdrijf het uitspreken van een andere straf niet opportuun maakt.86 Het aanvangspunt voor de beoordeling van het tijdsverloop is hier, anders dan in het kader van de redelijke termijn, dus het moment van het plegen van het strafbaar feit. Het opleggen van de veroordeling bij schuldigverklaring als hoofdstraf kan worden gecumuleerd met de verbeurdverklaring en de verruimde verbeurdverklaring (art. 51, derde lid Sw.).
5° De geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel (art. 55 Sw).
36. Geldstraf - De geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel is een nieuwe vermogensstraf die het mogelijk maakt de dader van het misdrijf geldelijk te straffen in verhouding tot de concrete financiële inzet van het misdrijf. Ook hier gaat het dus om een «spiegelstraf». Het maximumbedrag van deze geldstraf is vastgesteld op het drievoud van de waarde van het vermogensvoordeel dat de dader of de daders rechtstreeks of onrechtstreeks uit het misdrijf hebben behaald of hoopten te behalen. Er is geen minimumbedrag vastgesteld, maar aangezien deze straf alleen kan worden opgelegd wanneer de geldboete waarin de wet voorziet als bijkomende straf ontoereikend is om een gepaste bestraffing te waarborgen, moet het bedrag van deze nieuwe straf logischerwijs hoger zijn dan het maximumbedrag van de geldboete waarin de wet voorziet.
Om een buitensporige cumulatie van vermogensstraffen voor eenzelfde misdrijf te vermijden, kan deze straf slechts worden uitgesproken in de plaats van een geldboete wanneer de rechter van oordeel is dat het door de wet bepaalde bedrag van die geldboete onvoldoende is om tot een gepaste bestraffing te komen, bv. in het licht van de omvang van de nagestreefde winst.87 De geldboete kan dus niet worden gecumuleerd met de geldstraf vastgesteld op basis van het verwachte of uit het misdrijf behaalde voordeel, ze komt in de plaats ervan.
6° Dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap (art. 56 Sw).
37. Dienstverleningsstraf - Om ook voor rechtspersonen meer diversificatie mogelijk te maken in de bestraffing werd voor rechtspersonen een straf uitgewerkt analoog aan de werkstraf: de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap. Deze straf houdt de verplichting in voor de veroordeelde rechtspersoon om bepaalde diensten te verlenen ten gunste van de gemeenschap ten belope van een door de rechter vastgesteld budget.88 De rechter kan89 aanwijzingen geven betreffende de concrete inhoud en de uitvoeringsmodaliteiten van de dienstverleningsstraf. Deze straf kan bv. bijdragen aan het herstel van het maatschappelijk imago van een rechtspersoon na een veroordeling.90
De dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap mag uitsluitend worden verricht ten voordele van de openbare diensten bij wie een werkstraf kan worden uitgevoerd. Wanneer hij een dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap uitspreekt, dient de rechter het budget vast te stellen dat de veroordeelde rechtspersoon moet besteden aan de uitvoering van de straf binnen de in de wet bepaalde vork. Net als bij de werkstraf moet de betrokken rechtspersoon zijn geïnformeerde instemming geven voor de toepassing van een dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap. De rechter bepaalt ook een vervangende geldboete voor het geval de dienstverleningsstraf niet wordt uitgevoerd.
7° Bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling (art. 58 Sw).
38. Bekendmaking - De bekendmaking van de beslissing houdende veroordeling (art. 58 Sw.) vervangt de huidige straffen die gericht zijn op de bekendmaking van een veroordeling (art. 37bis Sw. 1867 en de aanplakking uit art. 18 Sw. 1867). Deze bijkomende straf maakt het in de bij wet bepaalde gevallen mogelijk voor de rechter om te bevelen dat de veroordelende beslissing volledig of bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, in de dagbladen die hij aanwijst, door elk ander communicatiemiddel of door de opname ervan in het Centraal register bedoeld in artikel 782, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek op een niet-geanonimiseerde wijze voor een termijn van drie maanden.
8° Sluiting van de inrichting (art. 59 Sw).
39. Sluiting van de inrichting - De sluiting van de inrichting (art. 59 Sw.) wordt uitgebreid als sanctiemogelijkheid naar natuurlijke personen. De sluiting van de inrichting houdt het verbod in om in de betrokken inrichting enige activiteit uit te oefenen gelijkaardig91 aan die naar aanleiding waarvan het misdrijf werd gepleegd.92 Een overtreding van de sluiting van de inrichting is strafbaar als een autonoom misdrijf (art. 686 Sw.).
C. Aanpassingen aan reeds gekende straffen
40. Overzicht - Voor enkele andere, naar huidig recht veelvoorkomende straffen werden een aantal (al dan niet ingrijpende) aanpassingen doorgevoerd. Het gaat om de gevangenisstraf (1°), de straf onder elektronisch toezicht (2°), de probatiestraf (3°), de werkstraf (4°), de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (5°), de ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten (6°), de geldboete (7°), de verbeurdverklaring (8°) en het verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen (9°).
1° De gevangenisstraf (art. 41 Sw).
41. Gevangenisstraf - Aangezien het Strafwetboek niet langer het onderscheid maakt tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen, wordt ook het onderscheid tussen «opsluiting» en «gevangenisstraf» verlaten. Ook was er geen enkele nood meer om de politieke criminele straf van de «hechtenis» te behouden.93 In het nieuw Strafwetboek is dan ook enkel nog sprake van de gevangenisstraf.
Inhoudelijk moet met betrekking tot deze straf worden opgemerkt dat ze als hoofdstraf een minimumduur krijgt van zes maanden, vanuit de overweging dat de kortere gevangenisstraffen vooral negatieve effecten hebben (verlies van sociale en familiale omkadering, verlies van werk, verlies van woonst, ...) die het risico op herval in criminaliteit net verhogen. Vanuit die optiek werd voor de misdrijven waarop een straf van niveau 1 is gesteld, niet langer in de mogelijkheid voorzien om een gevangenisstraf uit te spreken en werd in het kader van de straftoemeting uitdrukkelijk het principe gehuldigd dat de gevangenisstraf de laatst te overwegen straf is (art. 27, vierde lid Sw.).94 95
2° De straf onder elektronisch toezicht (art. 43)
42. Straf onder elektronisch toezicht - De omschrijving van de straf onder elektronisch toezicht werd, teneinde discriminatie tussen de veroordeelde die een straf onder elektronisch toezicht ondergaat en degene die elektronisch toezicht ondergaat als wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf, te vermijden, aangepast aan de concrete invulling van het elektronisch toezicht zoals ingesteld bij de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden.96 De essentie van de straf wordt voortaan gevormd door het concrete uitvoeringsprogramma dat zowel de periodes van «huisarrest» (dat met elektronische middelen wordt gecontroleerd) als de toegelaten verplaatsingen, activiteiten of afwezigheden zal bepalen. De rechter kan ook aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van deze straf, inzonderheid betreffende de toegestane verplaatsingen, activiteiten en afwezigheden (art. 43, § 2, tweede lid Sw.).Voorts kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd die absoluut noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer of voor de maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde; deze voorwaarden moeten een directe link hebben met de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht en kunnen dus geen alternatief uitmaken voor probatievoorwaarden. De straf zal het bijgevolg mogelijk maken om te voorzien in een kader dat tegelijk strikt en flexibel is en dat ruimte biedt voor de activiteiten en uithuizigheid die desintegratie moeten voorkomen en re-integratie moeten bevorderen.97
Het artikel bevat niet langer een lijst van misdrijven die van het toepassingsgebied van deze straf zijn uitgesloten. Ingeval de straf toch nog is uitgesloten, wordt dit vermeld bij de strafbaarstelling zelf in Boek II.
3° De probatiestraf (art. 44 Sw).
43. Probatiestraf - De probatiestraf (en niet langer «autonome» probatiestraf) wijzigt in essentie slechts beperkt in vergelijking met het huidige recht. Het voorstel van de Commissie tot hervorming van het strafrecht om de maximumduur van deze straf op te trekken tot vijf jaar werd niet gevolgd, omdat volgens de gemeenschappen een probatiestraf voornamelijk doeltreffend is tijdens de eerste twee jaar en omdat er na twee jaar nog weinig meerwaarde bestaat in het in stand houden van de probatievoorwaarden.98
Belangrijk is wel dat het in de toekomst opnieuw aan de feitenrechter zal zijn om de bijzondere voorwaarden te bepalen waaraan de veroordeelde wordt onderworpen, en niet langer aan de probatiecommissie of de strafuitvoeringsrechtbank.99 Anders dan onder het huidige Strafwetboek zal de probatiestraf in de toekomst ook kunnen worden opgelegd aan een rechtspersoon.
Net als voor de straf onder elektronisch toezicht geldt dat in Boek I Sw. niet langer een lijst van misdrijven die van het toepassingsgebied van deze straf zijn uitgesloten, is opgenomen. In het geval dat de straf toch nog is uitgesloten, wordt dit vermeld bij de strafbaarstelling zelf in Boek II.
Ten slotte wordt ook op het vlak van de vervangende straf een belangrijke aanpassing doorgevoerd. Bij een probatiestraf van niveau 1 legt de rechter een vervangende geldboete op van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro of een vervangende gevangenisstraf van minstens een maand tot ten hoogste zes maand. Bij een probatiestraf van niveau 2 legt hij een vervangende geldboete op van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro of een vervangende gevangenisstraf van minstens een maand tot ten hoogste een jaar. Deze beperking in vergelijking met het huidige systeem vloeit voort uit het feit dat de vervangende gevangenisstraf voor de straf onder elektronisch toezicht, die een zwaardere straf is dan de probatiestraf, ook maximaal een jaar bedraagt.
4° De werkstraf (art. 45 Sw).
44. Werkstraf - Ook voor de werkstraf zijn de doorgevoerde aanpassingen beperkt. Aan de lijst van instellingen waar een werkstraf kan worden uitgevoerd, zijn de OCMW’s en coöperatieve vennootschappen die erkend zijn als sociale onderneming toegevoegd. Een andere aanpassing voor de uitvoering van deze straf is dat niet langer is voorzien in een termijn waarbinnen de werkstraf moet worden uitgevoerd buiten de verjaringstermijn van de straf.100
Net als voor de straf onder elektronisch toezicht en de probatiestraf geldt dat in Boek I Sw. niet langer een lijst is opgenomen van misdrijven die van het toepassingsgebied van deze straf zijn uitgesloten. In het geval dat de straf toch nog is uitgesloten, wordt dit vermeld bij de strafbaarstelling zelf in Boek II.
Ten slotte wordt ook hier de vervangende gevangenisstraf beperkt in vergelijking met het huidige recht. Bij een werkstraf van niveau 1 legt de rechter een vervangende geldboete op van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro of een vervangende gevangenisstraf van minstens een maand tot ten hoogste zes maand. Bij een werkstraf van niveau 2 legt hij een vervangende geldboete op van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro of een vervangende gevangenisstraf van minstens een maand tot ten hoogste een jaar.
5° Terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank
45. Overgangsrecht - In afwachting van de inwerkingtreding van de verlengde opvolging (art. 46 Sw.) blijft de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank van toepassing via de overgangsbepaling uit artikel 37 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek. Op een aantal punten wordt de straf wel al aangepast naargelang van wat is bepaald omtrent de verlengde opvolging.
Zo wordt het toepassingsgebied van deze straf heromschreven. De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank moet door de rechter in de volgende twee gevallen verplicht worden uitgesproken:
- indien de rechter de beklaagde of de beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 7 of 8 en de beklaagde of de beschuldigde reeds eerder werd veroordeeld voor een misdrijf waarop de wet een straf van niveau 7 of 8 stelt;
- indien de rechter de beklaagde of de beschuldigde veroordeelt tot een straf van niveau 4 of van een hoger niveau en de veroordeling al dan niet in samenloop met andere misdrijven, is gebaseerd op een van de ernstige misdrijven opgelijst in het artikel 37, § 2, derde lid van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek.101
Daarnaast kan de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank facultatief worden opgelegd indien de rechter een gevangenisstraf oplegt van niveau 3 of van een hoger niveau wegens een misdrijf dat een ernstige inbreuk heeft uitgemaakt op het leven, de fysieke, seksuele of psychische integriteit van het slachtoffer of een ernstig gevaar uitmaakte voor de openbare veiligheid.
Een ander element dat reeds wordt overgenomen van de verlengde opvolging, en een mildere strafwet uitmaakt dan het huidige regime, is de koppeling van de maximumduur van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank aan de duur van de hoofdstraf. Indien de rechter de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank oplegt naast een hoofdstraf van niveau 3, is de duur van deze straf ten hoogste vijf jaar. Indien de rechter de terbeschikkingstelling oplegt naast een hoofdstraf van niveau 4, is de duur van deze straf ten hoogste tien jaar. Indien een hoofdstraf van niveau 5 of hoger wordt opgelegd, geldt de terbeschikkingstelling voor ten hoogste vijftien jaar. Er is geen minimumduur bepaald, behalve voor het geval dat het gaat om een verplichte terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank; in dat geval bedraagt de duur ervan minstens vijf jaar. Op die manier wordt minstens wel al aan die component van de bestaande disproportionaliteit van deze straf een einde gesteld.
6° Ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten (art. 47 Sw).
46. Ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten - Bij een veroordeling tot een straf van niveau 8 is de ontzetting uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten verplicht, heeft ze betrekking op alle in artikel 47, eerste lid Sw. opgesomde rechten en geldt ze levenslang. Bij een veroordeling tot een straf van niveau 7 is de straf facultatief, heeft ze betrekking op alle of een deel van de deze rechten en wordt ze opgelegd voor een periode van twintig jaar. Bij een veroordeling tot een straf van niveau 2 tot 6 is de straf facultatief, heeft ze betrekking op alle of een deel van de opgesomde rechten en wordt ze opgelegd voor een periode van vijf tot tien jaar.
Bij een veroordeling tot een straf van niveau 7 of 8 kan de rechter (facultatief) daarbovenop de beklaagde ook nog ontzetten uit zijn kiesrecht. Bij een straf van niveau 8 kan dit levenslang of voor een periode van twintig tot dertig jaar; bij een straf van niveau 7 voor twintig jaar.
De periode van ontzetting wordt steeds verlengd met de tijd waarin de veroordeelde de gevangenisstraf intra muros uitvoert.102
7° De geldboete
47. Geldboete - Een eerste meldenswaardige aanpassing met betrekking tot de geldboete is dat de opdeciemen terug op 0 worden gezet, aangezien de boetebedragen werden bepaald in functie van de actuele geldwaarde.103 Daarnaast wordt de boetevervangende gevangenisstraf afgeschaft, aangezien de geldboete bij uitstek een straf is die in aanmerking komt voor gedwongen tenuitvoerlegging.104
Voor wat betreft de geldboete als bijkomende straf wordt in artikel 52 Sw. een meer uniforme regeling bepaald, waarbij de geldboete in principe facultatief is en het maximumbedrag samenhangt met het niveau waarbinnen een hoofdstraf wordt opgelegd:
- bij een hoofdstraf van niveau 8: geldboete van 200 euro tot ten hoogste 35.000 euro;
- bij een hoofdstraf van niveau 7: geldboete van 200 euro tot ten hoogste 30.000 euro;
- bij een hoofdstraf van niveau 6: geldboete van 200 euro tot ten hoogste 25.000 euro;
- bij een hoofdstraf van niveau 5: geldboete van 200 euro tot ten hoogste 20.000 euro;
- bij een hoofdstraf van niveau 4: geldboete van 200 euro tot ten hoogste 15.000 euro;
- bij een hoofdstraf van niveau 3: geldboete van 200 euro tot ten hoogste 10.000 euro;
- bij een hoofdstraf van niveau 2: geldboete van 200 euro tot ten hoogste 5.000 euro.
Voor specifieke misdrijven kan de wetgever uiteraard zowel van deze bedragen als van het facultatief karakter afwijken (bv. witwassen, art. 502, vierde lid, Sw.).
Nieuw is ten slotte dat in het geval van rechtspersonen de geldboete die als hoofdstraf wordt opgelegd, kan worden gecombineerd met nog een geldboete die als bijkomende straf wordt opgelegd.105 De rechtspersoon kan (facultatief) dus twee geldboetes opgelegd krijgen. Dit vanuit de logica dat de geldboete als hoofdstraf voor de rechtspersoon het equivalent is van de hoofdstraf van de natuurlijke persoon. Aangezien de natuurlijke persoon naast de hoofdstraf ook nog een geldboete kan krijgen, geldt dit ook voor de rechtspersoon.
8° De verbeurdverklaring (art. 53 Sw).
48. Verbeurdverklaring - Een eerste belangrijke nieuwigheid is dat de verbeurdverklaring niet alleen meer in het Strafwetboek voorkomt als een bijkomende straf, maar dat ze ook kan worden uitgesproken als een hoofdstraf binnen niveau 1.
Verder krijgt de verbeurdverklaring voortaan een reëel (of zakelijk) karakter, waaruit ook volgt dat ze altijd verplicht moet worden uitgesproken behoudens wanneer dit aanleiding zou geven tot een onredelijk zware bestraffing. In de toekomst zal dus ook de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en de inkomsten uit de belegde voordelen dus verplicht zijn. Dit verplichte karakter is verantwoord vanuit de idee dat de verbeurdverklaring mee als doel heeft de beklaagde (en het slachtoffer) in hun oorspronkelijke toestand te herstellen.106 Het verplichte karakter van deze straf heeft ook tot gevolg dat er niet langer een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring door het Openbaar Ministerie is vereist.
Daarnaast moet worden opgemerkt dat artikel 53, § 5 Sw. voortaan de regeling omtrent de verdeling van de bewijslast uit artikel 43quater Sw. 1867 herneemt (zij het vereenvoudigd)107 en deze van toepassing maakt op het vaststellen van elk vermogensvoordeel dat uit het misdrijf is verkregen.
Indien de instrumenten van het misdrijf of de illegale vermogensvoordelen (in de ruime zin) niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden teruggevonden, voorziet artikel 53 Sw. in een veroordeling van de beklaagde tot de betaling van het equivalente bedrag. Ook die verbeurdverklaring heeft een verplicht karakter, maar omdat de toepassing ervan minder voorspelbaar is dan de verbeurdverklaring van goederen die wel in het vermogen werden teruggevonden, en er derhalve een raming nodig is, is voor de verbeurdverklaring bij equivalent nog wel een schriftelijke vordering door het Openbaar Ministerie vereist of moet de rechter dit ambtshalve in het debat brengen (art. 53, § 2, tweede lid Sw.).
Voor de verbeurdverklaring van onroerende goederen blijft de regel dat deze slechts kan worden bevolen in de door de wet bepaalde gevallen en na schriftelijke vordering door het Openbaar Ministerie (art. 53, § 3-4 Sw.).
9° Verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen (art. 57 Sw).
49. Verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen - De straf van een verbod een werkzaamheid te verrichten die deel uitmaakt van het voorwerp (het vroegere maatschappelijk doel) van de rechtspersoon wordt veralgemeend, zodat ze voortaan in principe voor elk misdrijf kan worden opgelegd. De duur van de straf bedraagt minimaal een jaar en maximaal tien jaar. Het is de taak van de rechter om op grond van de aard van de feiten te beoordelen of zij aanleiding geven tot een verbod een activiteit uit te oefenen die deel uitmaakt van het voorwerp, en om de duur van dat verbod te bepalen.108 Het verbod mag geen betrekking hebben op werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening. Een overtreding van dit verbod is strafbaar als een autonoom misdrijf (art. 686 Sw.).
D. Strafuitvoering in het nieuw Strafwetboek
50. Plaats van regels inzake strafuitvoering - Veel van de regels inzake strafuitvoering die thans nog terug te vinden zijn in het Strafwetboek van 1867 en in de Probatiewet, zijn niet hernomen in het nieuw Strafwetboek, omdat ze meer op hun plaats zijn in het in het vooruitzicht gestelde Strafuitvoeringswetboek.109 De essentiële bepalingen, zoals die in het kader van bv. de vervangende straf of mogelijkheden om een straf aan te passen, werden wel opgenomen in het Strafwetboek, omdat ze onmiddellijk gelinkt zijn aan de straf zelf.110
51. Bevoegdheid strafuitvoeringsrechtbank - Een belangrijke constante in de thans reeds opgenomen regels inzake strafuitvoering is dat de strafuitvoeringsrechtbank een centrale rol krijgt in het nemen van beslissingen omtrent de uitvoering van alle straffen; haar opdracht is dus niet langer beperkt tot de gevangenisstraf. De probatiecommissie zal bijgevolg verdwijnen als instelling. Dit heeft als voordeel dat een overzicht van alle straffen aanhangig is bij één instantie, die de strafuitvoering in haar geheel kan beoordelen.111
Om de maatschappelijke re-integratie van de beklaagde maximaal te faciliteren heeft de strafuitvoeringsrechtbank ruime bevoegdheden gekregen om bepaalde straffen aan te passen (zoals bv. de toepasselijke probatievoorwaarden of de rechten waarop de ontzetting betrekking heeft) alsook de duur ervan te beperken, de uitvoering ervan op te schorten of te beëindigen.112 Ook wordt de strafuitvoeringsrechtbank in alle gevallen de instantie die bevoegd is om te beslissen over de tenuitvoerlegging van de vervangende straf en het gedeelte ervan dat nog moet worden uitgevoerd.113
1 «Het Nieuwe is verborgen in het Oude, het Oude wordt onthuld in het Nieuwe», Augustinus van Hippo.
2 Wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek (BS 8 april 2024) en Wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek II van het Strafwetboek (BS 8 april 2024).
3 Art. 42 met betrekking tot de nieuwe hoofdstraf behandeling onder vrijheidsberoving en art. 46 met betrekking tot de verlengde opvolging, die op termijn de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank moet vervangen als bijkomende straf. Deze nieuwe straffen, die een uitbreiding van de infrastructuur vereisen, treden in werking op 1 januari 2035 tenzij de Koning een vroegere datum van inwerkingtreding zou bepalen (art. 38 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek).
4 Art. 38 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek en art. 119 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek II van het Strafwetboek.
5 Zie uitgebreid: De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., Boek I van het nieuwe Strafwetboek: De nieuwe regels van het algemeen strafrecht toegelicht, die Keure, 2024, 7-13.
6 Geens K., Het Justitieplan. Een efficiëntere justitie voor meer rechtvaardigheid, https://www.koengeens.be/policy/justitieplan.
7 Ministerieel besluit van 30 oktober 2015 houdende oprichting van de Commissies tot hervorming van het strafrecht en van het strafprocesrecht, BS 29 december 2015. Tijdens de volgende legislatuur werd de Commissie heropgericht met een aangepaste opdracht, bij Ministerieel besluit van 22 december 2020 houdende oprichting van de Commissie tot hervorming van het strafrecht, BS 20 januari 2021.
8 Deze Commissie bestond aanvankelijk uit J. Rozie (gewoon hoogleraar Universiteit Antwerpen) en D. Vandermeersch (advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie en professor emeritus UCLouvain), met medewerking van J. De Herdt (auteur van deze bijdrage), M. Debauche (Dienst beginselen van strafrecht en strafprocesrecht FOD Justitie) en M. Taeymans (Dienst voor strafrechtelijk beleid FOD Justitie). Later werd J. De Herdt mee opgenomen als lid in de Commissie.
9 Rozie J. en Vandermeersch D. m.m.v. De Herdt J. Debauche M. en Taeymans M., Commissie voor de hervorming van het strafrecht. Voorstel van voorontwerp van Boek I van het Strafwetboek, die Keure, 2016, 179 p.; Rozie J., Vandermeersch D. en De Herdt J., m.m.v. Debauche M. en Taeymans M., Naar een nieuw Strafwetboek? Het voorstel van de Commissie tot hervorming van het strafrecht, die Keure, 2019, 591 p.
10 De teksten werden wel ingediend onder de vorm van wetsvoorstellen, hetzij onder de vorm die ze hadden aangenomen tijdens de besprekingen binnen de regering-Michel (Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek - Boek 1 en Boek 2, KAMER, 2018-2019, 13 maart 2019, nr. 54-3651/001; Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek - Boek 1 en Boek 2, KAMER, BZ 2019, 24 september 2019, nr. 55-0417/001.), hetzij in de vorm van de originele teksten van de Commissie tot hervorming van het strafrecht (Wetsvoorstel tot instelling van een nieuw Strafwetboek (boek 1 en 2), KAMER, 2019-2020, 12 februari 2020, nr. 55-1011/001).
11 Wet van 21 maart 2022 houdende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht, BS 30 maart 2022. Deze hervorming was een overname van een hoofdstuk uit het voorontwerp van nieuw Strafwetboek, ingepast in de systematiek van het Strafwetboek van 1867.
12 Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001.
13 Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001.
14 De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., Boek I van het nieuwe Strafwetboek: De nieuwe regels van het algemeen strafrecht toegelicht, die Keure, 2024; De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., artikelenreeks «Het nieuwe Strafwetboek» in NC vanaf aflevering 2024/3; De Herdt J., «Boek II van het nieuwe Strafwetboek: enkele wegwijzers voor de ontdekking van de nieuwe regels met betrekking tot de gemeenrechtelijke misdrijven», te verschijnen bij Larcier-Intersentia in het verslagboek van de Cyclus Willy Delva 2024-2025. Deze bijdrage is, wat de wijzigingen aan Boek I betreft, in belangrijke mate op deze eerdere publicaties gebaseerd.
15 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 6.
16 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 6-16; MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 6-12.
17 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 13-14.
18 Meer bepaald: de wet van 7 juli 1875 tot bestraffing van het aanbod of het voorstel om bepaalde misdaden te plegen; de wet van 25 maart 1891 houdende bestraffing van de aanzetting tot het plegen van misdaden of wanbedrijven; de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie; de strafbepalingen uit de antidiscriminatiewetten; de strafbaarstellingen uit het Wetboek van Strafvordering; de wet van 12 december 1817 houdende bepaling van straffen tegen de genen, die niet aan den militairen rechtsdwang onderworpen, de desertie van het krijgsvolk begunstigen; de strafbepalingen uit het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers; de wet van 6 april 1847 tot bestraffing van de beledigingen aan den Koning; de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen; de wet van 11 juni 1889 betreffende de drukwerken en formulieren die het voorkomen van bankbiljetten of andere papieren waarden hebben; de besluitwet van 20 augustus 1915 met betrekking tot de vernietiging of beschadiging van door het leger opgerichte verdedigingswerken; het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen; de wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden; de besluitwet van 10 april 1941 betreffende het verbod van economische betrekkingen met den vijand; de strafbepalingen van de wet van 2 maart 1954 tot voorkoming en beteugeling der aanslagen op de vrije uitoefening van de door de Grondwet ingestelde soevereine machten; de wet van 1 augustus 1979 betreffende diensten bij een vreemde leger- of troepenmacht die zich op het grondgebied van een vreemde Staat bevindt; de bepalingen inzake mensensmokkel uit de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd en de wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen.
19 Bv. Cass. 17 december 2024, AR nr. P.24.1076.N; Cass. 7 maart 2023, AR nr. P.22.1680.N; Cass. 19 mei 2009, P.08.1164.N, Arr.Cass. 2009, 1320, nr. 327 concl. Duinslaeger P.
20 Bv. GwH 23 februari 2005, nr. 45/2005; GwH 17 maart 2010, nr. 27/2010. Zie MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 22-25.
21 Theorie volgens welke de Belgische rechtscolleges bevoegd zijn om kennis te nemen van misdrijven die zich gedeeltelijk materieel hebben voltrokken in België. Zie o.a. Cass. 3 september 2024, AR nr. P.24.0506.N; Cass. 4 februari 1986, Arr.Cass. 1985-86, nr. 355, 765; Cass. 23 januari 1979, Arr.Cass. 1978-79, 575.
22 Art. 6-14/15 V.T.Sv., zoals recent gewijzigd door de Wet van 9 april 2024 strafprocesrecht I, BS 18 april 2024.
23 Cass. 18 december 2013, AR nr. P.13.0708.F, Arr.Cass. 2013, nr. 693, 2806; MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 28.
24 Zie bv. Cass. 2 oktober 2002, AR nr. P.02.0635.F, Arr.Cass. 2002, nr. 497, 2017; Cass. 10 november 2004, AR nr. P.04.0974.F, Arr.Cass. 2004, nr. 540, 1805.
25 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 30-31.
26 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 49.
27 Zie concl. Vandermeersch D. bij Cass. 6 november 2019, AR nr. P.19.0651.F, Arr.Cass. 2019, nr. 572; MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 43.
28 Cass. 12 september 2007, AR nr. P.07.0804.F, Arr.Cass. 2007, 1603, nr. 402.
29 Verslag van de eerste lezing bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2023-2024, 19 december 2023, nr. 55-3374/004, 58.
30 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 48.
31 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 49.
32 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 49; Verslag van de eerste lezing bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2023-2024, 19 december 2023, nr. 55-3374/004, 68.
33 Theorie aangenomen sinds Cass. 1 februari 1877, Pas. 1877, I, 92; zie o.a. Borucki C., «Gezag van strafrechtelijk gewijsde en de eenheid (en het bewijs) van het foutbegrip, vandaag en mogelijk morgen (noot onder Antwerpen 21 november 2023)», NJW 2024, 583-584; Rodriguez M., «Het foutbegrip in het burgerlijk recht en het strafrecht en de implicaties voor het gezag van strafrechtelijk gewijde (noot onder Gent 7 maart 2013)», TBBR 2014, 400-401, nr. 11.
34 Zie ook De Herdt J., «Verzwarende factoren», Comm.Straf., nr. 3-10.
35 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek II van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 juli 2023, nr. 55-3518/001, 7.
36 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 281.
37 In artikel 105 van de reparatiewet worden alle wijzigings- en opheffingsbepalingen geschrapt, maar met de bedoeling het hier bedoelde artikel later te hernemen in de wet die ook alle andere wijzigingen aan het Wetboek van Strafvordering aanbrengt.
38 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 62-63.
39 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 65.
40 Verslag van de eerste lezing bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2023-2024, 19 december 2023, nr. 55-3374/004, 61-62.
41 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 61.
42 Deze bepaling geeft gevolg aan de suggestie door koninklijk commissaris Legros in zijn voorontwerp van 1985 (zie Legros R., Voorontwerp van Strafwetboek, uitgave van het Belgisch Staatsblad, 1985, 30).
43 Adv. RvS nr. 60.893/3 van 27 maart 2017, nr. 5.
44 Verslag van de eerste lezing bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2023-2024, 19 december 2023, nr. 55-3374/004, 70.
45 Opgeheven door artikel 35, 3° en 4° van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek.
46 Cass. 13 mei 1987, Arr.Cass. 1986-87, 1203; Cass. 19 oktober 2005, AR nr. P.05.0807.F, Arr.Cass. 2005, nr. 519.
47 Zie bv. Van Den Wyngaert C., Vandromme S. en Traest P., Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2022, 257; Verstraeten R. en Verbruggen F., Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia, 2023, 88, nr. 240.
48 Vgl. MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 71. Zie ook De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., Boek I van het nieuwe Strafwetboek: De nieuwe regels van het algemeen strafrecht toegelicht, die Keure, 2024,124.
49 Zie: De Herdt J., Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia, 2014, 648-650, nr. 708-710; Tulkens F., Van De Kerchove M., Cartuyvels Y. en Guillain C., Introduction au droit pénal, Kluwer, 2014, 378; Kuty F., Principes généraux du droit pénal belge: T. II: L’infraction pénale, Larcier, 2020, 496.
50 Cass. 19 april 2006, AR nr. P.06.0018.F, Arr.Cass. 2006, 895, nr. 221, concl. Vandermeersch D. NC 2008, 343, noot De Herdt J.; Cass. 5 oktober 2016, AR nr. P.16.0698.F, Arr.Cass. 2016, nr. 549; Cass. 5 september 2018, AR nr. P.18.0242.F, Arr.Cass. 2018, nr. 443; Cass. 14 september 2021, AR nr. P.21.0815.N.
51 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 76-77.
52 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 77-78.
53 Zie bv. Cass. 12 december 1859, Pas. 1860, I, 173; Cass. 24 mei 1976, Arr.Cass. 1976, 1053. Deze rechtvaardigingsgrond werd ook aangehaald in de discussies over het Strafwetboek van 1867 (Verslag namens de Kamercommissie, in Nypels J.S.G., Législation criminelle de la Belgique. Commentaire et complément du code pénal belge, II, Bruylant, 1867-1870, 539-540, nr. 3), in het voorontwerp van koninklijk commissaris Legros (Legros R., Voorontwerp van Strafwetboek, Uitgave van het Belgisch Staatsblad, 1985, 22.) en de discussies in het Nationaal Congres over de Grondwet (Huyttens E., Discussions du Congrès national de Belgique, Société typographique belge, 1844, t/ II, p. 224-225 en t/ IV, p. 65-67.).
54 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 80.
55 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 90.
56 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 91.
57 Bv. Cass. 28 september 1993, Arr.Cass. 1993, 773. Zie ook Vanheule J., «Kanttekeningen bij het gradueel onderscheid tussen daderschap en medeplichtigheid (noot onder Cass. 25 april 2012)», RABG 2013, 1043.
58 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 92. Dit werd ook alvoorgesteld in het voorontwerp van R. Legros (Legros R., Voorontwerp van Strafwetboek, Uitgave van het Belgisch Staatsblad, 1985, 151.).
59 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 84-85.
60 Vgl. Cass. 12 mei 1998, Arr.Cass. 1998, 544; Cass. 26 februari 2008, AR nr. P.06.1518.N, Arr.Cass. 2008, 540; Luik 17 februari 2004, JT 2004, 925, noot Derre S.
61 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 89-90.
62 Zie uitgebreid de recente bijdrage Van Overbeke S., «Deelneming door onthouding», Comm.Straf., 44 p. Zie bv. Cass. 1 maart 2023, AR nr. P.22.1463.F, Dr.pén.entr. 2023, 221.
63 Cass. 26 april 2017, AR nr. P.17.0184.F, RDPC 2017, 947, noot Kuty F., «La consécration de la participation punissable post factum». Zie ook Cass. 27 oktober 2009, AR nr. P.09.970.N, Arr.Cass. 2009, 2507 en Kuty F., Les principes généraux du droit pénal belge: Tome III. l’auteur de l’infraction pénale, Larcier, 2012, 288-293.
64 EHRM 2 juni 2005, Goktepe/België, RDPC 2005, 1247, noot Neve M., «Vers la fin de la théorie de l’emprunt de criminalité», JLMB 2005, 1556, noot Colette-Basecqz N., «La théorie de l’emprunt matériel de criminalité jugée incompatible avec le procès équitable et les droits de la défense», JT 2005, 713, noot Renson P.-P., «L’emprunt matériel de criminalité sévèrement condamné par la Cour européenne des droits de l’homme». Zie ook De Herdt J., Fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia, 2014, 189-214; Kuty F., «La responsabilité pénale du chef des circonstances aggravantes réelles» in X (ed.), Actualités du droit pénal, Bruylant, 2009, 31-88; Mareschal M., «Circonstances aggravantes objectives: Strasbourg met de l’ordre», Journ.Proc. 2005, 506; Rozie J., «Het lot van de objectieve verzwarende omstandigheden: liever een latrelatie dan een gedwongen huwelijk ...» (noot onder EHRM 27 maart 2008, Delespesse/België), NC 2008, 264-271.
65 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 99. Zie ook Verslag van de eerste lezing bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2023-2024, 19 december 2023, nr. 55-3374/004, 60. Zie bv. ook Cass. 20 oktober 2020, AR nr. P.20.0781.N; Cass. 9 november 2022, AR nr. P.22.0892.F, JLMB 2023, 786.
66 Verslag van de eerste lezing bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2023-2024, 19 december 2023, nr. 55-3374/004, 79.
67 Cass. 18 februari 2025, AR nr. P.24.1613.N.
68 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 112.
69 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 116-118.
70 Art. 38 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek. Zie ook MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 171.
71 Merk evenwel op dat in niveau 1 sommige straffen die initieel bestempeld worden als een bijkomende straf, het karakter kunnen krijgen van een hoofdstraf.
72 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 156.
73 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 121 en 156.
74 Met die nuance dat in art. 7bis Sw. 1867 melding wordt gemaakt van de «eenvoudige schuldigverklaring».
75 Zie hieromtrent De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., Boek I van het nieuwe Strafwetboek: De nieuwe regels van het algemeen strafrecht toegelicht, die Keure, 2024, 258-266.
76 Zie hieromtrent De Herdt J., Rozie J. en Vandermeersch D., Boek I van het nieuwe Strafwetboek: De nieuwe regels van het algemeen strafrecht toegelicht, die Keure, 2024, 285-293.
77 Art. 38 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van Boek I van het Strafwetboek. Zie ook MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 55, 60 en 171.
78 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 192. Met andere woorden, de termijn omvat ook perioden waarin de veroordeelde zijn straf uitvoert onder de modaliteit van het elektronisch toezicht of onder voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling (MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 197). In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 5) wordt de omschrijving gewijzigd als volgt: «voorwaardelijke invrijheidstelling, voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht».
79 Zie hieromtrent: Rozie J. en Vandermeersch D., «De spiegelstraf herontdekt: een nieuw wapen in de strijd tegen de ineffectiviteit van de bestraffing?», RW 2016-17, 243.
80 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 194.
81 Met andere woorden, de termijn omvat ook perioden waarin de veroordeelde zijn straf uitvoert onder de modaliteit van het elektronisch toezicht of onder voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling. In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 6) wordt de omschrijving gewijzigd als volgt: «voorwaardelijke invrijheidstelling, voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht».
82 In het huidige artikel 417/58 Sw. 1867 is een bijzondere motiveringsplicht opgenomen, die niet werd overgenomen in het nieuwe Strafwetboek. Dit wordt hersteld in het kader van het voorontwerp van reparatiewet (art. 7, 1°), waar een lid wordt ingevoegd: «De oplegging van deze straf moet met bijzondere redenen worden omkleed en rekening houden met de ernst van de feiten, met de reclasseringsmogelijkheden voor de veroordeelde of het risico op recidive.».
83 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 198-199.
84 Met andere woorden, de termijn omvat ook perioden waarin de veroordeelde zijn straf uitvoert onder de modaliteit van het elektronisch toezicht of onder voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling (MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 197). In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 7, 2°) wordt de omschrijving gewijzigd als volgt: «voorwaardelijke invrijheidstelling, voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht».
85 Zie MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 154 en 200.
86 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 201.
87 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 227.
88 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 229.
89 In het voorontwerp van reparatiewet (art. 10) wordt dit geherformuleerd als een verplichting voor de rechter.
90 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 230.
91 In het voorontwerp van reparatiewet (art. 11) wordt het criterium van gelijkaardigheid vervangen door een verwijzing naar «die verband houdt met degene die geleid heeft tot het plegen van het misdrijf».
92 In het voorontwerp van reparatiewet (art. 11) wordt een aanpassing doorgevoerd waardoor ook de tijdelijke sluiting mogelijk wordt.
93 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 15.
94 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 122-126.
95 Met de wet van 18 juli 2025 houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft (BS 4 augustus 2025) heeft de wetgever in het Strafwetboek van 1867 (art. 7, § 3, eerste lid Sw. 1867) beperkingen ingevoerd aan de mogelijkheid om gevangenisstraffen tot zes maanden op te leggen en stelde hiermee te streven naar een analogie met het nieuwe Strafwetboek (Zie bv. Verslag van de tweede lezing namens de commissie voor Justitie bij Wetsontwerp houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen, KAMER, 2024-2025, 16 juli 2025, 6). De analogie is echter allesbehalve compleet, aangezien het onder het Strafwetboek van 1867 mogelijk blijft een gevangenisstraf tot zes maanden op te leggen indien niet aan de voorwaarden van de werkstraf, autonome probatiestraf of straf onder elektronisch toezicht is voldaan of wanneer een hogere maximumstraf dan zes maanden gevangenisstraf voor het misdrijf is bepaald in de wet. Een gevangenisstraf tot zes maanden met uitstel blijft ook steeds mogelijk onder het Strafwetboek van 1867 na de wet van 18 juli 2025. Zie hierover uitgebreider: De Herdt J., «De Noodwet overbevolking in de gevangenissen en de straftoemeting: de toekomst begint nu, maar nog (lang) niet helemaal», NC 2025, 76-77, nr. 12-14.
96 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 172.
97 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 173.
98 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 177.
99 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 179-180.
100 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 183.
101 Het gaat om:1° foltering met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 118;2° verkrachting van een minderjarige bedoeld in de artikelen 143, vijfde streepje, 144, vijfde streepje, en 145, vijfde streepje;3° niet-consensuele seksuele handelingen met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 139;4° ontvoering met de dood tot gevolg bedoeld in artikel 225;5° een terroristisch misdrijf bedoeld in artikel 371, ingeval dit de dood heeft veroorzaakt.
102 Met andere woorden, de termijn omvat ook perioden waarin de veroordeelde zijn straf uitvoert onder de modaliteit van het elektronisch toezicht of onder voorwaardelijke of voorlopige invrijheidstelling (MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 197). In het voorontwerp van reparatiewet (artikel 4) wordt de omschrijving gewijzigd als volgt: «voorwaardelijke invrijheidstelling, voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en de invrijheidsstelling onder toezicht».
103 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 202, voetnoot 542. Hiertoe wordt in de reparatie- en harmonisatiewetgeving die op het moment van het afsluiten van deze bijdrage voor advies bij de Raad van State lag, in een aanpassing van de wet van 5 maart 1952 voorzien.
104 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 207.
105 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 202 en 204.
106 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 209.
107 De bepaling luidt: «§ 5. Voor het bepalen van het bedrag van de vermogensbestanddelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, kan de rechter zich inzonderheid baseren op alle elementen die hem op tegensprekelijke wijze worden voorgelegd, en die wijzen op een onevenwicht tussen enerzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde gedurende de incriminatieperiode die door het openbaar ministerie worden bewezen, en anderzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in diezelfde période, waarvan die laatste geloofwaardig kan maken dat ze niet voortspruiten uit de misdrijven waarvoor hij werd veroordeeld.» In het voorontwerp van reparatiewet (art. 8) wordt in deze omschrijving het woord «rechtstreeks» opgeheven.
108 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 202 232.
109 Zie MB van 13 maart 2024 houdende oprichting van de Commissie Strafuitvoeringswetboek, BS 19 maart 2024.
110 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 16.
111 MvT bij Wetsontwerp tot invoering van Boek I van het Strafwetboek, KAMER, 2022-2023, 24 mei 2023, nr. 55-3374/001, 183.
112 Probatiestraf (art. 44, § 4 Sw.), ontzetting uit de rechten (art. 47, laatste lid Sw.), beroepsverbod (art. 48, laatste lid Sw.), verval van het recht tot sturen (art. 49, zesde lid Sw.), verblijfs-, plaats- of contactverbod (art. 50, laatste lid Sw.), verbod om een activiteit die deel uitmaakt van het voorwerp uit te oefenen (art. 57, laatste lid Sw.), probatie-uitstel (art. 65, § 3 Sw.).
113 Straf onder elektronisch toezicht (art. 43, § 5 Sw.), probatiestraf (art. 44, § 5 Sw.), werkstraf (art. 45, § 4 Sw.), dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap (art. 56, § 4 Sw.) alsook de herroeping van het probatie-uitstel (art. 65, § 4 Sw.).