Actualiteit
Coördinatie: Vincent Sagaert en Dirk Scheers
Een straf subsidiebeleid: wie durft de overheid nog uit te dagen?
Op 19 december werd het programmadecreet bij de begroting van 2026 afgekondigd (BS 30 december 2025). Artikel 50 voegt een artikel 75/1 toe in de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën: «Juridische kosten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het aanspannen van gerechtelijke procedures tegen de Vlaamse deelstaatoverheid, komen niet in aanmerking als subsidiabele kosten.» Oorspronkelijk gold dat ook voor administratieve beroepen. Dat werd geschrapt, maar ook in haar huidige lezing is deze bepaling problematisch.
Op het spel staat het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door, onder meer, artikelen 6 en 13 EVRM. De bepaling verbiedt verenigingen niet om tegen Vlaamse regels en besluiten op te komen. Ze doet daarom «geen afbreuk aan de essentie zelf van het recht op toegang tot de rechter», aldus de toelichting (Parl.St. Vl.R. 2025-2026, nr. 544/1, p. 53). Nochtans kan ze het verenigingen en instellingen wel erg moeilijk maken om op te komen tegen wat rechtmatige bekommernissen kunnen zijn (zie ook SERV, p. 273 en SARC, p. 316). Dat geldt, aldus de Raad van State, «in het bijzonder voor gesubsidieerde verenigingen die als maatschappelijk doel hebben om ook in rechte op te treden tegen overheidsbeslissingen die hun maatschappelijk doel [raken] - zoals de bescherming van het leefmilieu of de bescherming van de patiënt» (p. 220).
Helemaal problematisch wordt het voor instellingen die generieke werkingsmiddelen ontvangen, zoals onderwijs- en zorginstellingen. Initieel was niet duidelijk of de bepaling ook op hen van toepassing was. De toelichting bevestigt dat dit zo is (p. 52-53). De Raad van State vroeg om verantwoording van een ongelijke behandeling indien dat niet zo zou zijn (p. 221). Nochtans is verantwoording juist gepast bij een gelijke behandeling, zoals ook het OVSG opmerkte (p. 360). Instellingen die voor hun werking grotendeels van overheidsmiddelen afhangen, kunnen immers nagenoeg niet meer opkomen tegen beslissingen die hen raken (zie ook VLOR, p. 330 en OKO, p. 358). De toelichting geeft geen verantwoording voor deze gelijke behandeling van verschillende situaties.
De Raad van State zag nog meer juridische bezwaren. Het standstill-beginsel in artikel 23 GW laat niet toe dat zonder verantwoording een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van sociaal-economische en culturele rechten wordt ingevoerd. Van zo’n achteruitgang is sprake omdat verenigingen die deze rechten als maatschappelijk doel hebben, daarvoor moeilijker in rechte kunnen opkomen (p. 221).
De besparing is bedoeld om de begroting op orde te houden, staat in de toelichting, en de overheid is vrij om te bepalen waarvoor overheidssubsidies mogen worden aangewend (p. 52). Hoe deze bepaling tot besparingen leidt, is evenwel een raadsel. De bepaling wijzigt immers niet het totale bedrag dat aan subsidies wordt besteed. De Vlaamse overheid bespaart enkel als ze juridisch betwistbare regels uitvaardigt en verenigingen daar, ondanks deze bepaling, toch tegen opkomen.
Volgens de toelichting zijn eventuele inbreuken evenredig, omdat het enkel om rechtszaken tegen de Vlaamse overheid gaat (p. 52). Ook dat kan moeilijk overtuigen. De Vlaamse overheid is immers bevoegd voor een breed aantal beleidsdomeinen. Maatregelen die, bijvoorbeeld, het milieu treffen of zorg- en onderwijsinstellingen raken, komen grotendeels van de Vlaamse overheid. De bepaling staat bovendien niet alleen. Het Actieprogramma Vergunningverlening neemt voluit de voorstellen over van de Gemengde Commissie Vergunningen om de toegang tot de rechter verder dicht te timmeren, inclusief de reeds door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig geachte «attentieplicht» (VR 2025 1912 MED.0523-1).
De Raad van State zag ook een spanning met artikel 9, § 5 van het Verdrag van Aarhus. Die bepaling verplicht lidstaten niet om het instellen van rechtsgedingen in milieuzaken financieel te steunen, maar lijkt niet toe te laten om nieuwe financiële belemmeringen in te voeren, aldus de Raad (p. 221). De toelichting beklemtoont het eerste deel van die zin, maar geeft geen antwoord op het tweede deel.
In het parlementair debat werd hieraan geen aandacht geschonken. Dat spoort met de huidige tijdsgeest. De bepaling echoot de verantwoording die ministers eerder gaven om, tegen een arrest van de Raad van State in (vzw Dryade, nr. 261.073, 17 oktober 2024), een milieuvereniging niet de startsubsidie uit te betalen die haar toekwam. In het Vlaams Parlement werd die vereniging als «activistisch» beschouwd omdat ze, met succes, rechtszaken had gevoerd tegen Vlaams beleid (Vraag om uitleg, Commissie voor Leefmilieu, 17 oktober 2023, 182 (2023-2024)). Blijkbaar is activisme nu ook voor verenigingen ongepast. Uit deze bepaling spreekt geen zorg om het begrotingsevenwicht. Ze toont vooral een overheid die niet wil uitgedaagd worden. Dat is een zorgwekkende vaststelling.
Patricia Popelier (UAntwerpen)