Omschrijving
Actuele ontwikkelingen inzake dierenwelzijn 2024-2025
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
1083
Auteur(s)
E. Verniers
Trefwoorden

DIEREN

Bijkomende informatie

Actuele ontwikkelingen inzake dierenwelzijn 2024-2025

Elien Verniers

Postdoctoraal onderzoeker Omgevingsrecht - Dier en Recht, Universiteit Gent

Het dierenwelzijnsrecht ontwikkelt zich met rasse schreden, dat was in 2024 en 2025 niet anders. In dit artikel wordt ingegaan op actuele gebeurtenissen die deze rechtstak grondig dooreen hebben geschud. Op regionaal en nationaal niveau is er onder meer de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn en de toevoeging van een extra lid aan artikel 7bis van de Grondwet, waardoor dieren nu ook in de Grondwet omschreven worden als wezens met gevoel. Op Europees vlak werd een commissaris voor dierenwelzijn aangesteld, maar blijven de broodnodige wetgevende hervormingen voorlopig uit. Ten slotte zullen wij in deze bijdrage nog de vraag trachten te beantwoorden of maatregelen die op het eerste gezicht eerder symbolisch lijken, ook werkelijk juridische impact kunnen of zullen hebben.

I. Inleiding

1. Deze bijdrage bevat een analyse van recente ontwikkelingen in het dierenwelzijnscontentieux in de periode 2024-september 2025. Zowel het Europese niveau als het nationale niveau komen hierbij aan bod. Het dierenwelzijnsrecht is een relatief jonge rechtstak, in vergelijking met bijvoorbeeld het milieurecht, en is volop in ontwikkeling. De toegenomen interesse vanuit rechtswetenschappelijke hoek uit zich in België onder meer door doctoraal onderzoek dat voor het eerst in dit vakgebied werd gevoerd.1 De stijgende aandacht voor dierenwelzijn beperkt zich bovendien niet tot de academische wereld, maar is ook waar te nemen in het toenemende contentieux bij de Raad van State inzake dierenwelzijnszaken, alsook in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.2 Dat laatste verklaarde in de zaken over het onverdoofd slachten dat de bescherming en de eerbiediging van het welzijn van dieren als wezens met gevoel een morele waarde is die door talrijke personen in het Vlaamse en Waalse Gewest wordt gedeeld.3 Het Hof ging hier zelf nog dieper op in en zei dat «het doel dat erin bestaat bij het slachten elk te voorkomen lijden van voor consumptie bestemde dieren te vermijden, onder, enerzijds, de bescherming van de moraal en, anderzijds, de bescherming van de rechten en vrijheden van personen die in hun levensopvatting gehecht zijn aan het welzijn van dieren [valt]».4 Niet alleen bevestigt het Hof hiermee dat dierenwelzijn inherent verbonden is aan de publieke moraliteit, maar geeft het daarenboven expliciet aan dat een levensopvatting die inhoudt dat het welzijn van dieren belangrijk is (en dat er daardoor steeds rekening moet worden gehouden met de belangen van dieren) een levensopvatting is die op gelijke voet bescherming verdient als bijvoorbeeld de opvatting van mensen die hun leven inrichten volgens de (spijswetten van de) islam of het judaïsme. Het onderwerp van het ritueel slachten blijft overigens zeer actueel nu op 6 januari 2025 een nieuwe zaak hangende is bij het Grondwettelijk Hof, waarin ditmaal het Vlaamse verbod op rituele thuisslachtingen wordt aangevochten.5 Thuisslachtingen waren al verboden voor runderen en paarden. Het uitgebreidere verbod voorziet dat enkel actieve landbouwers en mensen die een gespecialiseerde opleiding gevolgd hebben en beschikken over het juiste materiaal, nog thuis schapen, geiten of varkens mogen slachten. Het verbod is een van de maatregelen die door de nieuwe Vlaamse Codex Dierenwelzijn werden ingevoerd. De Vlaamse Dierenwelzijnscodex, het paradepaardje van minister van dierenwelzijn Weyts, is sinds 1 januari 2025 in werking getreden en vervangt de oude Dierenwelzijnswet van 1986.6

De opmars van dierenwelzijn in rechtsleer, rechtspraak en wetgeving beantwoordt aan de tendens in de samenleving naar een groeiende bewustwording van het belang van dierenwelzijn, zoals ook duidelijk naar voren komt in de meest recente dierenwelzijns-Eurobarometer. De speciale Eurobarometer nr. 533 peilde naar de houding van EU-burgers ten opzichte van heel wat dierenwelzijnsonderwerpen zoals dierentransport, landbouwdierenwelzijn en huisdierenwelzijn, waaruit duidelijk het belang van dierenwelzijn(swetgeving) bleek (met resultaten tot 91% op bijvoorbeeld de vraag of het welzijn van landbouwdieren moet verzekerd worden).7 Dat dierenwelzijn leeft bij de EU-burger, weerspiegelt zich eveneens in de vele (en tevens succesvolle) Europese burgerinitiatieven (EBI’s) omtrent dierenwelzijn die worden gelanceerd, zoals «Voor cosmetica zonder dierenleed - Maak Europa dierproefvrij» en «Stop het ontvinnen van haaien - Stop de handel».8

Ondanks de groei van en bekommernis voor dierenwelzijn in recht en maatschappij liggen heel wat uitdagingen op de loer en dit zowel op het nationale als het Europese niveau. Zo onthulde de Europese Commissie, nota bene op Werelddierendag, de erg ongunstige resultaten van de «fitness check» over de Europese landbouwdierenwelzijnsregelgeving die «unfit for purpose» is en dringend aan een update toe is.9 Ondertussen bijna drie jaar later werden nog geen concrete initiatieven aangenomen om de verouderde wetgeving te vervangen. Op nationaal niveau ligt het knelpunt elders, niet zozeer het gebrek aan nieuwe wetgeving is hier het probleem, maar wel de toegang van dierenwelzijnsverenigingen tot de rechter.10 Evenmin het recent ingevoerde dierenwelzijnsgrondwetsartikel (7bis, tweede lid) kon tegenwicht bieden aan de revival van de oude Eikendaeldoctrine van het Hof van Cassatie.11

II. EU-niveau

A. Een EU-commissaris voor dierenwelzijn

2. Sinds 1 december 2024 is de tweede legislatuur van von der Leyen gestart. In deze Europese Commissie werd voor het eerst een EU-commissaris aangeduid met de bevoegdheid van dierenwelzijn ook expliciet in de titel vermeld. Deze primeur was weggelegd voor de Hongaar Olivér Várhelyi, EU-commissaris voor gezondheid en dierenwelzijn. Een bekroning met ook een Belgisch randje, want GAIA ijverde met de campagne «EuForAnimals» hier al geruime tijd voor.12 In de opdrachtbrief van de Voorzitter van de Europese Commissie gericht aan Várhelyi roept ze hem op om de bestaande dierenwelzijnswetgeving te moderniseren, met inbegrip van het importeren van exotische dieren en met aandacht voor duurzaamheid, ethische, wetenschappelijke en economische overwegingen en de verwachtingen van de EU-burger.13 Op dit laatste werd in de inleiding al gealludeerd met de sterke resultaten van de Eurobarometer. Deze tonen aan dat de EU-burger niet alleen (passief) bekommerd is om dierenwelzijn, maar zich - gelet op de vele EBI’s - ook actief en zelfs activistisch inzet voor dit thema. Tijdens de eerste ondervraging door het Europees Parlement heeft Várhelyi het over «animal welfare labelling», waarbij hij vooral wil inzetten op een vrijwillig initiatief.14 Met «animal welfare labelling» wordt bedoeld: het creëren van een zogenaamd dierenwelzijnskeurmerk, zodat de consument via een uniform icoon op het product snel kan achterhalen in welke mate het product bij de totstandkoming ervan dierenwelzijnsnormen in acht heeft genomen. In verschillende lidstaten bestaan dergelijke initiatieven reeds. Ook in Vlaanderen is men hiermee bezig. Op de vraag hoe hij de dierenwelzijnswetgeving juist wil moderniseren en welke nieuwe elementen hij hierbij wil onderzoeken en aankaarten, houdt hij zich op de vlakte en maakt hij louter melding van reeds bestaande zaken, zoals het EBI «End the Cage Age» en de Europese dierenwelzijnsreferentiecentra.15 Ook in de tweede hoorzitting blijft Várhelyi hierover vaag, hij verlegt de aandacht naar de handel met derdelanden die hij equivalente dierenwelzijnseisen zou willen opleggen.16 Verder benadrukt hij nadrukkelijk dat het hangende wetsvoorstel voor een aanpassing van de DierenTransportverordening wat hem betreft een prioriteit is.17 Op de recente 16e bijeenkomst van het «EU Platform on Animal Welfare» gaf de EU-commissaris voor dierenwelzijn een speech.18 In de speech herhaalde hij wat de prioriteiten van de Commissie waren voor de komende vijf jaar, naast de herziening van de Transportverordening staat ook de invoering van een (gloednieuwe) verordening voor het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid op de agenda (zie hierna).19

De benoeming van een EU-commissaris voor dierenwelzijn betekent een nieuwe mijlpaal voor het Europese dierenwelzijnscontentieux. Of dit ook inhoudelijk voor een incentive zal zorgen, is maar de vraag, toch zorgt deze voorlopig symbolische verandering dat dierenwelzijn andermaal in de kijker wordt geplaatst in de EU.

B. Nieuwe EU-dierenwelzijnswetgevingen in de pijplijn

3. De hierboven reeds aangehaalde voorstellen over de herziening van de Transportverordening en de invoering van een verordening voor het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid staan momenteel on hold door een impasse in het parlement. Beide voorstellen dateren al van de vorige legislatuur en vorderingen maken verloopt aldus moeizaam.20 Een deel van de verklaring is te vinden in de oorlog in Oekraïne. Hierdoor is dierenwelzijn minder prioritair geworden, tot tevredenheid van de landbouwlobby, omdat de focus nu meer ligt op «voedselzekerheid».

4. De Transportverordening is het slachtoffer van een vertragingsprocedure van verschillende comités (AGRI & ENVI) die zowat drieduizend amendementen hebben ingediend op het ontwerpvoorstel van de Commissie.21 Amendementen die elkaar heel vaak tegenspreken, zo is er enerzijds een amendement dat de transportduur wil beperken tot vier uur, en anderzijds een amendement dat deze juist wil verlengen tot meer dan honderd uur. Ook wat betreft temperatuurlimieten en het al dan niet vervoeren van pasgeboren dieren liggen de standpunten mijlenver uit elkaar. De stemming van deze talrijke amendementen wordt ten vroegste in oktober van dit jaar verwacht. De initiële kernpunten van het commissievoorstel hebben betrekking op het inkorten van de reistijden, in het bijzonder voor jonge en drachtige dieren.22 Ook de minimumruimte waar een dier tijdens het transport recht op heeft, wordt vergroot en aangepast naargelang de diersoort.23 Bij extreme weersomstandigheden (zowel extreme warmte als koude) is het de bedoeling dat er een strengere regelgeving komt, met bijvoorbeeld een maximum van 9 uur reistijd bij temperaturen van minus 5 °C en enkel nachttransport bij temperaturen van meer dan 30 °C.24 Een ander speerpunt is een verstrenging van de regelgeving bij de export van (levende) dieren naar derdelanden buiten de Europese Unie.25 Dit laatste is een veruiterlijking en bevestiging van het Zuchtvieh-arrest van het Europees Hof van Justitie, waarin werd verduidelijkt dat wanneer een lang transport vertrekt op het grondgebied van de Europese Unie en buiten dit grondgebied wordt voortgezet, gedurende het gehele traject moet worden voldaan aan de EU-welzijnsvereisten.26 De commissie baseerde zich voor het voorstel op onder meer vijf wetenschappelijke adviezen van de «European Food Safety Authority» (EFSA). De EFSA onderzocht specifiek het welzijn tijdens het vervoer van kleine herkauwers,27 paardachtigen28, vee29, varkens30 en gedomesticeerde vogels en konijnen31. Dat de twintig jaar oude Transportverordening dringend aan een update toe is, bleek ook uit de reeds in de inleiding vermelde fitness check.32 Ondanks de omzetting in 2005 van de Transportrichtlijn in een Transportverordening bleven structurele verbeteringen uit.33 De commissie lijkt hier nu een einde aan te willen maken, al ligt er nog een lange weg voor de boeg. Net die lange weg wil de commissie zowel spreekwoordelijk als letterlijk verkorten.

5. Ook de invoering van de nieuwe verordening voor het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid loopt vertraging op. Wegens gebrek aan consensus tussen verschillende politieke standpunten op het vlak van identificatie en registratie is het voorlopig nog wachten op een positieve stemming van AGRI. De nieuwe verordening heeft als doel om uniforme standaarden in te voeren wat betreft het fokken, huisvesten en verkopen van honden en katten, zowel in fokkerijen, dierenwinkels als asielen.34 De traceerbaarheid van honden en katten moet vorm krijgen aan de hand van een verplichte identificatie en registratie in nationale databanken. Met deze maatregel wil men een einde maken aan broodfok en illegale handel, waarbij honden en katten vaak onder zeer slechte dierenwelzijnsomstandigheden worden gehouden.35 Artikel 13 VWEU, de Europese dierenwelzijnsbeleidsintegratiebepaling,36 geeft aan dat zowel de Unie als de Lidstaten ten volle rekening moeten houden met dieren als wezens met gevoel, en dit in verschillende beleidsdomeinen, waaronder ook de landbouw (art. 43 (2) VWEU) en de interne markt (art. 114 VWEU) zijn opgenomen. Het zijn ook deze twee bepalingen die de rechtsgrondslagen vormen voor de nieuwe verordening.37 Het fokken, houden, in de handel brengen of leveren van voor wetenschappelijke doeleinden bestemde honden of katten valt buiten het toepassingsgebied van de verordening.38 Onder het welzijn van honden en katten wordt verstaan: «de lichamelijke en geestelijke toestand van een hond of kat in verhouding tot de omstandigheden waarin de hond of kat is geboren, leeft en sterft».39 Ook hier gaf de EFSA wetenschappelijke input, zodat de commissie op wetenschappelijke gegevens geïnformeerde regelgeving hieromtrent kon opstellen.40

6. De opmerkzame lezer zal zich afvragen of er ook geen nieuwe wetgevende initiatieven op tafel liggen wat betreft de Europese landbouwdierenwelzijnswetgeving nu in de inleiding werd benadrukt dat het net de landbouwdierenwelzijnswetgeving is die unfit for purpose en niet langer futureproof is.41 In februari publiceerde de commissie het beleidsdocument «A Vision for Agriculture and Food Shaping Together an Attractive Farming and Agri-Food Sector for Future Generations».42 Hierin verbindt de commissie zich ertoe om voorstellen aan te leveren die de bestaande landbouwdierenwelzijnswetgeving herzien, met inbegrip van het uitfaseren van kooien.43 Het uitfaseren van kooien moet een antwoord bieden op het succesvolle EBI «End the Cage Age».44 Een concrete tijdslijn ontbreekt echter in dit document. Bovendien ontbrak elke verwijzing naar dierenwelzijn in de recente conferentie op 8 mei, waar de Europese Commissie haar toekomstvisie van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorstelde.45 Voor een echte doorbraak wordt het alsnog wat geduld oefenen.

III. Nationaal niveau

A. Het federale niveau

III.1.1 De opname van de zorg voor dieren als wezens met gevoel in artikel 7bis GW

7. Op 2 mei 2024 werd in de plenaire vergadering van het federaal parlement een grondwetsherziening aangenomen die dierenwelzijn toevoegt in een tweede lid van artikel 7bis van de Grondwet.46 Het gaat om een dierenwelzijnsstaatsdoelstelling die als volgt wordt geformuleerd: «Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten naar bescherming van en zorg voor dieren als wezens met gevoel.» Hoewel dit als een belangrijke ethische en maatschappelijke stap wordt voorgesteld, is het juridische effect van deze bepaling het onderwerp van debat. De lang aanslepende parlementaire procedure, waarin standstill-verplichtingen en toetsingsmogelijkheden centraal stonden, onthult de symbolische en pragmatische afwegingen die de uiteindelijke grondwetswijziging hebben bepaald.

8. Vooraleer dieper in te gaan op de uiteindelijke inhoudelijke bepaling in haar huidige vorm geven we eerst wat context over de zeven jaar die de grondwetsherziening voorafgaan.

De eerste concrete stappen voor de opname van dierenwelzijn in de Grondwet dateren reeds van 2016. Naar aanleiding van Werelddierendag startte GAIA een campagne,47 die ook academische en politieke steun verkreeg.48 Al in februari 2017 dienden senatoren Bethune en Defraigne een eerste voorstel in om artikel 7bis aan te passen opdat dierenwelzijn in de Belgische Grondwet zou worden opgenomen.49 Een jaar later begon de parlementaire behandeling met hoorzittingen waarin zowel experten als belangenorganisaties aan het woord kwamen. Naar aanleiding van deze hoorzittingen werd een amendement neergelegd met als doel om dierenwelzijn niet in artikel 7bis, maar in artikel 23 van de Grondwet op te nemen.50 In dit voorstel zou artikel 23, derde lid, 4° van de Grondwet luiden: «het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, wat de bescherming en het welzijn van dieren als wezens met gevoel inhoudt». Uit de hoorzittingen kwam tot uiting dat artikel 23 op minstens twee vlakken voordeliger zou zijn dan artikel 7bis van de Grondwet, met name de mogelijkheid tot toetsing van het Grondwettelijk Hof en de automatische koppeling van een standstill-verplichting, vandaar de indiening van het amendement. Uiteindelijk werden in de legislatuur 2014-2019 noch het voorstel van artikel 7bis, noch het amendement van artikel 23 gestemd.

De daaropvolgende legislatuur (2019-2024) leek alvast een vlotte start te kennen met al een eerste voorstel op de vooravond van Werelddierendag in 2019. De indieners legden een quasi-identiek voorstel voor als het eerdere voorstel van Bethune en Defraigne.51 Ondanks deze vlotte start zal een dierenwelzijnsgrondwetsartikel er pas op de valreep van het einde van de legislatuur in mei 2024 definitief doorkomen. Heel het wetgevend proces uit de vorige legislatuur herhaalde zich, met nieuwe hoorzittingen met experten. Een eerste doorbraak vond pas plaats op 24 november 2023, toen de plenaire vergadering van de Senaat een voorstel tot herziening van artikel 7bis goedkeurde en doorzond naar de Kamer van volksvertegenwoordigers.52 De uiteindelijke keuze voor artikel 7bis was toch enigszins verrassend, aangezien op de laatste hoorzitting in juni 2023 drie van de vier voorliggende voorstellen betrekking hadden op de piste van artikel 23, en slechts één op artikel 7bis.53 De onverwachte plottwist kwam er door een nieuw voorstel dat de dag voor de stemming werd ingediend en dat was ingediend «vanuit de bekommernis om een ruime consensus te bereiken».54 Deze ruime consensus hield aldus de keuze voor artikel 7bis in.

Ook in de Kamer werd de discussie over een dierenwelzijnsgrondwetsartikel voortgezet. Naast de reeks mondelinge hoorzittingen met experten werden ook schriftelijke adviezen bij de experten ingewonnen. De Commissie Grondwet en Institutionele vernieuwing nam in maart 2024 het door de Senaat overgezonden grondwettelijk dierenwelzijnsontwerp aan.55 Wat volgde, was een laatste discussie in de plenaire vergadering op 25 april 2024, inclusief nog (spiegel)amendementen, maar op 2 mei 2024 verkreeg artikel 7bis uiteindelijk de nodige vereiste bijzondere meerderheid. Na bekrachtiging door de Koning op 5 mei werd de grondwetsherziening finaal gepubliceerd op 24 mei 2024 in het Belgisch Staatsblad.56

9. De voornaamste twee twistpunten die de debatten beheersten, betroffen enerzijds de keuze om dierenwelzijn onder te brengen in artikel 7bis (de duurzaamheidsstaatsdoelstelling) dan wel artikel 23 (het recht op een gezond leefmilieu) van de Grondwet, en anderzijds de koppeling van een relatieve standstill aan artikel 7bis.

De discussie tussen artikel 23 en artikel 7bis was vooral een juridisch-technische kwestie en had minder betrekking op de vraag of dierenwelzijn beter paste bij leefmilieu dan wel bij duurzame ontwikkeling.57 Zoals hierboven reeds onder de aandacht gebracht, komt artikel 23 met de voordelen van een automatische standstill en behoort het tot de bepalingen waaraan het Grondwettelijk Hof kan toetsen.

Wat betreft dat laatste, is het inderdaad zo dat artikel 23 onder titel II van de Grondwet valt, waardoor het Grondwettelijk Hof hieraan rechtstreeks wetten, decreten en ordonnanties kan toetsen, dit in tegenstelling tot artikel 7bis, dat is opgenomen onder titel Ibis. Om hieraan tegemoet te komen, legden Arens e.a. nog een voorstel op tafel om dienaangaande de toetsingsbevoegdheid van het Grondwettelijk Hof uit te breiden naar de bepalingen onder titel Ibis van de Grondwet en dus zo ook naar het nieuwe dierenwelzijnsartikel.58 Dit voorstel werd echter niet in aanmerking genomen.59

Wat betreft het eerste, is het vaste rechtspraak60 en wordt het algemeen bevestigd door de rechtsleer61 dat artikel 23 van de Grondwet inherent een (relatieve)62 standstill inhoudt. Met andere woorden, de bevoegde overheid mag het bestaande beschermingsniveau niet aanzienlijk verminderen zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan. Niet elke vermindering zal in aanmerking komen, enkel «aanzienlijke» verminderingen.63 Daarnaast speelt ook het criterium van «redenen van algemeen belang» een belangrijke rol. Twee jaar geleden heeft het Grondwettelijk Hof deze vereiste trouwens restrictiever toegepast, waardoor de redenen voldoende zwaarwichtig moeten zijn om een achteruitgang te kunnen verantwoorden.64 Door de weg in te slaan van artikel 7bis leek de gehele standstill-discussie van de baan, maar het geschreven advies van Velaers en Foblets bracht hier verandering in, met nieuwe discussies tot gevolg.65

In het advies werd benadrukt dat de constituante zich expliciet diende uit te spreken over het al dan niet koppelen van een standstill aan het nieuwe dierenwelzijnsgrondwetsartikel in het tweede lid van artikel 7bis.66 Op basis van dit advies worden de verdere debatten gekleurd, waarbij vooral N-VA-lid Loones het voortouw neemt en er consistent op aandringt dat elke partij hierover een standpunt inneemt.67 Hieruit blijkt dat de PS68, de MR69 en Ecolo-Groen70 voor het koppelen van een relatieve standstill aan artikel 7bis zijn, het Vlaams Belang71, Vooruit72 en de N-VA73 zijn tegen de koppeling en cd&v74 en Open VLD75 lijken tegen het opnemen van dierenwelzijn in de Grondwet in haar geheel te zijn. Om de zaken nog wat ingewikkelder te maken besluit Van Quickenborne op de koop toe een amendement in te dienen waarin expliciet staat dat het nieuwe lid van artikel 7bis buiten het toepassingsgebied van Grondwettelijk Hof en andere rechtscolleges zou vallen. De achterliggende insteek was om te verzekeren dat artikel 7bis weinig tot geen juridische draagwijdte zou verkrijgen. Van Quickenborne zag echter over het hoofd dat het amendement pas kon worden aangenomen met een strenge tweederdemeerderheid, waardoor andere Kamerleden vreesden dat bij het niet ondenkbare scenario van een negatieve stemming een a contrario-redenering ervoor kon zorgen dat aan artikel 7bis alsnog een standstill werd gekoppeld. Om dit te voorkomen diende Loones zelf een spiegelamendement in.76 De toelichting van het amendement verduidelijkt als volgt: «Bij ontstentenis van een positieve stemming van onderhavig amendement, zal dienen te worden afgeleid dat er geen uitdrukkelijke en geen duidelijke stellingname van de Constituante is om ook maar enige standstill-verplichting te ontlenen aan het nieuwe artikel 7bis van de Grondwet. Geen relatieve en vanzelfsprekend al zeker geen absolute.»77 Van Quickenborne trok uiteindelijk zijn amendement in en het amendement van Loones werd unaniem verworpen. De grondwetgever beslist aldus om dierenwelzijn in artikel 7bis van de Belgische Grondwet op te nemen, maar zonder toetsingsmogelijkheid van het Grondwettelijk Hof en zonder koppeling van een relatieve standstill.

10. Wat is nu de juridische impact van de grondwettelijke dierenwelzijnsstaatsdoelstelling? Velaers en Foblets stellen alvast dat de bepalingen in titel Ibis geen afdwingbare subjectieve rechten waarborgen, maar volgens hen wel een gedragslijn met een zwak juridische gehalte die een dwingende opdracht geeft aan alle overheden van het land.78 De voorbode van het zwakke juridische gehalte wordt eveneens zeer kort na de aanname van het grondwetsartikel door het Hof van Cassatie bevestigd. In een arrest van 11 juni 2024 zegt het Hof dat artikel 7bis «niet [is] bedoeld om als dusdanig afdwingbare subjectieve rechten in het leven te roepen, maar wel om te dienen als richtlijn voor de overheid en als eventuele leidraad bij de rechterlijke uitlegging van regelgeving. Evenwel kan in de huidige stand van de wetgeving noch uit die bepaling noch uit enige andere bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel worden afgeleid dat artikel 17 Gerechtelijk Wetboek een recht op toegang tot de rechter verschaft aan verenigingen die het dierenwelzijn als maatschappelijk doel hebben, met het oog op de betwisting van gedragingen die strijdig zijn met bepalingen betreffende het dierenwelzijn.»79 Het Hof gaat hiermee voorbij de iets gematigdere conclusie van advocaat-generaal Schoeters, die opmerkte: «Zo zal de rechter bij de beoordeling van de legitimiteit en de proportionaliteit van een beperking van een grondrecht, voortaan ook in artikel 7bis van de grondwet een argument vinden om te stellen dat hij in zijn afweging het belang van het dierenwelzijn dient te betrekken.»80 Door de recente uitspraak van het Hof van Cassatie, die hierna uitvoerig zal worden besproken, lijkt de juridische impact dus veeleer beperkt en brengt het vooralsnog niet de verhoopte positieve rechtsgevolgen voor dierenwelzijn teweeg.

III.1.2 De toegang van dierenwelzijnsverenigingen tot de rechter

11. In het hierboven vermelde arrest van 11 juni 2024 beperkt het Hof van Cassatie de toegang van dierenwelzijnsverenigingen tot de rechter.81 Een gebeurtenis die weinigen onberoerd liet en in de rechtsleer uitgebreid werd besproken.82 Eind vorig jaar publiceerde ook dit tijdschrift reeds een bijdrage over dit onderwerp.83 Om herhaling te vermijden beperkt deze bijdrage zich tot het in herinnering brengen van de grote lijnen en de belangrijkste zaken en zal ze bijgevolg vooral focussen op de nieuwe ontwikkelingen die zich ondertussen hebben voorgedaan en nog niet eerder aan bod kwamen.

12. De aanleiding voor het cassatiearrest was het cassatieberoep gericht tegen het arrest van het hof van beroep van Gent van 20 oktober 2023, waarin de nv Slachthuis Verbist en de heer L. V. werden veroordeeld tot het betalen van één euro morele schadevergoeding, alsook de rechtsplegingsvergoedingen aan de vzw Animal Rights.84 De eisers van het cassatieberoep betwistten echter de burgerlijke partijstelling van de vzw Animal Rights. Doordat het Hof van Cassatie de (ver)oude(rde) Eikendaeldoctrine van onder het stof haalt, worden de eisers in het gelijk gesteld en hebben dierenwelzijnsverenigingen bijgevolg niet langer toegang tot de rechter. Volgens dit arrest hebben dierenwelzijnsverenigingen enkel een procedureel belang om een burgerlijke vordering in te stellen wanneer zij hetzij materiële schade aan hun vermogen, hetzij morele schade aan hun goede naam of reputatie aantonen. De enkele aantasting van hun collectieve doel, dierenwelzijn, volstaat op zich niet om belang aan te tonen. Dit is helemaal anders dan hetgeen feitenrechters al decennialang toepasten en dan hetgeen geldt bij het objectief contentieux van de Raad van State en het Grondwettelijk Hof, waar de criteria specialiteit, duurzaamheid, betrekkelijkheid en collectiviteit worden gehanteerd. Het volstaat met andere woorden dat het statutaire voorwerp van de vereniging van bijzondere aard is (onderscheiden van het algemeen belang), dat zij dit doel duurzaam en effectief nastreeft, optreedt ter verdediging van een collectief belang dat door de betwiste handeling kan worden geraakt en dat dit doel werkelijk wordt nagestreefd. In se sluit het cassatiearrest van 11 juni 2024 quasi-volledig de deur van het subjectief contentieux voor dierenwelzijnsverenigingen, tenzij hun eigen patrimoniale of morele belangen direct geraakt worden. Het Hof oordeelt als volgt: «Het arrest dat aldus oordeelt dat de verweerster beschikt over het vereiste belang om een ontvankelijke burgerlijke rechtsvordering tegen de eisers in te stellen op grond van het enkele feit dat de verweerster volgens haar maatschappelijk doel het dierenwelzijn benaarstigt, verantwoordt deze beslissing, bij afwezigheid van wettelijke grondslag daarvoor, niet naar recht» [eigen vetmarkering]. Met de zinssnede «bij afwezigheid van wettelijke grondslag» lijkt het Hof de bal te leggen in het kamp van de wetgever om de gehele situatie te ontmijnen.

13. Als reactie op het cassatiearrest diende Ecolo-Groen op 16 september 2024 een wetsvoorstel in om dierenbeschermingsverenigingen de bevoegdheid toe te kennen om in rechte op te treden.85 Het voorstel beoogt het toevoegen van een derde lid in artikel 17 van het Ger.W., luidende als volgt: «De rechtsvordering van een rechtspersoon, die de bescherming van het dierenwelzijn beoogt, is eveneens ontvankelijk onder de in het tweede lid, 1° tot 4°, bepaalde voorwaarden.» Op 22 oktober 2024 vond een eerste hoorzitting plaats en op 10 december 2024 een tweede. Daarnaast werd tweemaal advies van de Raad van State86 ingewonnen en werden vier amendementen87 ingediend. Op 2 april 2025 vond een stemming plaats waarbij het voorstel en alle amendementen werden weggestemd.88 Dit heeft tot gevolg dat tot op heden aan dierenwelzijnsverenigingen de toegang tot de (subjectieve) rechter dus wordt ontzegd.

De voornaamste tegenargumenten die tijdens de hoorzittingen naar boven kwamen, hadden betrekking op de vrees voor nefaste gevolgen voor enerzijds de landbouwsector89 en anderzijds het juridische apparaat90.

Wat het eerste betreft, brengt Schoukens in herinnering dat het wetsvoorstel geen nieuwe regels invoert, maar louter het handhaven van de reeds bestaande regels zou versterken.91 Daarnaast verduidelijkt Christiaenssen dat de zaken die in de praktijk voorkomen, vooral betrekking hebben op zware mishandeling van gezelschapsdieren en dat landbouwdieren nauwelijks voorkomen.92 Bovendien wijst ze er ook terecht op dat indien een rechtsvordering gegrond is en bijvoorbeeld een inbreuk op de (landbouw)dierenwelzijnswetgeving aan het licht zou brengen, een dergelijke inbreuk vervolgd en bestraft moet worden om effectieve handhaving te verzekeren.93

Wat betreft een eventuele negatieve impact op het functioneren van de rechterlijke macht, gaan de bezorgdheden uit naar enerzijds de vrees voor de stormloop op de rechterlijke macht en anderzijds een potentiële verstoring van het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie. De vrees voor een stormloop op de rechterlijke macht is volgens Vuylsteke ongegrond. Tot vóór de cassatie-uitspraak van 11 juni 2024 hadden in de praktijk dierenverenigingen wel toegang tot de rechter, met vrijwel geen rechtstreekse dagvaardingen tot gevolg.94 Christiaenssen wijst ook op andere procedurele garanties die nu reeds ingebouwd zijn om een stormloop te verhinderen, zoals het verbod op tergend en roekeloos geding.95 Daarbij komt ook nog dat procederen voor verenigingen (die vaak slechts maar één euro morele schadevergoeding vragen) een dure zaak is.96 Het argument dat toegang voor dierenbeschermingsverenigingen het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie zou doorkruisen, ziet Christiaenssen eerder als een voordeel dan een nadeel.97 De helft van de dierenwelzijnszaken wordt wegens opportuniteitsredenen geseponeerd.98 Dit wetsvoorstel zou aldus het handhavingstekort inzake dierenwelzijn niet verstoren, maar juist versterken en het handhavingsmonopolie voor het openbaar ministerie doorbreken.99 Merk ook op dat de ingediende amendementen ook probeerden tegemoet te komen aan de bezorgdheden. Zo werd tevergeefs als compromis een amendement ingediend om dierenverenigingen toegang te verlenen tot de rechter, maar hen te verbieden om rechtstreeks te dagvaarden voor de strafrechter.100

14. Tot slot is het ook interessant om te wijzen op twee arresten van het hof van beroep te Antwerpen, dat tweemaal weigerde om een ongelijkheid voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof.101 Het Hof stelde dat het feit dat artikel 17 Ger.W. toegang verzekert voor verenigingen die de bevordering van de milieubescherming tot doel hebben en niet eenzelfde recht schept voor verenigingen die de bevordering van het dierenwelzijn tot doel hebben, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet discriminerend is. Dit zorgt voor de creatie van een paradoxale en vicieuze situatie, aangezien de wetgever voorstellen om de ongelijkheid die er wel degelijk is, weg te werken, heeft weggestemd. De pertinente weigering van het hof van beroep te Antwerpen om de zaak voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof is opmerkelijk, aangezien discriminatiezaken tot de kern behoren van de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof en het Hof helderheid zou kunnen brengen in de gehele zaak. Op het moment van de tweede weigering van het Hof te Antwerpen was het wetsvoorstel weliswaar nog niet gestemd (dit gebeurde een dag later), waardoor ter verdediging van het standpunt van dit Hof kan worden ingeroepen dat het de ontwikkelingen in de Kamer hiervoor afwachtte. Echter, nu blijkt dat de wetgever talmt en voorlopig weigert om de ogenschijnlijke ongelijkheid recht te trekken, lijkt de enige juiste optie dat in toekomstige zaken alsnog uitsluitsel wordt verkregen door de zaak voor het Grondwettelijk Hof te brengen, dat duidelijkheid kan verschaffen of er al dan niet sprake is van een (gerechtvaardigde) ongelijke behandeling. Ondertussen blijft het Hof van Cassatie ook in twee recente arresten van 16 september 2025 zijn eerdere standpunt herhalen van 11 juni 2024 en de toegang van dierenwelzijnsverenigingen tot de rechter verder blokkeren.102 Advocaat-generaal De Smet voert het volgende aan: «[d]e artikelen 7bis Grondwet en 3.39 Burgerlijk Wetboek erkennen dieren als «wezens met gevoel», die bescherming verdienen, maar dat betekent niet dat die bescherming afdwingbaar is door een vordering in rechte van verenigingen, los van enige actie van de overheid. Daarbij komt dat volgens het Hof (arrest van 11 juni 2024) het dierenwelzijn een doelstelling is die verschilt van de bescherming van mensenrechten, zoals zij erkend zijn in de Grondwet. De slotsom is dus dat in de huidige stand van de wetgeving, noch het Verdrag van Aarhus, noch artikel 17 (eerste en tweede lid) Ger.W., kunnen dienen als wettelijke basis voor een rechtsvordering ingesteld door een vereniging met dierenwelzijn als statutair doel die geen persoonlijk belang kan doen gelden.»103 Bij gebrek aan rechtsgrond komen dierenwelzijnsverenigingen niet in aanmerking als uitzondering zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij UNIA inzake het optreden van racisme. «[A]ls regel geldt [bijgevolg] dat alleen het Openbaar Ministerie de hoedanigheid heeft om namens een algemeen belang, zoals dierenwelzijn, een vordering in te stellen», aldus advocaat-generaal De Smet. Ondanks het feit dat de opname van de zorg voor dieren als wezens met gevoel in de Grondwet een hoogtepunt moest zijn voor het dierenwelzijncontentieux, doet het gebrek aan toegang van dierenwelzijnsverenigingen tot de rechter deze verwezenlijking bijna geheel teniet en is de algemene teneur die van een historisch dieptepunt.104

B. Het regionale niveau

III.1.3 De Vlaamse Codex Dierenwelzijn

15. Zoals in de inleiding werd aangehaald, is er op het nationaal niveau geen probleem van nieuwe wetgeving, gelet op onder andere de Vlaamse Dierenwelzijnscodex die in 2024 werd aangenomen en sinds 1 januari 2025 (voor het overgrote deel) van kracht is. Hierbij dringt zich wel een niet onbelangrijke nuance op tussen enerzijds het begrip «nieuw» en anderzijds het begrip «vernieuwend», waarbij de Vlaamse Dierenwelzijnscodex soms tekortschiet in het vernieuwende aspect. Een exhaustieve bespreking van de nieuwe codex zou ons te ver brengen. We beperken ons in deze bijdrage dan ook tot het bespreken van de grote lijnen en het uitlichten van enkele belangrijke thema’s.

16. Eerst en vooral dient opgemerkt te worden dat het Vlaamse Gewest (dierenwelzijn is sinds de zesde staatshervorming een gewestbevoegdheid) voor de nieuwe Dierenwelzijnscodex de mosterd heeft gehaald bij het Waalse Gewest, dat reeds in 2018 een Waalse Dierenwelzijnscodex heeft uitgebracht.105 Dit uit zich ook in bepaalde artikelen, waarin duidelijk inspiratie van de Waalse tegenhanger terug te vinden is. Voorbeelden hiervan zijn de erkenning van het dier als levend wezen met gevoel en specifieke behoeften (art. 4), de beperking van het toepassingsgebied op gewervelde dieren (art. 7), het verbod op het voortdurend vastmaken van dieren (art. 10, § 2), de verplichting tot beschutting voor buitendieren (art. 10, § 3), een verbod op het houden van walvisachtigen in gevangenschap (art. 21) en het verbod op kooisystemen voor legkippen (art. 22). Nochtans is de economische, politieke en maatschappelijke context zeker niet altijd dezelfde. Wat betreft het walvissenverbod was dit een maatregel die in Wallonië eerder symbolisch was, aangezien daar geen enkel dolfinarium aanwezig was (Pairi Daiza huisvest wel haaien, maar geen walvisachtigen). In Vlaanderen daarentegen is het Brugse Boudewijn Seapark al sinds 1963 een gevestigde waarde, waar tot op heden nog zes dolfijnen (dit zijn in tegenstelling tot haaien wel walvisachtigen) in gevangenschap leven. Artikel 21, derde lid van de Vlaamse Dierenwelzijnscodex voorziet dat het dolfinarium ten laatste op 1 januari 2037 de deuren moet sluiten.

17. Niettegenstaande duidelijke invloeden van de Waalse Dierenwelzijnscodex durft het Vlaamse Gewest ook zijn eigen koers te varen. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het verbod op thuisslachtingen van schapen, geiten en varkens (art. 39, § 3), waartegen, zoals vermeld in de inleiding, twee vernietigingsberoepen zijn ingesteld bij het Grondwettelijk Hof.106 Andere vernieuwingen betreffen onder meer het invoeren van een standstill-beginsel (art. 5), het verbod op het doden van eendagskuikens (art. 37) en het verbod op het gebruik van lijm- en verdrinkingsvallen ter verdelging van muizen en ratten (art. 38). Al dient hierbij opnieuw opgemerkt te worden dat bepaalde nieuwigheden niet altijd effectief vernieuwend zijn en dat bepaalde maatregelen beperkt blijven tot theorie en in de praktijk quasi-dode letter blijken.

Het schoolvoorbeeld van een dergelijk theoretisch verbod is het verbod op het doden van eendagskuikens. Het verbod kadert in de praktijk waarbij mannelijke kuikens (eendagshaantjes) ongeveer binnen 72 uur na geboorte worden gedood (jaarlijks 330 miljoen in de EU107, waarvan 15 miljoen in België108) uit economische overwegingen, omdat enkel de vrouwelijke kuikens economische meerwaarde kunnen opleveren als toekomstige leghennen. In se zouden mannelijke kuikens, ondanks het feit dat ze geen eieren kunnen broeden, wel een rol kunnen vervullen als vleeskuikens. De industrie verkiest echter enkel vleeskuikens te houden afkomstig van specifieke daartoe gemanipuleerde superieure rassen, met als gevolg dat het de standaardpraktijk is om eendagshaantjes simpelweg te doden, zodat verder geen kosten moeten worden verspild aan minderwaardige vleeskippen. Artikel 37, eerste lid van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn lijkt deze praktijk aan banden te willen leggen en start beloftevol door kort en bondig te stellen: «Het doden van eendagskuikens is verboden.» Het tweede lid van artikel 37 drukt echter alle hoop de kop in door de inwerkingtreding van het verbod voor onbepaalde duur uit te stellen: «Het eerste lid treedt in werking op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. Die datum wordt bepaald van zodra de geslachtsbepaling van kuikens in het ei haalbaar is voor dag 12 na incubatie.» Paradoxaal genoeg is een dergelijke geslachtsbepaling reeds wetenschappelijk haalbaar en wordt dit reeds in Vlaanderen commercieel uitgerold.109 Er is dus geen reden om dit theoretische verbod niet ook om te zetten naar een effectief verbod in de praktijk mét dus een concrete inwerkingsdatum. Uit de memorie van toelichting blijkt echter dat de decreetgever hier andere ideeën op nahoudt, waarbij de «haalbaarheid» waarover sprake in het tweede lid vooral zou slaan op de economische haalbaarheid, die nog ontoereikend zou zijn om een brede uitrol van geslachtsbepaling te faciliteren.110 Niet enkel (Vlaamse) bedrijven die het verbod op het doden van eendagskuikens wel reeds hebben ingevoerd, maar ook de 64.000 pasgeboren haantjes die dagelijks in Vlaanderen worden gedood, worden zo aan hun lot overgelaten.111 Merk nog op dat de decreetgever ironisch genoeg bovendien een extra argument geeft dat zijn eigen standpunt over het gebrek aan haalbaarheid ondergraaft door te verwijzen naar EU-landen waar een dergelijk verbod wel reeds van kracht is.112 Momenteel hebben vijf EU-landen hieromtrent een verbod in hun wetgeving: Luxemburg (2018), Duitsland (2022), Frankrijk (2023), Oostenrijk (2023), Italië (2027). In Spanje en Nederland zou een nakend verbod in de pijplijn zitten.113 Door een verbod dat enkel in theorie geldt, kan België bezwaarlijk aan dit lijstje worden toegevoegd. Het is daarnaast onzeker wanneer en of België hier ook in de toekomst aan zal kunnen worden toegevoegd.

Het verbod op het gebruik van lijm- en verdrinkingsvallen ter verdelging van muizen en ratten is een ander voorbeeld waarbij een op het eerste gezicht vernieuwende maatregel in de praktijk teleurstellend is, toch zeker wat betreft verdrinkingsvallen. Het gebruik van lijmvallen is niet diervriendelijk, aangezien dieren bij bewustzijn worden geïmmobiliseerd en de gevangen dieren ofwel ernstige verwondingen oplopen, zoals het afscheuren van de huid of gebroken ledematen indien ze weten te ontsnappen, ofwel, als ze onherroepelijk vastkleven aan poten of vacht, een (trage) dood door uitdroging of uithongering tegemoet gaan. Artikel 38 van de Vlaamse Dierenwelzijnscodex verschilt op vele vlakken van het verbod op het gebruik van lijmvallen dat in artikel 39, 9° van de Waalse Dierenwelzijnscodex is opgenomen. Terwijl het Waalse verbod op het vlak van het personele toepassingsgebied niet verder wordt gespecificeerd en aldus mag worden beschouwd als een algemeen verbod ten aanzien van alle gewervelde dieren, is dit in Vlaanderen beperkt tot ratten en muizen. Op vlak van het materiële toepassingsgebied is het Vlaamse verbod wel ruimer dan zijn Waalse tegenhanger. Al schuilt hier wel een addertje onder het gras. Artikel 38, eerste lid, 2° vermeldt naast lijmproducten (1°) dat ratten en muizen ook niet mogen worden verdelgd door verdrinking, maar artikel 86, 1°, dat het temporeel toepassingsgebied bepaalt, stelt de inwerkingtreding van dit artikel uit tot «op een datum die de Vlaamse Regering bepaalt». In de memorie van toelichting is te lezen dat de Vlaamse Regering wacht tot er meer diervriendelijke methoden op punt staan.114 Een zeer eigenaardige redenering, aangezien uit een onderzoek van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en de Universiteit Gent blijkt dat dood door verdrinking pas na lange tijd intreedt en uitermate dieronvriendelijk is, waarbij er wel degelijk ook reeds diervriendelijkere alternatieven voorhanden zijn, zoals klemmen of elektronische vallen.115 Om redenen van dierenwelzijn zijn overigens in bijvoorbeeld Frankrijk en Zweden verdrinkingsvallen reeds verboden, in Duitsland mogen verdrinkingsvallen wegens hun bijzonder schadelijke karakter zelfs niet onder laboratoriumomstandigheden getest worden. Een andere opmerkelijke eigenaardigheid is dat het verbod zich slechts uitstrekt tot lijmvallen (en in theorie ook verdrinkingsvallen), aangezien de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn in een advies van 28 september 2023 eveneens pleitte voor een verbod op anticoagulantia (in de volksmond rattengif genoemd) en cholecaliferol (een product op basis van vitamine D3).116 De Vlaamse decreetgever volgde het advies van de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn niet en focuste vooral op een lijmverbod. Wat betreft de vraag van de Raad om zowel de verkoop als het gebruik te verbieden, kwam de Vlaamse decreetgever hieraan wel deels tegemoet. Zoals uitvoerig besproken wordt het gebruik door artikel 38 van de nieuwe Dierenwelzijnscodex aan banden gelegd. De verkoop of de verhandeling daarentegen wordt beheerst door een apart hoofdstuk van de codex, waarbij artikel 45 een opening laat om «[...] de verhandeling van producten die bestemd zijn voor dieren en die schadelijk zijn voor hun welzijn, [te] beperken of verbieden». Het tweede lid van artikel 45 bepaalt hierbij dat bovendien ook de publiciteit voor het gebruik of de verhandeling door de Vlaamse Regering kan worden beperkt of verboden. Eerder liet de Raad van State zich al kritisch uit over een dergelijke maatregel.117 De Raad wijst op het marktuitsluitend effect omdat de verbodsmaatregel in het licht van het vrije verkeer van goederen (art. 34 en 36 VWEU) en de vrijheid van ondernemen (art. II.3 van het Wetboek van economisch recht en art. 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie) kan worden beschouwd als een maatregel van gelijke werking, aangezien het verbod tot gevolg kan hebben dat de handel in lijmvallen wordt verminderd. Als antwoord werd verwezen naar dierenwelzijn, dat een legitiem doel van algemeen belang is, waardoor de verbodsbepaling verantwoord is op grond van de noodzaak om het dierenwelzijn te beschermen.

In tegenstelling tot artikel 37 en artikel 38 zorgt artikel 5 van de Vlaamse Dierenwelzijnscodex wel voor een daadwerkelijke vernieuwing. Het ontstaan van de «gewone» standstill in artikel 5 van de Vlaamse Dierenwelzijnscodex situeert zich in de onderhandelingen van een dierenwelzijnsgrondwetsartikel waarbij de evenwichtsoefening betreffende het al dan niet invoeren van een grondwettelijke standstill dus ook werd meegenomen bij de onderhandelingen met betrekking tot de totstandkoming van de Vlaamse Dierenwelzijnscodex.118 Artikel 5, tweede lid vermeldt het volgende: «Het dierenwelzijnsbeleid streeft een hoog dierenwelzijnsniveau na. Het berust op het standstill-beginsel. Onder het voormelde beginsel wordt verstaan dat het bestaande beschermingsniveau voor dieren niet mag afnemen.» Deze bepaling is volledig nieuw en kan in geen gelijkaardige vorm worden teruggevonden in de oude Dierenwelzijnswet van 1986, noch in de Waalse Dierenwelzijnscodex. De memorie van toelichting blijft vaag over de exacte ratio legis en geeft dus geen bijkomende inzichten over de onderliggende motivatie van de standstill, met uitzondering van de vermelding dat een dergelijke standstill de ambitie tot waarborging en versterking van het dierenwelzijn ondersteunt.119 Met de invoering van deze bepaling beoogt men wellicht om een achteruitgang van het dierenwelzijnsniveau te verhinderen. Dit blijft echter heel abstract en dubieus. Er dreigt een vals gevoel van veiligheid doordat niet per se een verbetering wordt nagestreefd, maar evenzeer de status quo louter wordt bestendigd. Bovendien bestaat ook het risico, zoals dit het geval is bij de Europese wetgeving, dat wat anno 2025 als vooruitstrevend wordt beschouwd, twintig jaar later compleet achterhaald is. Er mag daarnaast ook niet over het hoofd worden gezien dat het niet geheel uitgesloten is dat wetgeving die een kleine achteruitgang van het dierenwelzijn met zich meebrengt, wordt gedoogd. Bij redenen van algemeen belang kan een dergelijke achteruitgang toelaatbaar geacht worden. Ook hier denken we aan het Europese niveau, waar de oorlog in Oekraïne de dierenwelzijnsprioriteit stelselmatig heeft vervangen door voedselzekerheid. Wel dient te worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof sinds een arrest van 27 april 2023 de klassieke omschrijving van de standstill gewijzigd heeft, waarbij de vereiste van redenen van algemeen belang strenger wordt ingevuld en de redenen voldoende zwaarwichtig moeten zijn om een achteruitgang te kunnen verantwoorden.120

Alhoewel het lovenswaardig is dat de Vlaamse decreetgever een minimumniveau van dierenwelzijn tracht te waarborgen door het decretaal verankeren van een standstill-beginsel dat in principe inhoudt dat het dierenwelzijn enkel maar kan toenemen, staat dit niet gelijk aan een grondwettelijke standstill-equivalent. Een standstill-verplichting opgenomen in de Grondwet kan in België enkel worden gewijzigd door een tweederdemeerderheid, terwijl een standstill-beginsel verankerd in een gewone wet (of decreet) ook met een gewone meerderheid kan gewijzigd worden en zo dus onderhevig is aan politieke verschuivingen. Dit wil echter niet zeggen dat artikel 5 een lege doos is, de decretale standstill kan wel relevant zijn als toetsingsnorm van besluiten die lager in de hiërarchie der wetsnormen staan en hiermee strijdig zouden zijn.

18. Naast enkele (effectieve) vernieuwingen dient ook opgemerkt te worden dat heel wat zaken niet of nauwelijks zijn gewijzigd. Zo is de basisstructuur van de Dierenwelzijnswet van 1986 grotendeels overgenomen, enkel hoofdstuk 8 «Dieronvriendelijke producten» is nieuw. Hoofdstuk 8 bevat als enige artikel het artikel 45, dat eerder in deze bijdrage werd behandeld.121

Daarnaast werd eveneens het merendeel van de bepalingen over het houden van dieren, de handel in dieren, het vervoer, de invoer en de doorvoer van dieren, het doden van dieren en ingrepen op dieren overgenomen.

Ook het basisprincipe van de Dierenwelzijnswet dat niemand, uitgezonderd bij overmacht, handelingen mag plegen die niet door regelgeving zijn bepaald en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of wordt geschaad, werd hernomen. Dit basisprincipe staat niet meer zoals vroeger in artikel 1, maar werd opgeschoven naar artikel 6. In de plaats werd gekozen om de erkenning van dieren als wezens met gevoel als eerste (inhoudelijke) artikel voorop te plaatsen. Een diepgaandere lezing en onderzoek van het nieuwe artikel 6 onthult bovendien dat de decreetgever minstens op twee punten heeft willen afwijken van zijn oude equivalent. Enerzijds wordt de zinssnede toegevoegd over het «nalaten handelingen te stellen» dat schade kan berokkenen. Dus niet enkel een actieve daad, maar ook een passieve daad die een dier kan schaden wordt benadrukt. Anderzijds leert de memorie van toelichting dat «zonder noodzaak» veel restrictiever wordt ingevuld dan wat voorheen het geval was. «Het vooraf doden van dieren met het oog op het gebruik van het dode dier in volksgebruiken, artistieke uitingen en kunstvormen tot vermaak van het publiek, zoals het zogenaamde haanslaan en het ganzenrijden, of het doden van dieren in volksgebruiken, artistieke uitingen en kunstvormen tot vermaak van het publiek, zoals het zogenaamde visjesdrinken, worden niet beschouwd als vallende onder het criterium van «noodzaak» zoals bepaald in dit artikel», aldus de memorie van toelichting.122 De decreetgever maakt dus komaf met het cassatiearrest van 5 november 2002, waar het visjesdrinken in Geraardsbergen nog uitdrukkelijk werd toegestaan.123 Het nieuwe artikel 6 is strenger dan artikel 13 VWEU, de Europese dierenwelzijns(integratie)bepaling, omdat het geen expliciete uitzonderingen maakt voor culturele tradities en regionaal erfgoed, terwijl artikel 13 VWEU dat wel doet.

19. Ten slotte dient ook stil te worden gestaan bij zaken die Vlaanderen helemaal niet heeft aangepakt. Een aanhoudende doorn in het oog is de (on)verdoofde biggencastratie die op toenemende wetenschappelijke en maatschappelijke kritiek stuit.124 Het «nieuwe» artikel 42 van de Vlaamse Dierenwelzijnscodex is immers identiek aan het «oude» artikel 17bis, § 1 en § 2 van de Dierenwelzijnswet. De memorie van toelichting verduidelijkt dat het KB van 17 mei 2001 betreffende de toegestane ingrepen bij gewervelde dieren, met het oog op het nutsgebruik van de dieren of op de beperking van de voortplanting van de diersoort zijn rechtskracht zal behouden.125 Ondanks talrijke beroepen bij de Raad van State blijft ook het recente KB van 19 april 2023, dat varkenshouders toelaat om hun biggen zelf te castreren, ongewijzigd.126 De bevoegdheidsverdeling die België vaak op vele vlakken parten speelt, heeft dus ook haar weerslag op de dierenwelzijnsmaterie. Doordat de (on)verdoofde castratie van biggen zich in se op het federale niveau bevindt, maar desondanks het dierenwelzijn op regionaal niveau raakt, wordt een doeltreffende aanpak rond de kwestie verhinderd.

Evenmin wordt het koe-kalfcontact verbeterd. Nochtans publiceerde de EFSA nog in maart 2023 een advies over het welzijn van kalveren, waarin onder meer wordt aanbevolen om kalveren minstens één dag, maar bij voorkeur langer, bij de moeder te houden.127 In de huidige gangbare praktijk echter worden in Vlaanderen kalveren kort na de geboorte van hun moeder gescheiden, en dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Zweden of Nederland, waar kalveren veel langer bij een (pleeg)moeder kunnen blijven. Het gaat om een praktijk die overigens ook sinds begin 2024 onder de aandacht wordt gebracht door dierenwelzijnsvereniging GAIA.128

Een ander te betreuren pijnpunt is het niet kopiëren van de Waalse bepaling die zorgt voor de integratie van dierenwelzijn in de omgevingsvergunning.129 Bij het invoeren van het Waalse Dierenwelzijnswetboek viel deze bepaling op als progressief en in lijn met artikel 13 VWEU, dat integratie van dierenwelzijn zoveel mogelijk aanmoedigt.130 In Vlaanderen werd er niet voor gekozen om eenzelfde progressieve weg in te slaan.

Vermeldenswaardig is ook nog het begrip «dierwaardigheid», dat lange tijd impliciet werd meegenomen in de nieuwe Vlaamse Dierenwelzijnscodex door verwijzing in artikel 4 naar «intrinsieke waarde», maar uiteindelijk in de finale versie werd geweerd.131 Zo blijft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toch op één dierenwelszijnsfacet een pionier, aangezien het als enige melding maakt van het feit dat een dier «een levend wezen is met gevoel, eigen belangen en waardigheid [...]».132. Hierbij moet echter ook worden opgemerkt dat het Brusselse Gewest, ondanks deze innovatieve bepaling van dierwaardigheid, wel nog steeds het enige gewest is waar het onverdoofd slachten legaal is, dit terwijl heel wat wetgevende initiatieven deze praktijk een halt wilden toeroepen.

20. Bijna veertig jaar na de totstandkoming van de Dierenwelzijnswet is in Vlaanderen een gloednieuwe Dierenwelzijnscodex van kracht. Hierboven werden wel wat vraagtekens gezet bij het gloednieuw-gehalte van de codex, die onder meer heel wat inspiratie putte uit de zes jaar eerder verschenen Waalse codex. Concluderend kan de nieuwe Vlaamse Dierenwelzijnscodex worden gezien als een mengelmoes van modernisering en codificering.133 Merk ook op dat deze bijdrage geen exhaustieve bespreking van de Vlaamse Dierenwelzijnscodex is, zo kwamen onder meer de subsidieregeling dierenwelzijn in de landbouwproductie (art. 23) en het verbod op (jaar)markten (art. 30) niet aan bod.

In wat volgt zoomen we uit van het regionale naar het federale niveau, dat eveneens in mei 2024 (een week voordat de codex in de plenaire vergadering van het Vlaamse Parlement werd goedgekeurd) nieuwe dierenwelzijnsregelgeving invoerde, en wel onder de vorm van een dierenwelzijnsgrondwetsartikel in artikel 7bis, tweede lid van de Grondwet.

IV. Concluderende bemerkingen

21. De periode 2024-2025 markeert een gestage evolutie in het dierenwelzijnsrecht, zowel op Europees als nationaal niveau. De toegenomen aandacht in rechtsleer, rechtspraak en wetgeving weerspiegelt een bredere maatschappelijke bewustwording. De Vlaamse Codex Dierenwelzijn is een stap vooruit, maar zijn vernieuwingsgehalte is niet altijd overtuigend. Sommige bepalingen blijven dode letter zolang hun inwerkingtreding afhankelijk wordt gesteld van economische haalbaarheid. De codex bevat wel degelijk enkele vernieuwende elementen, zoals het standstill-beginsel, maar vertoont tegelijk ook tekortkomingen op andere vlakken. Op federaal niveau werd met artikel 7bis een belangrijke ethische stap gezet, maar de juridische impact blijft voorlopig beperkt. De weigering om een relatieve standstill te koppelen aan dit grondwetsartikel ondermijnt de ambitie tot structurele bescherming. De uitsluiting van dierenwelzijnsverenigingen van toegang tot de rechter vormt een ernstige rem op de handhaving. Het cassatiearrest van 11 juni 2024 herintroduceert de Eikendaeldoctrine en sluit de deur voor dierenwelzijnsverenigingen.

Terwijl er op regionaal en nationaal niveau geen gebrek is aan nieuwe wetgevende initiatieven, verloopt de wetgevende vooruitgang op supranationaal niveau heel wat moeizamer. De Europese impasse rond de aanname van nieuwe dierenwelzijnsverordeningen is hiervan een schoolvoorbeeld. Nochtans stijgt de maatschappelijke druk via talrijke Europese burgerinitiatieven en de Eurobarometer over dierenwelzijn. Het ontbreken van nieuwe wetgeving tracht men op te vangen via beleid en politiek door de aanstelling van een EU-commissaris voor dierenwelzijn. Alhoewel dit een niet onbelangrijk signaal is, zal de toekomst van het dierenwelzijnsrecht vooral afhangen van de bereidheid van wetgevers om symboliek om te zetten in effectieve bescherming.

1  Dr. Christiaenssen verdedigde een proefschrift over gelijkheid en zorgvuldigheid in het dierenrecht in 2025 aan de Universiteit Leuven, dr. Bernet Kempers verdedigde een proefschrift over dierwaardigheid in 2023 aan de Universiteit Antwerpen en dr. Verniers verdedigde een proefschrift over nieuwe juridische dierenwelzijnsinstrumenten in 2022 aan de Universiteit Gent.

2  Verniers E., «Dierenwelzijn in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof», Rechtskundig Weekblad 2021/84, (683) 684-697.

3  GwH 30 september 2021, nr. 117/2021 en 118/2021, B.19.3.

Ibid.

5  Het gaat om twee samengevoegde zaken met rolnummers 8407 en 8405.

6  Decr.Vl. 17 mei 2024 over dierenwelzijn, BS 2 juli 2024.

7  Eurobarometer 533: Attitudes of Europeans towards animal welfare (2023).

8  Verniers E., «Het Europees burgerinitiatief: catalysator voor progressief dierenwelzijnsbeleid», 2023 (463), Juristenkrant 5.

9  Commission staff working document (Comm.). Executive summary of the fitness check of EU.Animal Welfare legislation, 4 oktober 2022, SWD(2022)329 def., 4. Zie hierover: Verniers E., Survival of the (un)fittest: European Union animal welfare legislation, Springer, 2023.

10  Cass. 11 juni 2024, AR nr. P.23.1538.N.

11  Herziening van 15 mei 2024 van artikel 7bis van de Grondwet om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, BS 24 mei 2024.

12  EUforAnimals, «EU for Animals - Geef dieren een sterkere stem in Europa», https://www.euforanimals.eu/en, geraadpleegd op 23 mei 2025.

13  EUROPESE COMMISSIE, Mission letter - Olivér Várhelyi, Commissioner for Health and Animal Welfare, https://commission.europa.eu/document/download/b1817a1b-e62e-4949-bbb8-ebf29b54c8bd_en?filename=Mission%20letter%20-%20VARHELYI.pdf, p. 6, geraadpleegd op 23 mei 2025.

14  EUROPESE COMMISSIE, Answers to the European Parliament questionnaire - Olivér Várhelyi, Commissioner-designate for Health and Animal Welfare, https://commission.europa.eu/document/download/e3d0aa59-4015-4b91-a514-cd6eb5e73442_en?filename=Varhelyi-EP-first-questionnaire.pdf, p. 9, geraadpleegd op 23 mei 2025.

15  Ibid., 10-11.

16  EUROPESE COMMISSIE, Answers to the European Parliament second questionnaire - Olivér Várhelyi, Commissioner for Health and Animal Welfare, https://commission.europa.eu/document/download/bf4910c3-f6c3-4154-9b5a-6eaf31a4e3e3_en?filename=Varhelyi-EP-second-questionnaire.pdf, p. 8, geraadpleegd op 23 mei 2025.

17  Ibid., 9.

18  EUROPESE COMMISSIE, Speech by Commissioner Várhelyi at the 16th meeting of the EU Platform on Animal Welfare, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/api/files/document/print/en/speech_25_927/SPEECH_25_927_EN.pdf, geraadpleegd op 23 mei 2025.

19  Ibid.

20  EUROPESE COMMISSIE, Commission proposes new rules to improve animal welfare, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_23_6251, geraadpleegd op 23 mei 2025.

21  EUROPEAN INSTITUTE FOR ANIMAL LAW & POLICY, Brussels at a Standstill: The Fight Over Animal Transport Rules, https://animallaweurope.org/brussels-at-a-standstill-the-fight-over-animal-transport-rules/, geraadpleegd op 23 mei 2025.

22  EUROPESE COMMISSIE, Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee verband houdende activiteiten, COM(2023) 770 final, 7 december 2023, https://food.ec.europa.eu/system/files/2023-12/aw_in-transit_reg-proposal_2023-770_0.pdf, art. 27, geraadpleegd op 23 mei 2025.

23  Ibid., art. 31, 2., (e).

24  Ibid., art. 31, 2., (b) en (d).

25  Ibid., voorafgaande overweging 10.

26  HvJ EU 23 april 2015, «Zuchtvieh-Export GmbH», C-424/13, ECLI:EU:C:2015:259, punt 56, https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=163872&doclang=EN.

27  EFSA Panel on Animal Health and Welfare (AHAW), «Welfare of small ruminants during transport», EFSA Journal 2022, 20(9), 7404, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/7404, geraadpleegd op 23 mei 2025.

28  EFSA Panel on Animal Health and Welfare (AHAW), «Welfare of equidae during transport», EFSA Journal 2022, 20(9), 7444, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/7444, geraadpleegd op 23 mei 2025.

29  FSA Panel on Animal Health and Welfare (AHAW), «Welfare of cattle during transport», EFSA Journal 2022, 20(9), 7442, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/7442, geraadpleegd op 23 mei 2025.

30  EFSA Panel on Animal Health and Welfare (AHAW), «Welfare of pigs during transport», EFSA Journal 2022, 20(9), 7445, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/7445, geraadpleegd op 23 mei 2025.

31  EFSA Panel on Animal Health and Welfare (AHAW), «Welfare of domestic birds and rabbits transported in containers», EFSA Journal 2022, 20(9), 7441, https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/7441, geraadpleegd op 23 mei 2025.

32  EUROPESE COMMISSIE, Commission staff working document - Fitness check of the EU Animal Welfare legislation, 4 oktober 2022, SWD(2022) 328 final, 15, https://food.ec.europa.eu/system/files/2022-10/aw_eval_revision_swd_2022-328_en.pdf, geraadpleegd op 23 mei 2025.

33  Ibid., 10.

34  EUROPESE COMMISSIE, Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid, COM(2023) 769 final, 7 december 2023, 1-5, https://food.ec.europa.eu/system/files/2023-12/aw_reg-proposal_2023-769_dog-cat-trace.pdf, geraadpleegd op 23 mei 2025.

35  Ibid.

36  Bernet Kempers E. en Verniers E., Handboek Dierenrecht, Intersentia, 2024, 119-126.

37  EUROPESE COMMISSIE, Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid, COM(2023) 769 final, 7 december 2023, 6, https://food.ec.europa.eu/system/files/2023-12/aw_reg-proposal_2023-769_dog-cat-trace.pdf, geraadpleegd op 23 mei 2025.

38  Ibid., art. 2.

39  Ibid., art. 3, 3.

40  European Food Safety Authority (EFSA), 4Scientific and technical assistance on welfare aspects related to housing and health of cats and dogs in commercial breeding establishments4, EFSA Journal 2023, 21(9), 8213, 1-105, https://doi.org/10.2903/j.efsa.2023.8213, geraadpleegd op 23 mei 2025.

41  Commission staff working document (Comm.). Executive summary of the fitness check of EU Animal Welfare legislation, 4 oktober 2022, SWD(2022)329 def., 4.

42  EUROPESE COMMISSIE, A Vision for Agriculture and Food - Shaping Together an Attractive Farming and Agri-Food Sector for Future Generations, COM(2025) 75 final, 19 februari 2025, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex:52025DC0075, geraadpleegd op 23 mei 2025.

43  Ibid., 24.

44  Verniers E., «Europees burgerinitiatief «End the Cage Age» krijgt steun van Europese Commissie», 2021 (434) Juristenkrant 6.

45  EUROPESE COMMISSIE, Shaping the Future of Farming and the Agri-Food Sector - Vision Conference, 8 mei 2025, https://agriculture.ec.europa.eu/media/events/shaping-future-farming-and-agri-food-sector-2025-05-08_en, geraadpleegd op 23 mei 2025.

46  Herziening van 15 mei 2024 van artikel 7bis van de Grondwet om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, BS 24 mei 2024.

47  Verhaeghe D. en De Wandel L., «Dieren in de Grondwet», Peiling, IPSOS, 2017, 9.

48  Van Der Biesen G. (ed.), Colloquium Belgische Senaat, Dertig jaar wet op het dierenwelzijn in België: stand van zaken en vooruitzichten, Centrale drukkerij van de Kamer van volksvertegenwoordigers, 6 december 2016, 31.

49  Voorstel tot herziening van artikel 7bis van de Grondwet, SENAAT, 2016-17, nr. 6-339.

50  Amendement (C. Lacroix e.a.) op het voorstel tot herziening van artikel 7bis van de Grondwet, SENAAT, 2017-18, nr. 6-339/2.

51  Voorstel tot herziening van artikel 7bis van de Grondwet, om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, SENAAT, 2019, nr. 7-47/1.

52  Voorstel tot herziening van artikel 7bis van de Grondwet teneinde er het dierenwelzijn in op te nemen, SENAAT 2022-23, nr. 7-481/5; Ontwerp van herziening van artikel 7bis van de Grondwet, om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, KAMER, 2023-2024, nr. 55-3719/1.

53  Voorstel tot herziening van artikel 23 van de Grondwet met betrekking tot de erkenning van dieren als wezens met gevoel, SENAAT, 2021-2022, nr. 7-372/1; Amendement (B. Anciaux e.a.) op het voorstel tot herziening van artikel 7bis van de Grondwet, om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, SENAAT, 2022-2023, nr. 7-47/2; Voorstel tot wijziging van artikel 23 van de Grondwet teneinde er het dierenwelzijn in op te nemen, SENAAT, 2022-2023, nr. 7-415/1.

54  Voorstel tot herziening van artikel 7bis van de Grondwet teneinde er het dierenwelzijn in op te nemen, SENAAT, 2022-23, nr. 7-481/1, 3.

55  Ontwerp van herziening van artikel 7bis van de Grondwet, om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, KAMER, 2023-2024, nr. 55-3719/3.

56  Herziening van artikel 7bis van de Grondwet, om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, BS 24 mei 2024, 64860-61.

57  Ontwerp van herziening van artikel 7bis van de Grondwet, om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, KAMER 2023-2024, nr. 55-3719/2, 8.

58  Grondwetsvoorstel (J. Arens e.a.) tot herziening van artikel 7bis van de Grondwet, teneinde er het welzijn van de dieren als wezens met gevoel in op te nemen als algemene beleidsdoelstelling van het federale België, de gemeenschappen en de gewesten, KAMER, 2022-23, nr. 3333/001, 5.

59  Voorstel van bijzondere wet, tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, teneinde de lijst van de bepalingen in het licht waarvan het Hof zijn toetsing uitoefent, uit te breiden tot het bepaalde onder titel Ibis van de Grondwet, KAMER, 2022-2023, nr. 55-3334/1.

60  Bv. RvS 29 april 1999, nr. 80.018 Jacobs; RvS 17 november 2008, nr. 187.998 Coomans; GwH 14 september 2006, nr. 137/2006; GwH 20 juni 2007, nr. 67/2007; GwH 18 juli 2013, nr. 108/2013; GwH 23 mei 2019, nr. 80/2019.

61  Theunis J. en Hubeau B., «Het grondwettelijk recht op de bescherming van een gezond leefmilieu», (1997) 8 TROS 329; Lavrysen L. en Theunis J., «Het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu: een blik over de grenzen en een blik achterom» in Liber Amicorum Paul Martens: L’humanisme dans la résolution des conflits: utopie ou réalité?, Larcier, 2007, 371; Goedertier G., Vande Lanotte J. en Haeck Y., Belgisch Publiekrecht, die Keure, 2015, 681.

62  Lavrysen L. en Theunis J., «Het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu: een blik over de grenzen en een blik achterom» in Liber Amicorum Paul Martens: L’humanisme dans la résolution des conflits: utopie ou réalité?, Larcier, 2007, 374.

63  Lavrysen L. en Theunis J., n. 54, 374-75; Lavrysen L., Handboek milieurecht, Wolters Kluwer, 2020, 155.

64  GwH 27 april 2023, nr. 69/2023, B.6.2. Zie hierover: Kherbache Y. en Bortels H., «Artikel 23 van de Grondwet: (G)een grondrecht als een ander?» in Liber Amicorum Michel Pâques - Dire et faire le droit, 1e editie, Larcier-Intersentia, 2024, 183-198 en 195-197.

65  Velaers J. en Foblets M.-C., «Dierenwelzijn zonder standstill-verplichting in de Grondwet», TBP 2024/10, 660, nr. 4.

66  Ibid.

67  Integraal verslag, Plenumvergadering Kamer van Volksvertegenwoordigers, 2023-2024, 25 april 2024, CRIV 55 PLEN 301.

68  Integraal verslag, Plenumvergadering Kamer van Volksvertegenwoordigers, 2023-2024, 25 april 2024, CRIV 55 PLEN 301, 59.

69  Ibid., 64.

70  Ibid., 56.

71  Ibid., 61.

72  Ibid., 78.

73  Ibid., 54-55.

74  Ibid., 65.

75  Ibid., 70-71.

76  Amendement (S. Loones) op het ontwerp van herziening van artikel 7bis van de Grondwet, om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, KAMER, 2023-24, nr. 3719/4.

77  Ibid.

78  Velaers J. en Foblets M.-C., «Dierenwelzijn zonder standstill-verplichting in de Grondwet», TBP 2024/10, 660, nr. 4.

79  Cass.11 juni 2024, AR nr. P.23.1538.N/5-6.

80  Cass.11 juni 2024, AR nr. P.23.1538.N., concl. Schoeters, 13.

81  Cass.11 juni 2024, AR nr. P.23.1538.N.

82  Van Eekert S. en Voet S., «De Eikendaeldoctrine elf jaar na haar afschaffing terug van nooit weg geweest?», De Juristenkrant, 26 juni 2024, 12-13; Cass. 11 juni 2024, NJW 2024, afl. 508, 777, concl. Schoeters D., noot Herbots P., Driessen M., Thiriar P., «Geen rechtsvordering voor dierenwelzijn?», Juristenkrant 2024, afl. 493, 11; Vanquathem L. en Vuylsteke J., «Dierenverenigingen gemuilkorfd», NJW 2024, afl. 513, 998-1010; Lenaerts L., «Dierenwelzijn, milieurecht en Aarhus: snijdt Cassatie de bocht niet te kort af?», Juristenkrant, 12 februari 2025, 13; Verniers E. en Lenaerts L., «Duurzaamheid en dierenwelzijn in de Belgische Grondwet», NJW 2025, afl. 522, 362-374.

83  Christiaenssen P., «Geen rechterlijke toegang voor dierenwelzijnsverenigingen: Cassatie blaast Eikendael ten onrechte nieuw leven in», Rechtskundig Weekblad 2023-24, nr. 12, (443), 443-457.

84  Hof van beroep Gent (10e k. corr.), 20 oktober 2023, nr. C/1321/2023 (rep.nr. 2023/3536, rolnr. 2021/BB/82).

85  KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/001.

86  KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/003; KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/006.

87  KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/002; KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/004; KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/005; KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/007.

88  KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/008, 17-18.

89  KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/008, 25.

90  Ibid., 37-38.

91  Ibid., 30.

92  Ibid., 38.

93  Ibid.

94  Ibid., 41.

95  Ibid., 37.

96  Ibid., 37 en 41.

97  Ibid., 38.

98  Ibid., 40.

99  Ibid., 39.

100  KAMER, 2024-2025, nr. 56K0226/005.

101  Antwerpen 5 februari 2025, nr. 2023/CO/115, onuitg.; Antwerpen 1 april 2025, nr. 2024/BV/58, onuitg.

102  Cass. 16 september 2025, AR nr. P.25.0316.N. en AR nr. P.25.0400.N.

103  Cass. 16 september 2025, AR nr. P.25.0400.N., concl. De Smet, 17.

104  Ibid., 9.

105  Dubrulle J., «De impact van de regionalisering van de bevoegdheid dierenwelzijn op de dierenwelzijnswet van 1986», Tijdschrift voor omgevingsrecht en omgevingsbeleid 2020 (15), 15.

106  Twee samengevoegde zaken met rolnummers 8407 en 8405.

107  EUROPESE COMMISSIE, Werkdocument Fitness check of the EU Animal Welfare legislation, 4 oktober 2022, SWD(2022)328 def., 60.

108  RAAD VAN STATE, Advies voorontwerp van decreet van het Vlaamse Gewest over dierenwelzijn, 25 januari 2024, nr. 74.797/3, 41, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/74797.pdf#search=74.797%2F3.

109  Verniers E., «De nieuwe Vlaamse Codex Dierenwelzijn en het welzijn van landbouwdieren», Tijdschrift voor omgevingsrecht en omgevingsbeleid 2025 (binnenkort beschikbaar).

110  Ontwerp van decreet over dierenwelzijn, VL. PARL., 2023-2024, nr. 2030/1, 44.

111  RAAD VAN STATE, Advies voorontwerp van decreet van het Vlaamse Gewest over dierenwelzijn, 25 januari 2024, nr. 74.797/3, 41, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/74797.pdf#search=74.797%2F3.

112  Ontwerp van decreet over dierenwelzijn, VL. PARL., 2023-2024, nr. 2030/1, 44.

113  Di Concetto A., Morice O., Corion M. en Santos S., «Chick and Duckling Killing: Achieving an EU-Wide Prohibition», White Paper January 2023, https://animallaweurope.org/wp-content/uploads/Animal-Law-Europe-%E2%80%93-Chick-Killing-Report-2023.pdf.

114  Ontwerp van decreet over dierenwelzijn, VL. PARL. 2023-2024, nr. 2030/1, 45.

115  Cartuyvels D., Casaer J., Vantieghem M., Van Den Berge S. en Van Gompel E., Gids voor een diervriendelijke bestrijding van ratten en muizen, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en Universiteit Gent, 2021, https://purews.inbo.be/ws/files/39596799/Cartuyvels_etal_2021_GidsDiervriendelijkeBestrijdingRattenMuizen.pdf, geraadpleegd op 26 mei 2025.

116  VLAAMSE RAAD VOOR DIERENWELZIJN, Advies over diervriendelijker beheer van ratten en muizen, 28 september 2023, 2, https://assets.vlaanderen.be/image/upload/v1701179167/Advies_VRvD_Diervriendelijker_beheer_van_ratten_en_muizen_280923_cxx7rq.pdf, geraadpleegd op 26 mei 2025.

117  RAAD VAN STATE, Advies voorontwerp van decreet van het Vlaamse Gewest over dierenwelzijn, 25 januari 2024, nr. 74.797/3, 11, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/74797.pdf#search=74.797%2F3.

118  Bernet Kempers E. en Verniers E., Handboek Dierenrecht, Intersentia, 2024, 163-64.

119  Ontwerp van decreet over dierenwelzijn, VL. PARL., 2023-2024, nr. 2030/1, 27.

120  GwH 27 april 2023, nr. 69/2023, B.6.2.

121  Dit in de context van de verdelging van ratten en muizen.

122  Ontwerp van decreet over dierenwelzijn, VL. PARL., 2023-2024, nr. 2030/1, 27.

123  Verniers E., «Een «state of the art» van de Dierenwelzijnswet» in Van De Voorde J. (ed.), Dieren: Recht en Ethiek, Gompel & Svacina, 2021, (243) 251.

124  EFSA Panel on Animal Health and Animal Welfare (AHAW), «Welfare of pigs on farm», EFSA journal 2022/20, https://doi.org/10.2903/j.efsa.2022.7421; Christiaenssen P., «Onverdoofde biggencastratie juridisch ontleed», RW 2021.

125  Ontwerp van decreet over dierenwelzijn, VL. PARL., 2023-2024, nr. 2030/1, 48.

126  Bv. RvS 30 november 2023, nr. 258.055, Vzw Harrison Collectief.

127  EUROPEAN FOOD SAFETY AUTHORITY (EFSA), «Welfare of calves», EFSA Journal 2023, 21(3), 7896, https://doi.org/10.2903/j.efsa.2023.7896, geraadpleegd op 26 mei 2025.

128  Zie https://kalverliefde.be/.

129  Art. 2 W.Decreet van 4 oktober 2018 betreffende het Waalse Dierenwelzijnwetboek, BS 31 december 2018.

130  Verniers E., «Le Code Wallon du Bien-etre Animal: Revolution ou Reformation?», Revue Semestrielle De Droit Animalier 2018, 2, 151-182.

131  Ontwerp van decreet over dierenwelzijn, VL. PARL., 2023-2024, nr. 2030/1, 69.

132  Art. 2 Ord.Br. 6 december 2018, BS 17 december 2018.

133  Verniers E., «Een inkijk in de Vlaamse codex dierenwelzijn», Juristenkrant nr. 497, 2024, 5.