Omschrijving
Preferentiële toewijzing als wapen tegen partnergeweld: hoe ver buigt het recht?
Jaargang
2025 - 2026 (89)
Pagina
882
Auteur(s)
M. Droogné
Trefwoorden

HUWELIJKSVERMOGENSRECHT

HUWELIJKSVERMOGENSRECHT / Gezinswoning

GEWELD

Bijkomende informatie

Actualiteit

Coördinatie: Vincent Sagaert en Dirk Scheers

Preferentiële toewijzing als wapen tegen partnergeweld: hoe ver buigt het recht?

Tot voor kort was de preferentiële toewijzing van de gezinswoning enkel van toepassing op gehuwde koppels. Sinds de Wet Huwelijksvermogensrecht van 2018 ging het daarbij zowel om koppels gehuwd onder een gemeenschapsstelsel als om koppels gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen, die hun woning in onverdeeldheid bezaten. Bij overlijden van een van de echtgenoten kan de langstlevende de rechtbank verzoeken de gezinswoning aan hem of haar toe te wijzen (art. 2.3.13 BW). Bij echtscheiding kan dit ook: elk van de - voormalige - echtgenoten kan de toewijzing vragen, waarna de rechter beslist rekening houdende met de belangen van elk van hen evenals de financiële mogelijkheden van de echtgenoot die de opleg zou moeten betalen (art. 2.3.14 BW). Op deze rechterlijke beoordelingsruimte had de wetgever met de wet van 28 januari 2003 in een uitzondering voorzien: als de echtgenoot die de preferentiële toewijzing vorderde, het slachtoffer was geworden van een van de opgesomde misdrijven, moest de rechter de vordering tot toewijzing toekennen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden (art. 2.3.14, § 2, tweede lid BW).

Op 4 december 2025 heeft de Kamer het wetsvoorstel ter verruiming van de preferentiële toewijzing aangenomen (56-0483). De wetgever geeft hiermee gevolg aan het arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 juni 2024. Het Hof stelde twee schendingen van het gelijkheidsbeginsel vast. Ten eerste oordeelde het Hof dat het in strijd was met het gelijkheidsbeginsel dat wettelijk samenwonende partners die een woning in onverdeeldheid bezitten, de rechter niet konden vragen om preferentiële toewijzing van de gezinswoning, terwijl koppels die gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen met een woning in onverdeeldheid dit wél kunnen (Verbeke A.-L., Thijs H., «De relatieve bijdrage van het Grondwettelijk Hof in de strijd tegen discriminatie van ongehuwde samenwoners. Waar blijft de wetgever?», RW 2024-25/26, (1002) 1009-1010). Hierbij verwees het Hof expliciet naar de onevenredige gevolgen die dit kon hebben voor wettelijk samenwonenden die het slachtoffer werden van partnergeweld: zij kwamen niet in aanmerking voor de gunstregeling zoals hiervoor beschreven (GwH 20 juni 2024, nr. 62/2024, overw. B.9.4). Ten tweede stelde het Hof vast dat er een ongrondwettig verschil in behandeling bestond tussen twee categorieën van echtgenoten die het slachtoffer zijn van partnergeweld. Slachtoffers van wie de echtgenoot-dader effectief veroordeeld werd, kunnen immers een beroep doen op de gunstregeling bij partnergeweld. Slachtoffers bij wie de feiten het voorwerp uitmaakten van een succesvolle procedure van strafrechtelijke bemiddeling (art. 216ter Sv.), konden dat niet.

De nieuwe wet verhelpt beide ongrondwettigheden. Om aan de eerste ongrondwettigheid tegemoet te komen, worden de eerder geschrapte artikelen 1480 en 1481 oud Burgerlijk Wetboek hersteld en aangepast. Deze lezen vanaf de inwerkingtreding van de wet nagenoeg als een kopie van de bepalingen die gelden bij het huwelijk met scheiding van goederen. Om aan de tweede ongrondwettigheid tegemoet te komen, wordt het tweede lid in artikel 2.3.14 BW aangevuld, zodat het slachtoffer ook in het geval van een succesvolle strafrechtelijke bemiddeling toegang heeft tot de gunstregeling die geldt bij partnergeweld. In het nieuwe artikel 1481 oud BW wordt dit voor de wettelijk samenwonenden ook zo opgenomen.

De nieuwe wet is een stap vooruit, zowel voor de bescherming van de wettelijke samenwoners als voor de strijd tegen partnergeweld. Toch blijven op beide vlakken bredere discussies bestaan. De nood aan een herdenking van het statuut van de samenwoners dringt zich op. Voor de strijd tegen partnergeweld rijst de vraag naar de volgende stap: wat met de feitelijk samenwonende slachtoffers? Moet de wetgever ook feitelijk samenwonende slachtoffers van partnergeweld beschermen, zelfs als dit wringt met de interne logica van het relatievermogensrecht (Verbeke A.-L., Thijs H., «De relatieve bijdrage van het Grondwettelijk Hof in de strijd tegen discriminatie van ongehuwde samenwoners. Waar blijft de wetgever?», RW 2024-25/26, (1002) 1010-1012)? Het antwoord op die vraag zal bepalen of deze hervorming een eindpunt is voor de preferentiële toewijzing, dan wel een tussenstop.

Marieke Droogné