Omschrijving
Recht op vergissing – Recht op een klantvriendelijke en dienstbare overheid
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
962
Auteur(s)
M. Meulebrouck
Trefwoorden

BESTUURSRECHT

Bijkomende informatie

Actualiteit

Coördinatie: Vincent Sagaert en Dirk Scheers

Recht op vergissing - Recht op een klantvriendelijke en dienstbare overheid

Op 14 november 2025 keurde de Vlaamse Regering op voorstel van viceminister-president Hilde Crevits een visienota goed die een belangrijke stap zet naar een klantvriendelijkere en meer dienstbare overheid (VLAAMSE REGERING, Visienota «ter verankering van de manier waarop een klantvriendelijke en dienstbare overheid op een billijke manier zal omgaan met vergissingen van burgers», nr. 479/1quater). Het centrale uitgangspunt van deze visienota is dat vergissingen van burgers die niet te kwader trouw begaan zijn, in principe geen aanleiding mogen geven tot nadelige gevolgen. De Vlaamse Regering wenst echter geen juridisch afdwingbaar «recht op vergissing» voor de burger in te voeren, maar eerder te wijzen op de mogelijkheid voor overheidsinstanties om zich dienstbaar en empathisch op te stellen naar de burger toe.

Het doel dat de Regering in de visienota vooropstelt, is tweeledig. Enerzijds is het de bedoeling dat de burger meer mogelijkheden krijgt om een onopzettelijke vergissing te signaleren. Anderzijds wordt aan overheidsinstanties de nodige ruimte geboden om dergelijke vergissingen op een billijke manier te corrigeren. Op die manier kunnen jurisdictionele procedures zoveel mogelijk worden vermeden en wordt het vertrouwen van de burgers in de overheid versterkt. Om dit in de praktijk te brengen, wordt voorgesteld om in het Bestuursdecreet een facultatieve rechtsgrond in te voeren. Deze rechtsgrond zou overheidsinstanties de mogelijkheid geven om, onder de voorwaarden die ze zelf kunnen bepalen, «af te wijken van decretale en reglementaire bepalingen rond procedurele voorschriften, vormvereisten of termijnen wanneer dit noodzakelijk is om een vergissing te herstellen».

De visienota schuift enkele mogelijke voorwaarden naar voren die aan dergelijke vergissingen zouden kunnen worden gekoppeld en die nog voorwerp zullen zijn van verdere bespreking. Zo zou de vergissing herstelbaar moeten zijn en te goeder trouw moeten zijn begaan. Het rechtzetten ervan zou daarnaast geen afbreuk mogen doen aan de rechten van derden en evenmin de doelstelling van de betrokken regelgeving wezenlijk mogen aantasten. Tot slot wordt ook gedacht aan de voorwaarde dat het om een eenmalige vergissing zou moeten gaan.

Het is immers de bedoeling dat de toepassing van de maatregel eerder een uitzondering blijft die geval per geval door de betrokken overheidsinstantie moet worden beoordeeld. Enkele toepassingen worden door de visienota in ieder geval uitgesloten, zoals onder meer de procedurebepalingen die de werking van de Vlaamse bestuursrechtscolleges regelen. Ook toetsen, examens en examenbeslissingen worden van het toepassingsgebied uitgesloten.

Deze zienswijze over de verhouding tussen burger en bestuur is overigens reeds langer voorwerp van reflectie. Op federaal niveau werd door de Senaat in 2021 een gelijkaardige piste naar voren geschoven (Resolutie met betrekking tot de invoering van het recht op een vergissing in de contacten met de overheidsadministraties, SENAAT, 2020-2021, 17 december 2021, nr. 7-244/6). Recent heeft ook het Netwerk van Belgische ombudsmannen in maart 2025 een resolutie voorgesteld over het recht op vergissing (OMBUDSMAN.BE, Het recht op vergissing. Resolutie van het netwerk Ombudsman.be, maart 2025). In Nederland en Frankrijk loopt het debat hierover trouwens al geruime tijd. In Frankrijk is het droit à l’erreur ondertussen al enkele jaren gecodificeerd in artikel L123-1 van de Code des relations entre le public et l’administration. In Nederland blijft het voorlopig nog bij wetgevende initiatieven (zie bv. Motie van het lid Sneller over het wettelijk verankeren van het recht op een vergissing voor burgers, TWEEDE KAMER, 2023-2024, 8 februari 2024, 36410 VI, nr. 51).

Deze visienota van de Vlaamse Regering geldt als een startpunt voor verdere discussie op Vlaams niveau. De komende maanden en jaren zullen duidelijk maken of en hoe deze wijziging zal worden geïmplementeerd in het Bestuursdecreet en welke Vlaamse overheidsinstanties in voorkomend geval zullen ingaan op de mogelijkheid om deze facultatieve rechtsgrond te benutten.

Michelle Meulebrouck

Vrijwillig wetenschappelijk medewerker

Leuven Centre for Public Law, KU Leuven